Non-fictie In hun huiveringwekkende boek Eindtijdfascisme beschrijven Naomi Klein en Astra Taylor hoe de machtigste mensen van de wereld zich voorbereiden op het einde van de wereld. Deze eindtijdfascisten graaien vooral voor zichzelf en hun eigen klasse. Toch geven beide auteurs de hoop nog niet op.
Jeff Bezos en Lauren Sanchez vieren de succesvolle terugkeer van hun ruimteraket Jacklyn, Cape Canaveral, november 2025
Naomi Klein en Astra Taylor: Eindtijdfascisme. En de strijd om het leven op aarde. De Geus. € 25,99
In het Amerikaanse leger houden commandanten hun troepen voor dat de oorlog met Iran ‘allemaal onderdeel van Gods heilige plan’ is: hoe bloederiger, des te sneller keert Jezus terug. Jeff Bezos laat Venetië drie dagen lang ombouwen tot decor voor zijn bruiloft, en werkt intussen met zijn raketbedrijf aan een toekomst waarin een miljard mensen in de ruimte leven. En in Minneapolis schieten immigratieagenten twee Amerikaanse burgers dood, Renee Good en Alex Pretti.
Drie losse nieuwsberichten, zou je denken. Wie Eindtijdfascisme van Naomi Klein en Astra Taylor heeft gelezen, ziet een duidelijke samenhang. Achter alle drie gaat de overtuiging schuil dat de wereld zoals we die kennen binnenkort ten einde komt, en dat het zaak is om bij de groep te horen die het overleeft. Dat noemen de auteurs ‘eindtijdfascisme’: de ondergang wordt omarmd in plaats van afgewend, en elke ramp geldt als teken dat de verlossing dichterbij komt. ,,De machtigste mensen ter wereld bereiden zich voor op het einde van de wereld, een einde dat ze zelf verwoed versnellen”, schrijven de auteurs. Het is een ijzersterke analyse die blijft hangen. Wie het boek heeft gelezen, ziet het eindtijdfascisme ineens overal terug: in de computerspelletjes van het Witte Huis, waarin je migranten deporteert, of in Trump die waarschuwingen over AI wegzet als bangmakerij. Of dichter bij huis, in de Prinsenvlaggen op het Malieveld.
Klein en Taylor onderscheiden drie soorten eindtijdfascisten. Religieuze fundamentalisten die geloven in een messianistische eindtijdprofetie en in elke ramp ,,een opwindend teken dat mag worden gevierd” zien. Techmiljardairs als Peter Thiel, Elon Musk en consorten die menen met AI een superintelligentie te kunnen scheppen die ,,de mensheid van vlees en bloed zal vervangen” en die intussen bunkers kopen. En etno-nationalisten die van hun land ‘een soort gezuiverde bunker’ willen maken, veilig ,,zolang er maar genoeg mensen worden uitgezet, uitgesloten of buitengesloten”. Wat deze ‘houtje-touwtjecoalitie’ bijeenhoudt zijn gedeelde vijanden, minachting voor de democratie en een president die iedereen bedient. De techmiljardairs kregen vrij spel toen Trump de AI-regels van zijn voorganger Biden schrapte, religieus rechts kreeg conservatieve rechters, en de etno-nationalisten hun massadeportaties.
Verhelderend is hoe de auteurs dit fascisme onderscheiden van dat van Hitler en Mussolini. Zij hadden geen atoombom, geen opwarmende planeet en geen AI tot hun beschikking, en ze boden hun aanhang nog iets tastbaars: een lapje geroofde grond, nieuwe wegen en spoorlijnen. Hun huidige opvolgers – want Klein en Taylor beschouwen hen als fascisten – zijn daarvoor te druk met ,,graaien voor zichzelf en hun eigen klasse”. Wat overblijft is het ‘armageddoncomplex’ dat Umberto Eco in elk fascisme zag: het verlangen naar een laatste, allesbeslissende veldslag. Alleen volgt er ditmaal geen gouden tijdperk, behalve voor wie een bunker heeft, een raket of een plek in de hemel.
Nieuw is het begrip eindtijdfascisme niet meer: Klein en Taylor introduceerden het onderwerp vorig jaar in een veelgelezen essay in The Guardian, dat ze in recordtijd uitwerkten tot dit boek. Die snelheid heeft voor- en nadelen. Het voordeel: de tientallen, zo niet honderden, recente voorbeelden – van Trumps tweede termijn, Gaza en Iran tot de datacenters van Musk in Memphis, alles staat erin, en door de bril van het eindtijdfascisme worden al die ontwikkelingen één weefwerk. Alleen vergroot die bril soms wat te veel. Als ook wellnessgoeroes, tradwives en weddenschappen op de terugkeer van Jezus eronder vallen, wat valt er dan nog buiten? Want lang niet iedereen in het boek denkt werkelijk dat het einde nadert.
Private gevangenissen, die grof geld verdienen aan massadeportaties en het databedrijf Palantir, dat software levert aan leger en immigratiedienst, profiteren vooral van de chaos, en daar is geen eindtijdgeloof voor nodig. Toch rekenen Klein en Taylor ook hen tot de eindtijdfascisten. Dat doen ze bewust: fascisme was volgens hen altijd al een bondgenootschap van fanatici en opportunisten, bijeengehouden door ‘gedeelde vijandschappen en hartstochten’. En voor de slachtoffers maakt het inderdaad weinig uit waarom iemand meedoet.
De afgelopen jaren verschenen tal van boeken over het thema, van Timothy Snyders Over tirannie (2022) tot Dit is fascisme (2025) van Rosan Smits. Dit soort boeken, die je leren fascisme te herkennen, noemen Klein en Taylor ‘uitermate belangrijk’, maar zelf willen ze ,,nieuw terrein in kaart brengen”. Wie in de achteruitkijkspiegel blijft kijken naar bruinhemden, ziet volgens hen ,,de durfkapitalisten met hun autonome wapens” over het hoofd, en wie uitkijkt naar gele sterren blijft blind voor ,,de gezichtsherkenningssoftware en algoritmische dreigingsratings”. Het nieuwe terrein kennen ze beiden goed. Eindtijdfascisme borduurt onder meer voort op Kleins De shockdoctrine (2007): profiteerden regeringen en bedrijven toen van rampen, nu jagen ze die actief aan.
Documentairemaker en publicist Taylor schrijft al jaren over democratie en bestaanszekerheid, en richtte na Occupy Wall Street het Debt Collective op, een vakbond van schuldenaren. Klein weet dus hoe de macht aan rampen verdient, Taylor hoe je de mensen organiseert die eronder lijden. Die combinatie levert meer op dan een diagnose. Na de eerste driehonderdvijftig pagina’s, die toch ook enige wanhoop oproepen, dringt de vraag zich op wat je in vredesnaam tegen zo’n machtige alliantie van tech, fascisme en geloof kunt beginnen. Het hoopvolle slotdeel geeft daar uitgebreid antwoord op. Hun sterkste tegengif heet ‘hier-heid’, een begrip van de Bund, de Joodse arbeidersbeweging die rond 1900 in Oost-Europa weigerde haar heil in een eigen staat elders te zoeken. Hier-heid draait om het idee dat de aarde de enige wereld is die we hebben, en dat we dus goed moeten zorgen voor de plek waar we wonen, én voor wie er naast ons leven.
In Minneapolis spraken de auteurs bewoners die na de dood van Renee Good en Alex Pretti met fluitjes de straat op gingen zodra de immigratiedienst opdook, en boodschappen deden voor wie zich thuis verstopte. ‘Ik ga mijn buren beschermen en verdedigen’ werd er zowat een eed. Daar zit volgens de auteurs de zwakke plek van het eindtijdfascisme: een beweging die haar aanhang weinig anders te bieden heeft dan wreedheid, loopt stuk op mensen die elkaar niet laten vallen.
Die mensen hebben dan wel genoeg bestaanszekerheid nodig om zich niet tegen elkaar te laten opzetten, vandaar het pleidooi voor bevroren huren, gratis bussen en kinderopvang, het recept waarmee Zohran Mamdani burgemeester van New York werd. Verder reikt hun voorstel voor een nieuwe ontwapeningsbeweging, naar het voorbeeld van de strijd tegen de kernbom, maar dan ook gericht op ongereguleerde AI en geconcentreerde rijkdom. Want uiteindelijk is dit fascisme ,,een crisis van straffeloosheid”: er is te veel geld, technologie en wapentuig in handen van een te klein clubje.
Makkelijk wordt die strijd niet, erkennen de auteurs. Maar wie het boek dichtslaat, heeft wel nieuwe woorden om te benoemen wat er gebeurt, en inspiratie om er iets tegen te doen. Of zoals Taylor het in VPRO Tegenlicht verwoordde: ,,We moeten elkaar helpen om weer verliefd te worden op deze plek, zodat we kunnen strijden voor deze wereld met alles wat het verdient.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie