Home

Regisseur Michiel van Erp over zijn aidsdrama ‘Downtown’: ‘Sommige films wil je maken, andere films móét je maken’

Het Nederlands Film Festival opent vrijdag met het drama Downtown van Michiel van Erp, over het weggestopte verdriet na de aidsepidemie. De Volkskrant sprak de regisseur. ‘Het onverwerkte leed van de generatie die toen jong was: daar gaat de film nog het meest over.’

is filmredacteur van de Volkskrant.

Goh, ja, jeetje, die aidsperiode... Daar heb ik eigenlijk niks van meegekregen. We waren toen met andere dingen bezig.

Dat hoorde Michiel van Erp zeggen, een paar keer zelfs, toen hij collega’s uit het vak vertelde over zijn nieuwe speelfilm. ‘Bizar toch?’

Downtown, de openingsfilm van de 46ste editie van het Nederlands Film Festival (NFF), volgt het leven van drie jonge gays in de jaren tachtig: de zachtaardige Ronnie, dj van gayclub Downtown, het promiscue uitgaansbeest Lennart en nieuwkomer en kunstacademiestudent Bas. Ze kennen elkaar uit het onbekommerd vrije en hedonistische Amsterdamse nachtleven, waar geleidelijk de eerste geruchten doordringen over een mysterieus virus dat hun gemeenschap zal decimeren.

Ook treffen we de drie vrienden op latere leeftijd, voor het eerst sinds die tijd weer herenigd, tijdens een etentje gedurende de lockdown van 2021. ‘Covid is een kleutervirus’, poneert Lennart, dan de cynicus van het stel.

Alles wat decennialang onuitgesproken was gebleven toen de ziekte doordrong tot hun driehoeksrelatie en die uiteindelijk opblies, komt nu ter sprake tijdens één emotionele avond. Een tragisch kamerstuk, dat Van Erp vervlecht met flashbacks naar de jaren tachtig.

Duizenden doden

Sommige films wil je maken, andere films móét je maken. Die gedachte besloop Van Erp tijdens de realisatie van De roze revolutie (VPRO, 2021), zijn vierdelige documentairereeks over ‘de historie van de lhbtqia+-beweging in Nederland’. Een deel van dat verhaal liet zich misschien wel het best vertellen als drama.

Van Erp: ‘Er zijn in Nederland duizenden doden gevallen door aids. Veel mensen zijn dat eigenlijk al vergeten, en veel jonge mensen uit de queergemeenschap weten er nauwelijks iets van.

‘Kijk, de generatie die het meemaakte gaat op een gegeven moment dood. Die is er dan niet meer. En misschien hebben we het ook nooit goed doorverteld, in verhalen – uit schaamte, vanwege de pijn.

‘Toen ik in mijn vriendenkring vertelde dat ik hiermee bezig was, hoorde ik van een paar mensen: goh, wat goed om daar een film over te maken, want ik heb zelf hiv. Hadden ze nooit eerder durven zeggen. Dat vond ik nogal wat. Misschien gaat Downtown daar nog het meest over: het onverwerkte leed van de generatie die toen jong was.’

Van Erp (62) zit op het terras van Amsterdamse café Wildschut, een week voor de galapremière op het Utrechtse festival. Hij komt net van de repetities van zijn eerste musical: Voor haar, over cabaretier Frans Halsema. Zijn volgende speelfilm, Confettiregen, naar de autobiografische roman van Splinter Chabot, is al helemaal gedraaid en bevindt zich in de montagefase.

En dan die openingsfilm Downtown, zijn tweede al op het NFF, dat in 2018 aftrapte met Van Erps bewerking van de roman Niemand in de stad.

Het is een chaotische tijd, zegt hij. ‘Ik heb deze week mijn moeder begraven. En ook nog een vriendin. En dan weer repeteren. Heel absurd, maar ja.’

Eén lied

Frans Halsema is een favoriete artiest uit de jeugd van de regisseur. Van Erps moeder luisterde veel naar de cabaretier die in de jaren tachtig op jonge leeftijd overleed. ‘Iedereen kent dat nummer Voor haar, hijzelf is minder bekend. Uiteindelijk blijft van de meeste artiesten ook maar één lied over, of één film. Dan heb je al geluk. Dáár gaat de musical over.’

Met een lachje: ‘Ik vrees dat ik uiteindelijk toch de regisseur ben die ooit Pretpark Nederland gemaakt heeft.’

Hij wordt nog altijd, ‘zo’n twee keer per week’, aangesproken op zijn komisch te noemen documentaire over de Nederlandse vrijetijdsindustrie. ‘Die film is uit 2006! Je hoopt toch dat je daarna nog wat stappen maakt.’

Veelfilmer

Je kunt Van Erp een veelfilmer noemen. Sinds het alom goed ontvangen studentendrama Niemand in de stad, zijn speelfilmdebuut uit 2018, regisseerde hij nog vier speelfilms (Stromboli, Een schitterend gebrek, Downtown, Confettiregen), drie documentaires (Erwin Olaf: The Legacy, De wereld aan je voeten, De roze revolutie) en twee tv-series (I.M., Een van ons).

Maar die kwalificatie van harde werker berust op een ‘misverstand’, meent hij zelf. ‘Soms komen de dingen gewoon tegelijkertijd. Tussendoor heb ik ook eens anderhalf jaar niks gefilmd! En nee, ik ben niet zo iemand die eens in de zeven jaar een film maakt. Ik vind filmen het leukste wat er is, dus als het kan gá ik ook filmen.’

Van Erp grinnikt. ‘Ik ben heel trots op deze film. Het is gewoon een goede film, dat weet ik zeker. Ja, dat vind ik wel, het is brutaal en megagevoelig, zonder dat het sentimenteel wordt. En als iemand het niet mooi vindt... pff. Het is vast heel arrogant wat ik nu zeg, maar ik voelde dat ik het echt wel onder controle had. Meer dan bij mijn vorige film, Een schitterend gebrek.’

Downtown is al door diverse landen aangekocht, zoals de VS, Canada, Oostenrijk en Duitsland. ‘De Duitse distributeur leek het beter als het woord ‘aids’ niet zou vallen in de communicatie voor de film. Net als ‘covid’ – dat schijnt een soort box office poison te zijn: mensen willen niet herinnerd worden aan die tijd. Je ziet in de trailer ook geen mondkapjes.

‘Ik vind het allemaal heel fascinerend, hoe dat werkt in de filmindustrie. Bij Niemand in de stad hadden we helemaal aan het begin van de film de scène waarin dronken corpsballen een wedstrijdje doen wie de meeste borrelnootjes onder zijn voorhuid kan proppen. Moet er echt uit, zei de distributeur. Nou, dat moet je niet tegen mij zeggen.

‘Achteraf dacht ik toch: hmm, Niemand in de stad is wel voor heel weinig internationale filmfestivals geselecteerd. Misschien had het daarmee te maken. Al weet ik niet of dat nou een goede reden is om je film aan te passen.’

Hoe bekend ben je zelf met de wereld in Downtown?

‘Ik was erbij; ik kwam ook in de It (Amsterdamse club, red.). Niet dagelijks, hoor: ik woonde en studeerde in Delft, maar we gingen wel uit in Amsterdam. En Frank (scenarist Frank Houtappels, red.) heeft die periode ook meegemaakt, al is hij ietsje jonger dan ik.

‘Downtown is niet mijn of zijn verhaal, maar de film is wel deels gebaseerd op de verhalen die we toen hoorden of zelf van dichtbij meemaakten. Ook in Delft trouwens, daar had je de Delftse Werkgroep Homoseksualiteit. Daar kwam ik niet zo veel, maar ik ging er wel altijd naar een vaste kroeg waar ook veel homo’s kwamen.

‘De helft van die groep is aan aids overleden. Ik wil daar niet mee koketteren; het is niet zo dat ik heel dierbare vrienden heb verloren, maar het was wel deel van je wereld. Frank vertelde mij dat toen hij thuis vertelde dat hij homo was, zijn ouders meteen zeiden: pas je wel op?’

Net als bij zijn debuutspeelfilm werkte Van Erp ook voor Downtown met jonge, nog niet per se heel bekende acteurs: Daniel Cornelissen, Sebastián Mrkvicka en Thor Braun. Voor de oudere Ronnie, Lennart en Bas benaderde hij drie coryfeeën uit het vak: Yorick van Wageningen, Hans Kesting en Roeland Fernhout.

Maakt het uit of de jonge en oude acteurs voldoende op elkaar lijken?

‘Dat vond ik niet zo relevant. Ik weet ook wel dat ze eigenlijk niet zo op elkaar lijken, maar we hebben het zo gedraaid en gemonteerd dat iedereen wel weet wie wie is. Dat hoop ik tenminste.

‘En verder: ik heb geen zin om met pruiken of zo te gaan werken; ik kijk meer naar hoe de acteurs op mij overkomen. Dat krachtige van Hans Kesting, bij wie er zo’n emotionele laag onder zit, zie ik ook in Sebastián, die de jonge Lennart speelt. Ik heb eerst alles met die jonkies gedraaid – of jonkies, het zijn geschoolde acteurs. Daarna draaiden we zes dagen lang de scènes met de oudere acteurs.’

In Downtown verschijnt aids als wat stippen op een hals of arm. Is dat iets waar je veel over hebt nagedacht, hoe je de verwoesting door de ziekte in beeld wilde brengen?

‘Ik snap je vraag; je bent trouwens de eerste die het aan me vraagt. Natuurlijk hebben Frank en ik het daar vooraf over gehad: laat je de ellende vol zien? Er gaan een paar mensen dood in de film, maar dat wilde ik niet uitmelken. Geen uitgemergelde mensen, al zit er wel een ziekenhuisscène in. Ik denk dat de pijn in de emoties moet zitten, niet in dat doodgaan op zich.

‘Ik geloof dat je als filmmaker ook denkt: wat wil ík maken? En Frank is daarin wat liever dan ik. Maar inderdaad, tijdens het schrijfproces hebben we hier heel veel aan gedacht: waar doen we nou het beste aan? Het net wat weggestopte verdriet van deze drie mannen, die samen op één avond terugblikken, bijna als in een soort toneelstuk: dáár gaat het om in deze film. Dat is de grootste pijn.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next