Home

Asmae Amaddaou slikt haar woorden niet in, maar eist haar bestaansrecht op

Poëzie Dichteres Asmae Amaddaou laat vol bravoure van zich horen met een weerbare en tegelijk tedere stem. Haar debuutbundel is een aanklacht tegen een wereld waarin immigranten moeten vechten voor het recht om er vanzelfsprekend te mogen zijn.

©Coco Olakunle

„Ik kan niet horen waar jij vandaan komt”, zegt een vrouw tegen me in plat Rotterdams, met onverholen achterdocht. Probeer je soms iets te verbergen? hoor ik meeklinken in haar constatering. Ik slik, accentloos. Wat moet ik (niet) zeggen? Ik ben geboren in Hoorn, maar kan dat niet uitspreken op z’n West-Fries. Mijn oma is Pools, maar dat kan ik niet zeggen in haar taal. Het Nederlands is mijn moedertaal, maar ik voel me niet thuis in een bepaald soort Nederlands. Ik ben, kortom, bang dat ik ‘algemeen beschaafd Nederlands’ spreek. Een wortelloos, nietszeggend, aangepast soort Nederlands.

Asmae Amaddaou: Brand lieverd brand. De Bezige Bij, 144 blz

De benaming van deze term is, realiseer ik me, hoogst problematisch. Want wie bepaalt wat ‘algemeen’ is, en erger nog, ‘beschaafd’? Ben ik zelf problematisch als ik een uitgevlakte uitspraak heb? En waarom is het bijvoeglijk naamwoord om de dikte van een accent aan te geven ‘plat’ en niet, bijvoorbeeld, ‘hoog’?

Deze en andere vragen worden aangewakkerd door het lezen van de dichtbundel Brand lieverd brand van de Marokkaans-Nederlandse Asmae Amaddaou (2001). In haar wervelende debuutbundel laat zij vol bravoure van zich horen met een weerbare en tegelijk tedere stem. Politiek bewust, maatschappijkritisch en streetwise, neemt ze – nu eens bloedernstig, dan weer met een knipoog – de lezer mee in haar aanklacht tegen een wereld waarin immigranten en hun nakomelingen moeten vechten voor het recht om er, met al hun accenten, vanzelfsprekend te mogen zijn. Dat doet ze op een geheel eigen manier, met een rijke schakering aan onderwerpen, van Gucci-petten in Beverwijk en voetbal tot oorlogstragedies.

Niet voor niets gestorven

Amaddaou vraagt zich in deze bundel af waar ze zich thuis voelt, waar ze wil sterven en of ze wel mag falen. In het slotgedicht, met de veelzeggende titel ‘Tien adviezen over hoe je in leven kunt blijven wanneer je bruin bent & tot de verkeerde god bidt’, besluit Amaddaou met: „het is een bruine plicht om in de toekomst te blijven geloven  vertel het land dat we zullen herbouwen  vertel de voorouders dat ze niet voor niets gestorven zijn”. De slotregel legt een loodzwaar fundament onder het plichtsgevoel waarvan de bundel is doordrongen, naar de voorouders die een groot risico namen door hun land te verlaten.

In sommige gedichten, zoals ‘Liveverslag vanaf de achterbank van de taxi’, is er bovendien sprake van een schuldgevoel over wat de dichteres vermoedelijk gemakkelijker kreeg aangereikt dan haar voorouders: „ik zit vol schuldgevoel/ als ik nu hard genoeg hoest kruipt het rode paspoort uit mijn mond.” De Nederlandse identiteit is iets wat duidelijk wringt en klemt. Die voelt nooit helemaal van haarzelf en kan schrikbarend genoeg als een ingeslikt monster naar buiten kruipen.

Indrukwekkend is de aandacht die Amaddaou behalve voor haar eigen situatie heeft voor anderen bij wie ze een strijd herkent voor een vanzelfsprekend bestaansrecht. Niet alleen als gevolg van migratie, maar ook door misogynie en genocide, zoals de jonge Frans-Algerijnse Sohane Benziane die in brand werd gestoken door een ex-vriend, en de vijfjarige Hind Rajab die werd vermoord tijdens de voortgaande genocide op de Palestijnen. „De zionisten hebben 335 kogels afgevuurd op de auto waarin Hind & haar familie zich bevonden”, staat er over Hind te lezen in de verantwoording.

In de handen van een andere dichter zou deze tragiek te veel of te zwaar kunnen worden. Maar door de aandachtige toon van Amaddaou, die zelfs het meest afzichtelijke persoonlijk weet te benaderen, blijft haar perspectief boeien. Kijk, lijkt Amaddaou te zeggen. Dit zijn geen mensen die je kunt wegzetten of wegdenken door er krantenwoorden op te plakken als ‘slachtoffer’, ‘migrant’ of ‘ontheemde’. Dit is uw medemens. U had dit zelf kunnen zijn.

Thuis in een gedicht

Amaddaou vereenzelvigt zich soms zo sterk met de ander, dat ze die ander lijkt te worden, zoals in het grandioze prozagedicht ‘Zidane leert mij hoe ik het perfecte immigrantenkind moet zijn’. De dichteres spreekt aanvankelijk zichzelf toe, maar opent de deur naar wie de ‘je’ in het gedicht kan zijn steeds wijder – alsof ze iedereen die geen vanzelfsprekend thuis heeft, een thuis wil aanbieden in het gedicht. Aan het slot is de aangesprokene niet alleen een samensmelting van stervoetballer Zinedine Zidane en Amaddaou zelf, maar iedereen die voortdurend moet strijden, een ‘titel’ moet verdedigen, aan verwachtingen moet voldoen.

écoute ma chérie, als iemand op het perron een hitlergroet cadeau doet, dan slik je zestig jaar aan succesvol verlopen immigratie, een goudse geboorteakte, de war on terror & een prestigieus kunstdiploma in, & prevel je: dank u wel.

Zelfs als iemand onverholen racistisch is, slik je de aanval in. Alles om de zestig jaar „succesvol verlopen immigratie” maar niet te verpesten. Maar tot welk punt kun je je aanpassen, voordat je je eigen waarden verliest?

verkoop een door burgeroorlog geteisterde grootouder. schraap het accent met een kartelmes van je tong af. gorgel elke dag met bleek. de wonden blijven schroeien, maar de hand van de president schudden zal de pijn verminderen. bekeer tot het agnosticisme. als iemand vragen begint te stellen over God, wijs dan naar je ouders. wijs naar de schoonmakers & de automonteurs & de huisvrouwen & het uitschot. iedereen die jou hier heeft gebracht, begrijpt niet hoe het spel te spelen. anders hadden zij ondertussen ook goud mogen kussen. (…)er is geen tijd om uit te ademen of rond te kijken. het volgende immigrantenkind ademt in je nek, klaar om de titel van je af te pakken. sla je hoofd nog maar eens tegen de muur ma chérie. onthoud: het enige wat je hoeft te doen, is blijven winnen. (…)

Als dit een lang citaat is, dan komt dat omdat ik hier het liefst het gehele gedicht – en liever nog de hele bundel – had weergegeven. Er is bijna niet te kiezen uit de rake regels van Amaddaou, omdat ze bestaan uit een hecht weefsel. Elke regel heeft de voorgaande en de volgende nodig, alsof ze elkaar vasthouden. Dit maakt dat de inhoud voortdurend onder spanning staat.

Door de gebiedende wijs van het gedicht geeft Amaddaou een stem aan de geïnternaliseerde bevelen die tot volmaaktheid en aanpassing manen: slik, schraap, gorgel. Hieruit spreekt dat ‘perfect’ willen zijn niet alleen betekent dat je moet winnen, maar ook dat je een deel van jezelf moet wegpoetsen. Opvallend genoeg lijkt dat wegpoetsen ook te zijn doorgedrongen in de manier waarop Amaddaou haar zinnen in de bundel laat klinken. De neiging om gedachten (onnodig) expliciet uit te schrijven, staat de vaart en muzikaliteit soms in de weg. Met enige welwillendheid kan die overmatige duidelijkheid worden gelezen als een stijlmiddel: een vorm die uitdrukking geeft aan de aanpassingsdwang die de bundel beschrijft.

Juist omdat de gedichten inhoudelijk allerminst conventioneel zijn, ontstaat hier een interessant spanningsveld. Toch maakt het vooral nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren als Amaddaou in haar zinsbouw even onverschrokken zou zijn als in haar inhoud. Eerste pogingen daartoe zijn zichtbaar bij typografische ingrepen, zoals het gebruik van lange spaties als adempauze, een visuele en inhoudelijke hapering, waardoor de gedichten een heel eigen gezicht krijgen.

Bendegeweld

Amaddaou weet in haast elk gedicht grote kwesties aan te kaarten door in te zoomen op specifieke gebeurtenissen. In het omvangrijke, vijf pagina tellende gedicht ‘Mocro maffia’ schrijft Amaddaou jongens tot leven die zijn omgekomen als gevolg van bendegeweld. Ze vraagt zich af hoe je aan een gedicht moet beginnen over een jongen van wie het hoofd ergens anders is aangetroffen dan het lichaam. Op het nieuws wordt zijn naam tot overmaat van ramp verkeerd uitgesproken – een treffende constatering, die een relatie heeft met het grotere thema van hoe mensen door hun eigen of andermans uitspraak kunnen worden buitengesloten:

zelfs in onze dood moeten we bewijzen dat we dit land verdienen welke papieren moet ik invullen voor genade?

hoe lang moet ik mijn adem in kunnen houden?ik doe het allemaal als het betekent dat hij mag rusten in zijn graf

trek van de kogelgaten op zijn borst de melkweg overlaat de lijkenwasser alle soera’s in het oor van de dode jongen fluisteren

was zijn gezicht tot de gelaatstrekken van zijn jeugd verschijnenik wil de glimlach van de dode jongen zien  zijn licht scheve tanden

Ik zie de jongen voor me, met de licht scheve tanden die van een nieuwsonderwerp een naaste maken.

Met dit indrukwekkende debuut eist Asmae Amaddaou aandacht op voor wie als ‘de ander’ wordt weggezet. Falen, geeft ze impliciet aan, is misschien wel iets dat nagestreefd zou moeten worden: slik je woorden om bestaansrecht op te eisen niet in. Leg het accent dikker op de tong. Juist in de momenten waarop ‘gefaald’ mag worden, wanneer twijfel een gezicht krijgt en tanden aandoenlijk scheef staan, gloeit deze bundel van binnenuit.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next