Home

Wat we niet meer zien omdat het wonderlijke zo snel gewoon wordt

Aanpassen Dichte mist tijdens een bergtocht, bosbranden aan de horizon: het vreemde en het verontrustende worden verrassend snel gewoon, schrijft Christiaan Weijts. Soms is dat maar goed ook. Maar gewenning kan ons ook blind maken.

Halverwege Mount Snowdon naderden twee schimmen ons vanuit de clag, de beruchte, natte Welshe mist, die ongemerkt steeds dichter was geworden. Op een snelweg zou dit het juiste moment zijn om me af te vragen waar die schakelaar voor de mistlampen ook al weer zit.

Een vader en een zoon waren het, van ongeveer onze leeftijden, 17 en 50. Bezorgd namen onze dubbelgangers ons op vanuit hun druipende capuchons. „Hi there, are you alright?” Dat had elke afdaler gevraagd. Zagen we er zo hopeloos uit, of was dit hier in Noord-Wales zo’n ongeschreven wandelaarscode? Ik antwoordde dat we perfectly alright waren, thank you, en hoe was het daarboven?

De man stond stil en verklaarde ernstig: „Het is niet te doen. We zijn omgekeerd. Er staat een vré-se-lijke wind en het pad is daar nog maar zó’n smalle richel.” Tussen zijn handen paste hooguit een stoeptegel. Hij schudde zijn hoofd. Voordat zijn silhouet weer oploste, riep hij ons een zinnetje toe dat me bleef intrigeren: „But you’ll be fine!”

Daar was ik ineens minder zeker van dan aan de voet van de berg. Een speciale busservice had mijn zoon en mij naar het vertrekpunt geslingerd van een van de meer uitdagende routes. Ik had al gelezen over het risico van rukwinden, spekglad rhyoliet-gesteente, onvindbare paden en rukwinden. Jaarlijks eiste de berg acht levens. Intussen trok de wind aan en sloot de mist zich om ons heen.

Een kwartier lang had de situatie iets panisch-claustrofobisch. Schuifelend, met verhoogde hartslag, waadden we in een koepel met een diameter van hooguit een meter of drie.

Moesten we toch ook maar omkeren? Maar nee, toen gebeurde het. Alsof er iets neerdaalde. Kalmte. Oké, dus dit was ons nieuwe normaal. We waren aan de nieuwe situatie gewend. En gaf de natuur hier bovendien niet een gratis lesje mindfulness? De wereld was geslonken tot het hier en nu. Alleen de volgende voetstap bestond nog. Het voelde als een grote overwinning op een irrationele angst.

Maar precies dat lijkt me achteraf gezien juist een probleem, om niet te zeggen: hét probleem.

Spiegelland

In Engeland merkte ik hoe snel je aan een nieuwe toestand kunt wennen. Bij het wegrijden uit de ferry in Harwich kneep ik hem nog wel, de eerste paar kilometers. Mijlen bedoel ik. Daar ga je al: alles is anders aan de overkant van de Noordzee, en links rijden bezorgde me wittere knokkels dan verwacht. Maar na de eerste rotondes dacht ik: dit is precies wat we zoeken, op reis. Dat de wereld een beetje kantelt en je aandacht op scherp zet.

Alles nam ik in mij op: vangrails, wegmarkering, reclame, weilanden, campers, vogels, motorrijders, heggen. De omgeving was hyper-aanwezig. Dit spiegelland – met zijn alternatieve tijd, maat, taal en munt – bezorgde me de milde ontregeling die ik op elke reis zoek.

En toch: na een paar uur, tussen het glooiende groen van Somerset, had ik het idee dat de grote omkabelingsoperatie van mijn synapsen al haast was voltooid. Eenmaal in Wales rekende ik de snelheids- en afstandsborden niet eens meer om. Ik lééfde al in die ruimere schaal, als in een royalere jas, hoe geleend die ook bleef aanvoelen.

Habituatie noemen wetenschappers dit neurologische proces. Zet je tent op, en het onbekende lapje gras is al getemd als ‘thuis’. Drie dagen later heb je je vaste bakkertje, je supermarkt, je strategische warme-douche-timing. Voor je het weet is al dat vreemde weer een alledaags decor.

Biologisch gezien is dit een onmisbare aanwinst. Een organisme dat voortdurend verbluft zou zijn, is hopeloos inefficiënt. Maar de snelheid waarmee dit mechanisme te werk gaat, de ijver waarmee het sluiers van alledaagsheid werpt over alles wat bij de eerste aanblik zo betovert – „Moet je die bergen zien…! Kijk, die klíffen…!” – is buitengewoon frustrerend.

Nu kun je zeggen dat er ergere dingen in de wereld zijn dan het wegebben van je verwondering over het vakantielandschap. Extreme hitte. Bosbranden. Evacuaties. Maar hier speelt precies hetzelfde.

Apocalyps met aperitief

Languit gelegen aan een bergmeertje in Snowdonia zag ik een paar dagen eerder op mijn telefoon een van de iconische foto’s van deze zomer. Een echtpaar, in strandstoelen aan een Frans meer, uitkijkend op een helse vuurzee die het bos opslokte aan de overkant en de hemel veranderde in gloed en zwartpaarse rook. Beentjes over elkaar, onder hun parasol met een pastisreclame. De apocalyps met een aperitiefje erbij.

Ach ja, het bosbrandenseizoen is weer begonnen: zo’n houding leek die foto te suggereren. Ook hier is gewenning de boosdoener. Telkens nemen we de huidige, al verslechterde staat van het klimaat als nieuw vertrekpunt. De temperatuur stijgt en ons idee van ‘normaal’ klimt mee, precies zoals mij met de mist op de berg overkwam.

De kritiek op dat echtpaar in de Gironde was niet van de lucht. Hedonistische boomers. Verwend. Decadent. Ik kreeg steeds meer sympathie voor ze. Want deden we dit niet allemaal, ons leven voortzetten? Je kunt er niet bij iedere bosbrand van doordrongen raken dat de menselijke beschaving aan het instorten is. Voortdurend gealarmeerd blijven is ondoenlijk.

Je suis dat echtpaar bij het Étang de Lacanau. Gewenning en aanpassing zijn noodzakelijk om te overleven. In de groepsapp van de creatieve camping in Frankrijk waar ik later in de zomer les ging geven deelden medewerkers bosbrand-ontwijkende routes. Vakantiegangers trokken naar Scandinavië voor een coolcation. Zuid-Europa kocht voor een recordbedrag aan airco’s. We stampen nieuwe paden om de vlammen heen. Dat is noodzakelijk. Maar de grote uitdaging van onze tijd is : kun je je aanpassen en tegelijkertijd voldoende alert blijven?

En dat is in wezen hetzelfde vraagstuk als waar de vakantieganger mee stoeit. Hoe voorkom je dat wat eerst nieuw en wonderlijk was, alweer gewoon wordt? Mindfulness? Wandelen? Vóél de voetstap. Zíé de boom. Te voet is het landschap weer als nieuw.

Roestige mijnkarretjes

Ironisch is dat wel. Als wandelaar loop je juist over trajecten die door duizenden voorgangers zijn ingesleten. ‘Paden zijn de gewoonten van een landschap,’ las ik in De oude wegen (2012) waarin natuurschrijver Robert Macfarlane oog heeft voor de oeroude dimensies van wandelpaden.

Hierdoor aangespoord was ik ook de paden in Snowdonia anders gaan bekijken. Een paar dagen eerder liepen we een stuk van het Watkin Path, een voormalige mijnwerkersroute – voor leisteen en koper, het spul dat de Romeinen hier al uit de grond haalden. In 1892 werd dit het eerste officieel erkende wandelpad van Groot-Brittannië.

Veel herinnerde nog aan de tijd ervóór. Roestige mijnkarretjes en verweerd spoorgrind lagen verscholen onder knoestige dwergeiken. Overgroeide rails sneden door de brokken leisteen, die diep paarsblauw verkleuren in de regen. Ongemerkt waren de industriële transportroutes veranderd in vrijetijdswegen.

Hier begon de Britse wandelcultuur, ook voor de niet-rijken. Later mondde dat uit in wetgeving zoals de Public Right of Way (1949) – vrije doorgang op privégrond – en het Right to Roam (2000): ronddwaalrecht buiten de gebaande paden. Dit zijn niet zozeer gulle overheidsgebaren maar de resultaten van een felle, decennialange strijd. Zo bestormden honderden arbeiders in 1932 een privéterrein in het Peak District, om vrije toegang tot de natuur op te eisen.

Niets is vanzelfsprekend. Links rijden, vrije wandelpaden. We zien de huidige wereld als een onvermijdelijk eindstadium en zijn blind voor de grote emancipatiebewegingen die ertoe hebben geleid.

Blinde vlek voor positieve ontwikkelingen

Daarover gaat het in een ander boek dat naast mijn luchtbed in mijn tentje lag. In haar nieuwe essayboek Het begin volgt op het einde wijst de Amerikaanse schrijver en klimaatactiviste Rebecca Solnit op die andere blinde vlekken van onze gewenning: die voor de positieve ontwikkelingen.

Aan het begin van de millenniumwisseling leek de klimaatcrisis onoplosbaar, inmiddels, zo stelt Solnit, is er een enorme energierevolutie bezig die alle voorspellingen van destijds overtreft. Burgerrechten, de val van de Berlijnse Muur, de snelle opkomst van hernieuwbare energie: het leek allemaal onmogelijk.

Alleen de macht van de fossiele sector staat nog in de weg, maar dat is een stuiptrekking van een stervend tijdperk. Net als extreemrechts, de manosfeer en waar je allemaal nog meer mee wordt bestookt door de media, die volgens haar te dicht op het dagelijks nieuws zitten.

Solnit wil dat we naar de grotere lijnen kijken: ‘Door amnesie normaliseren we het heden, vergeten we de veranderingen die naar dat heden hebben geleid en zien we niet dat dat heden ook weer kan veranderen.’

Misschien is dat een uitweg uit het dilemma tussen gewenning en alert blijven. Haar pleidooi is juist het tegenovergestelde van je aandacht op het hier en nu richten. Haar perspectief doorbreekt de illusie van onvermijdelijkheid.

Achteraf lijkt de geschiedenis een rechte lijn. Het moest zo gaan: industrialisatie, fossiele brandstoffen, menselijke dominantie. Maar ook het heden is bedacht, gebouwd en stukje bij beetje normaal geworden.

We bereikten heelhuids de top, met een combinatie van alert zijn en een route-app, die, voorbij de mist, het grotere pad bleef zien. Het hoogtepunt was nogal een deceptie. Vier uur klauteren, rillen, angst en afzien en dan? Dan stuit je de allerlaatste meters op een drom toeristen. Die hadden zich omhoog laten tuffen door een stóómtrein!

Oude, vervuilende nostalgie. Is hier in 130 jaar dan niets geleerd? Toch wel. Het spoorwegbedrijf is een paar jaar terug al overgestapt op ‘e–coal’, dat voor de helft uit biomassa bestaat.

Tsja. Is dat voldoende voor een onzichtbare revolutie? Tegen het optimisme van Rebecca Solnit valt veel in te brengen. Gletsjers smelten, de temperatuur stijgt en extreemrechts kan zomaar meer zijn dan een stuiptrekking. Het punt is: als we moeten kiezen tussen fatalisme en hoop, is die laatste toch het meest leefbaar.

Alles zal onherroepelijk blijven veranderen. Grote gebieden zúllen onbewoonbaar worden, maar we weten niet hoe groot de catastrofe zal worden. We weten niet welke kant het op gaat.

‘Five pound fifty’

Zoals ons overkwam bij de afdaling. We waren al bijna beneden toen ik het zag op die route-app. Dit pad kwam helemaal niet bij onze bushalte uit, maar bij een parkeerplaats één dorp verderop. Omkeren dus.

Twee kilometer terug omhoog lopen, terwijl je dacht er bijna te zijn, vereist een bovenmenselijke volharding. Die hadden we.

We moesten een kissing gate over klimmen, en hoewel een wegwijzer hierheen had gewezen, dwaalden we rond over de struikheide, de wolfsklauw, langs grazende schapen.

Toen mijn zoon in een modderpoel stapte besloot ik weer eens op internet te kijken. De parkeerplaats waar we naar op weg waren geweest lag aan dezelfde buslijn. Maar goddank: daar beneden liep de autoweg erheen al.

Volgens Google Maps konden we de bus halen, zelfs met vijf minuten speling. Vervolgens kwamen we bij een hek. Dat zat op slot. We klommen over de aluminium stangen en het gerammel alarmeerde een boer. Breed lachend hield hij ons tegen.

„That’s five pound fifty. Each.” Wij lachten. Dit was immers het land van Britse humor, van vriendelijkheid, van het recht op overpad, enzovoorts. De boer kletste onze vijf minuten voorsprong weg, maar hij bleef het herhalen: „Five pound fify. Each.”

Mijn zoon draaide zich al om. Ik hobbelde achter hem aan. Pas laat drong het besef door: deze man was werkelijk niet van plan ons op zijn erf te dulden. Dus strompelden we maar weer bergopwaarts, door de heide, langs de schapen, langs een ellenlange dry stone wall, van gestapeld leisteen. Nergens een stile, een houten trap, dus uiteindelijk klauterden we over de muur heen. En juist toen ik me begon af te vragen waarom die situatie met die boer zo’n onheilspellende sfeer had gehad (thrillerachtig, met verstopte toeristenlijken), merkte mijn zoon op: „Hij maakte dat grapje nét één keer te veel.”

Dat was het precies. Dat had ik zelf niet gezien. Zijn kleine observatie trof me. Ik was niet langer degene die hem door een vreemd landschap loodste, hij was het zelf gaan lezen.

Natuurlijk houd ik mijn hart vast voor de wereld waar mijn kinderen naar op weg zijn, en die zich op allerlei manieren buiten mijn zicht bevindt. Klimaat, politiek, technologie, oorlog. Meer nog dan mijn generatie zullen ze zich moeten aanpassen, maar hopelijk blijven ze ook merken wanneer iets niet klopt.

Voorlopig was ik gerustgesteld. Voor mij uit zag ik hem weer verdwijnen in de mist en ik dacht: but you’ll be fine.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Klimaatverandering

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next