China-schok 2.0 De opmars van China als industriële natie raakte eerst de VS heel hard, maar pas de laatste jaren ook Europa. Industriebedrijven klagen steen en been dat ze op oneerlijke wijze weggeconcurreerd worden, bij politici breekt de paniek uit dat te veel banen verloren gaan. Wat is de China-schok 2.0, hoe is deze ontstaan en heeft Europa zitten slapen?
Auto’s staan klaar voor de export in de haven van Suzhou, in het oosten van China.
De stormbal is gehesen in het Europese bedrijfsleven. En de gure wind komt ditmaal niet uit het Westen (van Donald Trump), maar uit het Oosten: uit China.
De China-angst die industriebedrijven en politici in Europa in korte tijd heeft bevangen is misschien het best te vatten in aantallen containers. In 2019, het laatste jaar voor de pandemie, kwamen er voor elke container met export die vanuit China naar Europa ging, tweeënhalve Chinese containers naar Europa terug. Anno 2026 is die verhouding drastisch schever geworden: voor elke Europese container komen er zes containers uit China terug, zo noteerde de Europese Kamer van Koophandel in Beijing deze week.
„Ons handelstekort met China is nu 1 miljard euro. Per dag. […]”, zei voorzitter Ursula von der Leyen van de Europese Commissie deze maand in haar State of the Union. „In samenlevingen en in fabrieken door de hele Europese Unie heen is die schok zichtbaar. Hij leidt tot de-industrialisatie in de industriële kerngebieden van Europa. Dit wordt onhoudbaar.”
Volgende maand doet de Europese Commissie naar verwachting voorstellen om de EU-markt te beschermen tegen China, mogelijk met invoerheffingen. Zelfs met de zegen, zo lijkt het, van Duitsland, traditioneel fervent pleitbezorger van de vrijhandel omdat het een exportnatie is. Ook daar klinkt de roep om bescherming van de Europese markt, nu vele tienduizenden industriebanen verdwijnen. Vorige maand schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een advies aan het kabinet: „Als we niets doen, zullen onze afhankelijkheden toenemen en zullen we economisch hard geraakt worden.”
Waar komt deze ‘China-schok’ vandaan en wat is het precies? Hoe oneerlijk is de Chinese concurrentie? En heeft Europa de schok ook aan zichzelf te wijten? Vijf verklaringen en grafieken.
Handelstekorten met China zijn allerminst een nieuw verschijnsel. Maar wat razendsnel is veranderd, is de inhoud van de containers uit China die op de Europese kades worden gehesen. In de eerste twee decennia van deze eeuw, na toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in 2001, ging het nog om goedkope oplaadkabeltjes, vrolijk gekleurd speelgoed, kleding en schoenen, meubels, computers en mobieltjes. De laatste jaren komen auto’s, machines, onderdelen en chemische producten uit die containers. Precies de hoogwaardige producten waar Europese bedrijven decennialang leidend in waren.
In de jaren 2000, toen China zich van ontwikkelingsland omvormde tot exporterende industriële grootmacht, ging het vooral om producten waar veel arbeidskrachten voor nodig waren. Daardoor werd vooral de industrie in de Verenigde Staten getroffen. Pas jaren later, vanaf 2013, gaven Amerikaanse economen er een naam aan: de ‘China-schok’.
Die eerste China-schok werd dus pas vastgesteld toen hij al lang en breed een feit was – en er zo’n miljoen banen in de VS waren verdwenen (later liep dit baanverlies nog op tot 2,4 miljoen). Anno 2026 loopt het debat in Europa anders. China-schok 2.0 is geen „ontdekking achteraf”, maar vindt nú plaats. Het debat in Europa is een „waarschuwing”, een alarmbel, schrijft econoom Adam Tooze. Die alarmbel vindt direct weerklank, tot op het hoogste politieke niveau.
De China-schok is duidelijk zichtbaar op de Europese straten: de elektrische modellen van BYD, Geely, SAIC, Zeekr, Chery, Leapmotor en Jaecoo rukken op. Het Chinese marktaandeel in stekkerauto’s ging tussen 2021 en 2025 van 2 naar 9 procent en lijkt dit jaar uit te komen op zo’n 13 procent. Van de in Europa verkochte hybride auto’s is nu een kwart Chinees. China voert bovendien de markt aan van zonnepanelen, batterijen en windturbines, belangrijke producten voor de energietransitie die Europa wil maken.
China verleidt Europese klanten met grote prijsvoordelen. Vroeger was het label Made in China vaak automatisch reden voor twijfel over de kwaliteit en de veiligheid van het product. Maar ook op dit punt maken de Chinezen een inhaalslag, zeggen onder meer Duitse machinebouwers. En alsnog leveren Chinese concurrenten voor 50 tot 60 procent van de prijs van Europese machinebouwers. Een rapport van de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs noemt Chinese prijsvoordelen van tussen de 17 procent (industriële robots) en 62 procent (zonnepanelen) ten opzichte van niet-Chinese bedrijven.
De handelscijfers liegen er dan ook niet om. Het handelstekort (export minus import) van de Europese Unie met China verdubbelde tussen 2019 en 2025 van 165 naar 371 miljard op jaarbasis. Sinds de pandemie zijn China’s wereldwijde exportvolumes toegenomen met meer dan 40 procent, terwijl de [Chinese] import nauwelijks is toegenomen, schrijven de economen Sander Tordoir en Brad Setser in een paper over China-schock 2.0.
Wie de beleidsdocumenten van de regering van Xi Jinping leest, had het kunnen weten. Want al in 2015 publiceerde Beijng het rapport Made in China 2025 (MIC2025). China’s torenhoge industriële ambities staan erin opgesomd. „Een door de staat gestuurde routekaart om het land van de fabrieksvloer naar de top van de geavanceerde maakindustrie te katapulteren”, zoals China-expert Kaiser Kuo van het World Economic Forum het beschreef. De Chinese overheid gaf gevolg aan het plan met omvangrijke, gerichte industriesubsidies aan high tech-sectoren en kon daarbij gebruik maken van een zee aan werknemers. De prijzen van grondstoffen werden met subsidies gedrukt.
Het doel van Made in China 2025 is vooral internationale dominantie van de industrie, met als uiteindelijke doel „nationale kracht”, „nationale veiligheid” en het worden van een „wereldmacht”, zo valt erin te lezen. China moet „de ontwikkeling van de wereldwijde maakindustrie aanvoeren”. Tegen 2025 moet het Chinese marktaandeel in hoogwaardige technologie „sterk worden verhoogd”.
De kern van de strategie van de Chinese communistische partij bleef van kracht in het huidige Vijfjarenplan (2026-2030). Daarin wordt ook ingezet op technologieën als AI, 6G en kernfusie. China is „vastbesloten import te vervangen in de weinige sectoren waar het nog wel afhankelijk is van buitenlandse leveringen”, schrijven Tordoir en Setser, die ook de vliegtuig- en chipindustrie noemen als sectoren waarin China wil uitblinken.
Het industriebeleid heeft geresulteerd in overcapaciteit: er wordt door Chinese bedrijven meer geproduceerd dan klanten op de binnenlandse én buitenlandse markt willen afnemen. Chinese bedrijven concurreren keihard op prijs, winst maken lijkt daarbij niet belangrijk. Volgens onderzoek van de Amerikaanse centrale bank maakte 30 procent van de Chinese grote industriebedrijven eind 2025 verlies, tegen 20 procent voor de pandemie. Chinese (staats)banken houden verlieslatende bedrijven met leningen op de been.
Dat de Chinese containers vol hoogwaardige producten nu veelal in Europa belanden – en niet in de VS – komt mede door de factor-Donald Trump. Door de hoge tariefmuren van de Amerikaanse president kan China veel producten niet meer in de VS slijten en dus komen die in verhevigde mate naar Europa.
In China’s handelspolitiek gaat het om groei van de export, maar ook om vermindering van de import. De „afhankelijkheid” van buitenlandse technologie moet „significant worden verminderd”, staat in Made in China 2025. Europa merkt dat. Duitse machinebouwers bijvoorbeeld zien hun export naar China nu drastisch dalen: in de eerste helft van dit jaar lag deze krap 14 procent lager dan een jaar eerder. Duitse automerken zien hun verkoop in China kelderen. In het tweede kwartaal van 2026 lag deze voor de merken Mercedes-Benz, BMW en Porsche tussen de 30 en 41 procent lager dan in dezelfde periode vorig jaar.
De mogelijke gevolgen van China-schok 2.0 laten zich raden: Europese fabrieken zullen sluiten, Europese banen in de maakindustrie – ook de hoogwaardige – zullen verdwijnen. Sterker: ze verdwijnen al. Tussen 2019 en 2025 verdwenen 520.000 van de 7,7 miljoen industriële banen in Duitsland. Het Institut der deutschen Wirtschaft (IW), een onderzoeksinstituut gefinancierd door Duitse werkgevers, noemt het „aannemelijk” dat zo’n vierhonderdduizend daarvan komen door de golf aan Chinese concurrentie.
Begin dit jaar schreef de Franse regeringsdenktank Haut-Commissariat à la Stratégie et au Plan (HCSP) dat de Europeanen de laatste tijd vooral bezig zijn geweest met „reageren op het vuurwerk van Trump”. „Met deze dagelijkse afleiding zijn we bijna het zicht kwijtgeraakt op de Chinese economische bedreiging.” Een kwart van de Franse export staat op het spel, aldus de denktank. Maar ook bijvoorbeeld Tsjechië en Hongarije zijn kwetsbaar, schreven Ron Stoop en Geoffroy Fey onlangs in economenblad ESB.
Containers in de haven van Lianyungang, in het oosten van China.
De toetreding van communistisch China tot de WTO in 2001 was het sleutelmoment voor de opmars van het land als exportreus: voortaan kon het land onder gunstige voorwaarden, zoals lage invoerheffingen, exporteren naar het welvarende Westen.
Vijftien jaar van stevige onderhandelingen gingen aan die toetreding vooraf. Het zetten van de handtekening op een conferentie in Qatar was aanleiding voor feesten en ceremonies in China. Na het overlijden van Mao Zedong (1893-1976) waren onder leiding van Deng Xiaoping economische hervormingen ingezet. Overal in China waren fabrieken opgezet, er was een trek van arbeiders van het platteland naar de steden op gang gekomen.
In de VS en Europa waren er voor de WTO-toetreding van China al de nodige zorgen: zou de industrie niet gaan lijden onder concurrentie met een enorm Aziatisch lagelonenland? Maar dat was niet de overheersende stemming. Westerse bedrijven en regeringen zagen een gigantische markt opengaan – en dat wekte grote verwachtingen. In het eerste decennium van deze eeuw zag Europa China als een strategische partner en een motor van nieuwe economische groei in de wereld.
Het waren de hoogtijdagen van de globalisering. De goedkope producten uit China zorgden voor lage prijzen in de Europese en Amerikaanse winkels – en zo hadden consumenten meer te besteden. Westerse bedrijven togen naar China om daar nieuwe dochterondernemingen te beginnen, in door Beijing verplichte joint ventures met Chinese bedrijven. Het risico van kopiëren en verlies van intellectueel eigendom namen ze veelal voor lief. De markt van ruim 1,2 miljard Chinezen in 2000 (nu 1,4 miljard) leek te lucratief.
En dat was het die eerste periode ook. De export uit Europa naar China verdrievoudigde in de eerste tien jaar na WTO-toetreding. Vooral hoogwaardige producten gingen naar China. De Chinezen hadden de machines hard nodig om hun productiecapaciteit op te bouwen. Ook de componenten voor elektronica kwamen nog uit fabrieken in de VS en Europa. Intussen kwam de Chinese productiecapaciteit op gang. In China’s enorme assemblagehallen kleding, speelgoed, pc’s en laptops in elkaar gezet om tegen schappelijke prijzen naar Europa te worden verscheept. Het droeg bij aan lage inflatie in Europa.
Maar langzamerhand begon al industrie te verdwijnen, vooral van laagwaardiger goederen als textiel, lederwaren, meubels, speelgoed en consumentenelektronica. Fabrieken in de VS sloten, industriële gebieden in staten als Ohio, Missouri en Tennessee verarmden en liepen leeg.
De China-schok verscherpte de verhoudingen tussen China en de VS al in het vorige decennium. In zijn eerste regeerperiode als president (2017 – 2021) besloot Donald Trump al tot een eerste ronde van invoerheffingen op Chinese producten.
China liet zijn exportmodel echter niet los, integendeel. Het zette in op hoogwaardiger productie om ook daarin de dominantie van Europese en Amerikaanse producenten over te nemen – en zelfvoorzienend te worden.
Dat lukte al vroegtijdig in de productie van zonnepanelen. Rond 2010 hadden Duitse producenten in die opkomende markt nog het voortouw, tegenwoordig zijn ze volledig weggeconcurreerd. Hoewel consumenten – en het klimaat – profiteerden van de overvloed aan Chinese zonnepanelen op de markt, is dat het schrikbeeld voor veel industrietakken geworden: er is amper nog Europese industrie over in deze sector.
Volgens veel westerse economen zit de diepere oorzaak van de jongste China-schok in het Chinese economische model. Dat model is vooral op het stimuleren van de export gericht, en veel minder op de binnenlandse consumptie.
De Chinese consument profiteert amper van de almaar toenemende export. De lonen blijven laag en de sociale zekerheid schamel. In het eerste decennium van deze eeuw stak China de verdiensten van de export vooral in infrastructuur, om de economische ontwikkeling aan te jagen. Daarna gingen Chinese regionale overheden en banken als een dolle investeren in vastgoed – tot die zeepbel knapte, in 2020-2021. En nu gaan de overheidsinvesteringen vooral naar de opbouw van industriële productie (en dus nog steeds niet primair naar verbetering van de koopkracht en sociale zekerheid van de Chinezen). Met als gevolg: de overcapaciteit in de industrie, de extreme groei van het Chinese handelsoverschot.
De in Beijing werkzame Amerikaanse econoom Michael Pettis betoogt al jaren dat het Chinese groeimodel, met die lage consumptie en die overinvesteringen in industriële export, onevenwichtig is. Met grote gevolgen voor de handelspartners waar China zonder grote beperkingen heen exporteert: hun industrie wordt door de massale import uit China weggeconcurreerd.
Hoe kan China al die producten zo goedkoop aanbieden op de Europese markt? Door oneerlijke concurrentie, specifiek: door de inzet van een heel palet aan staatssubsidies, zo concludeerde de Europese Commissie in 2024 uit een uitgebreid onderzoek naar Chinese elektrische auto’s. Op basis van die bevindingen legde de EU Chinese autobouwers als BYD en SAIC invoerheffingen op.
De Chinese staatssteun neemt vele vormen aan. Er zijn directe geldinjecties door Chinese overheden aan autobouwers. Ze profiteren van belastingkortingen. Ze krijgen gunstige leningen van (semi-)overheidsbanken, met een rente onder de marktrente. De Chinese overheid stelt ook land ter beschikking aan de autobouwers. En de binnenlandse prijs van cruciale onderdelen (batterijen) en grondstoffen (lithium) wordt bewust laag gehouden.
Die Brusselse bevindingen zijn niet verrassend. Al decennia wordt door westerse landen – en nu ook toenemend door opkomende landen, zoals Turkije – geklaagd over de Chinese staatssteun, die even veelvormig als omvangrijk is. De WTO-regels verbieden weliswaar het geven van staatssteun niet, maar die staatssteun mag geen „nadelige effecten” hebben voor andere leden van de WTO.
Staatssteun is ook in het Westen niet onbekend: denk alleen al aan de jarenlange staatssteun aan vliegtuigbouwers Boeing en Airbus of in de laatste jaren de overheidssteun in Europa en de VS bij de bouw van nieuwe chipfabrieken. Maar China gaat verder.
Uit gegevens van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) blijkt dat China in 2021 4,5 procent van zijn bbp uitgaf aan staatssteun voor de industrie. Dat is bijna het dubbele van het Europese gemiddelde. En industrielandenclub OESO becijferde dat Chinese industriële bedrijven tussen 2005 en 2024 subsidies ter waarde van gemiddeld 2,4 procent van hun jaaromzet kregen. In Europese OESO-landen was dat 0,4 procent. Waar Chinese bedrijven hun wereldwijde marktaandeel verbeterden, was dat in 60 procent van de gevallen dankzij staatssubsidies (directe subsidies, belastingvoordelen en vooral gesubsidieerde leningen door staatsbanken), aldus de OESO. De conclusie die veel westerse economen en politici hieruit trekken: het speelveld is volstrekt ongelijk geworden.
China reageerde als door een wesp gestoken op het OESO-onderzoek. Het Chinese handelsministerie noemde het „eenzijdig” en „vooringenomen”. De daadwerkelijke reden voor het succes van de Chinese industrie zou liggen in haar efficiëntie en snelle technologische vooruitgang. De economen Zhu He en Guo Kai van de aan de Chinese overheid gelieerde denktank CF40 noemen het OESO-onderzoek „zowel achterhaald als misplaatst”. Chinese staatssteun zou al sinds 2022 afnemen en bovendien vooral gaan naar „oude” sectoren als infrastructuur en vastgoed.
Er is nóg een Chinees concurrentievoordeel dat de laatste tijd volop in de aandacht staat. Dit is de lage wisselkoers van de Chinese munt, de renminbi. De waarde van de renminbi wordt door de Chinese overheid kunstmatig laag gehouden, zeggen westerse economen en politici. Daardoor zijn Chinese producten voor buitenlandse afnemers goedkoop (je hebt weinig euro’s nodig om ze te kopen) – en dus aantrekkelijk. Eigenlijk is die onderwaardering „een impliciete subsidie voor alle Chinese goederen tegelijk”, schrijft het Duitse onderzoeksinstituut IW.
Anders dan bijvoorbeeld de euro, de dollar en de yen kan de renminbi niet vrijelijk in waarde fluctueren op de internationale valutamarkten. De koers ervan wordt dagelijks vastgesteld door de Chinese centrale bank, de Volksbank, binnen een bepaalde bandbreedte. Dat kan de Volksbank bijvoorbeeld doen door renminbi’s te verkopen of te kopen, tegen vreemde valuta als de dollar. De centrale bank wordt hierbij geholpen door Chinese banken die in staatshanden zijn.
De renminbi is ten opzichte van de munten van China’s belangrijkste handelspartners met 21,3 procent ondergewaardeerd, volgens een gezaghebbende studie van het IMF. Vorig jaar was dat nog 16 procent. Al jaren dringt het IMF aan op meer „flexibiliteit” in de Chinese valutapolitiek: Beijing zou zijn strakke controle van de wisselkoers moeten loslaten.
De onderwaardering van de renminbi is volgens de eerdergenoemde Amerikaanse econoom Brad Setser zelfs nog een stuk groter: zo’n 30 procent ten opzichte van zijn marktwaarde. Setser meent dat het Chinese handels- en investeringsoverschot (de betalingsbalans) in werkelijkheid groter is dan de officiële Chinese data vertellen.
Alleen al door zijn sterk groeiende handelsoverschot zou China eigenlijk een sterkere (duurdere) munt moeten krijgen. Buitenlandse importeurs van Chinese goederen hebben uiteindelijk, via hun banken, de renminbi nodig om de import te betalen. Dan stijgt de vraag naar de renminbi en wordt deze onder vrije marktomstandigheden duurder.
Een andere reden waarom de renminbi duurder zou moeten worden ten opzichte van andere munten, is dat China de afgelopen jaren amper inflatie (geldontwaarding) heeft gekend, en andere landen (inclusief Europa) wel. Alleen: de officiële wisselkoers reflecteert dit amper. De koers van de euro staat ten opzichte van de renminbi zelfs een fractie hóger dan vijf jaar geleden.
De renminbi staat nu op de hoogste politieke agenda in EU- en G7-verband, mede dankzij de Duitse bondskanselier Friedrich Merz. „We kunnen niet eindeloos accepteren”, zei hij in juli, dat landen ”kunstmatig hun munteenheid een lage waarde geven, vooral als ze grote concurrenten zijn”. Merz wil dat het Westen harder aandringt bij de Chinezen op een hogere renminbi-wisselkoers en verwijst naar het historische voorbeeld van het ‘Plaza’-akkoord uit 1985.
Dat akkoord ging destijds over de, in Amerikaanse ogen, ondergewaardeerde munten van Europese landen en vooral van Japan (het Aziatische land dat tóén de wereld overspoelde met goedkope export). Onder Amerikaanse druk – het Congres dreigde met invoerheffingen – stemden de Europeanen en Japanners destijds in met interventies op de valutamarkt om munten duurder te maken ten opzichte van de dollar.
Zou China anno 2026 meegaan in een soort ‘Plaza 2.0’- akkoord? Dat is, om het zacht uit te drukken, twijfelachtig. China is een zelfbewuste wereldmacht. Aan Chinese zijde wordt sowieso steevast ontkend dat de renminbi kunstmatig laag wordt gehouden. China „voert een duidelijk en consistent wisselkoersbeleid dat is gestoeld op marktfactoren”, zo luidt de lijn.
Ook sommige westerse (top)economen verwerpen het idee dat China de koers van de renminbi manipuleert. In een veelbesproken artikel in The Economist schrijven drie economen, van wie twee eerder bij het IMF werkten, dat de onderwaardering van de renminbi – die zij niet ontkennen – simpelweg het gevolg is van het Chinese binnenlandse economische beleid. De lage consumptie in China, en ook de voortdurende problemen in de vastgoedsector, zouden de binnenlandse economische activiteit in het land drukken. Dat zou de vraag naar renminbi’s verminderen, met als gevolg een lage koers.
Met China, zo betogen zij, kan veel beter worden gepraat over economische hervormingen dan over de renminbikoers. China kan bijvoorbeeld zijn zwakke sociale zekerheid verbeteren, zodat mensen meer vertrouwen krijgen om te consumeren. En dan zou een sterkere renminbi vanzelf gaan volgen.
Containers in de haven van Qingdao, in het oosten van China.
Is de Europese industrie reddeloos verloren of kunnen de EU-landen hun bedrijven nog overeind houden in de felle concurrentie? Of is het te laat en had Europa veel sneller moeten reageren op de plannen die Xi Jinping in 2015 al ontvouwde?
Europa heeft zitten slapen, zeggen critici. Econoom Adam Tooze: „Het feit dat de Europese auto-industrie op deze manier kan worden overspoeld, zou veel moeten zeggen. Het legt bloot dat er fundamenteel iets mis is met de Europese economie.”
Al jaren wordt er op steeds alarmistischer toon gesproken over Europa dat achterblijft in de vaart der volkeren. Gezaghebbende rapporten van twee oud-premiers van Italië (Enrico Letta en Mario Draghi) over onder meer regeldruk en productiviteit zorgden in de voorbije jaren voor een opleving van het debat over de Europese economie.
Maar met de uitvoering van hun concrete aanbevelingen gaat het traag. En dat terwijl de productiviteitsgroei stagneert, en Europa de boot dreigt te missen als het gaat om innovatieve industrieën. Europese bedrijven hebben zich rijk gerekend op basis van het verleden en jarenlang hun winsten uitgekeerd aan hun aandeelhouders in plaats van ze in innovatie te steken.
Als er al sprake is van steun aan het bedrijfsleven, dan is die in de EU te veel gericht op oude industrieën en niet op tech en innovatie, zeggen economen en commentatoren. Columnist Gillian Tett schreef in de FT: „Wat EU-regeringen en andere landen dus moeten doen, is niet alleen nadenken over importheffingen, maar ook over de aard van hun industriebeleid. Het is bijvoorbeeld waanzinnig om boeren te steunen en tegelijkertijd te bezuinigen op wetenschappelijk onderzoek. Net zo onverstandig is het om niet te investeren in een geïntegreerd elektriciteitsnet of in de opleiding van werknemers.”
Toch is het niet alleen laksheid die Europa parten heeft gespeeld. Het is ook het heilige geloof van de Unie in de internationale rechtsorde. Als unie van 27 lidstaten is Europa gewend aan het onderling eindeloos onderhandelen en doormodderen om tot compromissen te komen waarbij iedereen met opgeheven hoofd naar huis kan.
De terugkeer van Trump in het Witte Huis heeft in die zin de hele wereld wakker geschud. De VS bleken niet meer bereid het spel dat wereldhandel heet te spelen op basis van de regels. Een willekeurig beleid van invoerheffingen viert hoogtij in Washington DC.
Harder dan ooit wreekt zich dat het Europa nog steeds aan een volwassen interne markt ontbreekt. Bovendien verzandt Europese industriepolitiek vaak in het wegstrepen van nationale belangen. Het geloof in een op regels gebaseerde wereldhandel is – achteraf – naïef gebleken, zo is nu steeds meer de stemming in Brussel en nationale regeringssteden.
In Brussel circuleren inmiddels voorstellen om de Europese industrie af te schermen met meer invoerheffingen of door quota die een limiet stellen aan wat uit China en andere landen geïmporteerd mag worden. Zoals voor staalimport al geldt. Ook een steviger Europees inkoopbeleid en strengere handhaving van veiligheids- en kwaliteitseisen aan Chinese machines en producten zou de Europese bedrijven moeten helpen.
Europa moet veel Chineser worden, is in feite nu de teneur onder veel politici en een deel van de economen. De roep om een actieve industriepolitiek neemt toe. Het taboe op staatssteun is verdwenen. Bescherming van de eigen industriële bedrijven is bespreekbaarder dan ooit. Europa beseft dat meer moet worden gedacht in termen van machtspolitiek dan in die van de vrije markt in een wereld van internationale samenwerking. Die wereld bestaat niet meer, nu de andere grote spelers het spel niet meer volgens de regels spelen. Dat is een hard gelag voor Europa. En nog heel erg wennen.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie