Kunstgeschiedenis Dat schilder Pyke Koch een fascist was, staat onomstotelijk vast. Is het desondanks toch mogelijk om zijn werk te waarderen? Liefst drie nieuwe studies laten dat oordeel wijselijk aan de lezer, want elke toeschouwer zal daar een eigen oordeel over moeten vellen.
Pyke Koch in zijn atelier circa 1955.
Is het nou wel of niet een fascistisch schilderij? In 1937 schilderde de toen al best succesvolle kunstenaar Pyke Koch (1901-1991) zijn Zelfportret met zwarte band. Een kil schilderij is het, dat vooral tijdens de bezetting enthousiast omarmd werd als nationaalsocialistische kunst – wat in Nederland maar weinig gemaakt werd. In 1960 wijdde het Centraal Museum in Utrecht zelfs een tentoonstelling helemaal aan dit schilderij en ja, fascistisch, was toen de conclusie.
Susana Puente: De God van Nederland. Leven en werken van Pyke Koch. Prometheus. € 37, 50
Mieke Rijnders: Pyke Koch. Waanders Uitgevers, 352 blz. €45,00
Charley Toorop en Pyke Koch: Alles of niets. Waanders Uitgevers, 176 blz. €34,95
Toch blijft het de vraag. Zelfs dit jaar, nu maar liefst drie kunsthistorische boeken over Koch verschijnen. Susana Puente schreef de biografie De God van Nederland – een galmend geëxalteerde titel die de man best goed past. Fascistisch, benoemt zij het portret. Maar deze maand verscheen ook een monografie, gewijd specifiek aan de kunst van Koch, door Mieke Rijnders. Zij ziet de hoofdband als een antiek atletenattribuut met compositorische functie, waarvan de fascistische link door anderen is gelegd. Als derde is er de catalogus over Koch en Charley Toorop, voor een duo-tentoonstelling in Museum More. De twee tijdgenoten waren zowel artistiek verwant als bevriend (en soms misschien iets meer dan dat). Die catalogus, met bijdragen van Rijnders en Carel Blotkamp, is niet eenduidig over het oordeel. Dus het mysterie blijft.
Maar, één vraag hoeft niet meer opgelost te worden, namelijk of Koch überhaupt fascist was. Want dat was hij. Zijn fascistische sympathieën begonnen in de jaren twintig. Hij studeerde rechten maar wilde misschien liever kunstenaar worden en vond inspiratie bij de heropleving van figuratieve schilderkunst en de deels linkse Neue Sachlichkeit, die de vervreemding van de moderne grootstedelijke tijd bekritiseerde. Dit sprak Koch aan en hij zag zichzelf wel als kunstenaar in een soort intellectuele elite passen waar ruimte was voor ideeën als van Gerard Bolland, van wie hij een lezing bijwoonde over de Nederlandse superioriteit in combinatie met antisemitisme. In 1923 stapte hij definitief over naar het kunstenaarschap, met succes.
In de kunstwereld en media viel hij op met zijn mysterieuze en ook wel cynische schilderijen van ontlede mannequins, prostituees – seks als transactie past in een antikapitalistische blik, onder invloed van het populaire Der Untergang des Abendlandes (1918/1922) van Spengler. Deze doeken ademen een melancholie en lusteloosheid die toen erg in de mode waren, maar die ook karaktertrekken kunnen zijn. Koch was een nerveuze figuur, tobbend met maagproblemen en een onregelmatige hartslag. Hij rookte en dronk, had morfine nodig om te slapen. Dat laatste vond zijn vader, arts, een slecht idee en ook had hij moeite met de jodenhaat van zijn zoon. Toch verdiepte Koch zich steeds meer in het fascisme en in de esthetische kant ervan. In zijn politieke ideeën werd hij gesteund door zijn vrouw Heddy de Geer, dochter van premier Dirk Jan de Geer, in een huwelijk waarin zij, tot de dood, op de laatste plaats zou komen. „Mijn bestaan is afgeschreven,” schreef zij hem in een van haar vele eenzame brieven die hij nauwelijks beantwoordde. Hij woonde meestal elders, druk met schilderen en met minnaars of minnaressen.
Meer aandacht had Koch voor kunst en politiek. Kort na zijn trouwen in 1934 werd hij actief in Verdinaso, een ultra-totalitaire en quasi-aristocratische randbeweging. In lijn daarmee voorzag Koch een autoritaire toekomst waar kunst er was voor een uitverkoren elite. In 1940-41 schilderde hij Marschgezang: een man die met een zwarte vlag zwaait tussen vlaggen met bezemtoppen, symbool van de fascistische beweging De Bezem. Een raar schilderij is het, krampachtig. Misschien is dat waarom hij het vernietigde, of omdat hij zag dat de politieke boodschap een probleem zou worden.
Want de bezetter werd verdreven en toen de ereraad na de oorlog belast was met de zuivering van de kunstwereld, stond Koch bovenaan hun lijstje. Daarmee begon het grote ontkennen. Nee hoor, hij was nooit lid van Verdinaso of de NSB geweest, loog hij, en kwam simpelweg niet opdagen als de ereraad hem opriep. Zijn vrouw en anderen werden wel ondervraagd maar de politieke artikelen die hij tijdens de oorlog schreef, werden niet meegewogen in het eindoordeel. Dat werd eind 1950 geveld: een expositieverbod van een jaar – een milde straf. Dat overkwam meer schilders, kunst werd beoordeeld op beeld en dat is altijd ambigu, schrijvers werden relatief strenger gestraft.
Pyke Koch, Zelfportret met zwarte band. Collectie Centraal Museum Utrecht
Interessant is de periode na de oorlog, want wat doet een kunstwereld met zo’n kunstenaar? Afvaardigen naar de Biënnale van Venetië in 1950, bleek het verbijsterende antwoord, want hij was nu eenmaal zeer talentvol en artistiek gewaardeerd. In de groepstentoonstelling die de officiële vertegenwoordiging van Nederland op het internationale toneel was, zat een fascist van wie het zuiveringsproces nog liep. Zo zie je dat het andere tijden waren dan de huidige cancelcultuur. Het siert de auteurs dat ze het aan de lezers laten om oordelen te vellen over of je nu Kochs werk nog kunt waarderen of niet – daar zal elke lezer anders over denken.
Wel heeft Puente’s boek andere storende elementen. Schilderijen krijgen vergezochte betekenissen toebedeeld zonder bewijs en in de inleiding reduceert ze de kunstgeschiedenis tot een strijd tussen Mondriaan namens de abstracten en Koch namens de figuratieven, een patriarchale versimpeling. De achterflap benoemt Koch als een kunstenaar ,,die ons juist nu, in een wereld waarin de vrijheid van het individu onder drukstaat, iets te zeggen heeft.” Maar ze beschrijft hem als een verstokte nationaalsocialist, die na de oorlog een steeds extremer antisemitische complotdenker werd die zich vastbeet in een verlangen naar het vernietigde Derde Rijk. Zo iemand, daar wil je geen enkele boodschap van aannemen.
Rijnders’ gedegen boek plaatst Kochs werk met goede analyses in zijn tijd. Het enige hiaat hier is dat het zijn naoorlogse politiek extremisme nauwelijks benoemt. Op zich is dat begrijpelijk: een monografie gaat over iemands kunst. Maar zelfs als zijn vaak onbegrijpelijk mysterieuze naoorlogse doeken geen fascistische esthetiek bevatten, had dat beter benoemd mogen worden.
Waar de boeken wel gelijk in opgaan, is hoe ze beschrijven dat Koch op de achtergrond raakte door de opleving van naoorlogse abstractere kunstmodes en hoe hij zo rond 1960 de artistieke fut verloor. Hij ging zich herhalen. Toen hij in 1991 overleed, had hij al jaren Alzheimer. In 1984 had hij nog een laatste schilderij weten te voltooien. Koorddanser III is een raadselachtig zelfportret. Het toont een aftastende figuur met het lichaam van zijn zoon Floris, balletdanser, en zijn eigen hoofd met een jute kap eroverheen. Gaat het erover dat het leven een balanceeract is? Of kunnen we hierin Puente volgen want dan komt het doek over als het attribuut van iemand die, stekeblind, een leven lang de weg kwijt is.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie