Michiel van Erp | regisseur Als regisseur Michiel van Erp een film wil maken over een homoseksueel onderwerp, moet hij dat altijd „verdedigen”, zegt hij. Zijn nieuwe film gaat over de aidscrisis. „Onze generatie heeft dit verhaal heel slecht doorverteld. Door schaamte, maar ook doordat we genegeerd werden.”
Regisseur Michiel van Erp (62) komt aanfietsen met een belegd broodje voor zichzelf en een plak cake voor de interviewer. Het is zaterdagmiddag, het enige moment waarop hij kon afspreken in een week waarin hij zijn moeder verloor, een vriendin begroef en de rest van de tijd een musical over de zanger Frans Halsema regisseert die volgende maand in première gaat.
„Weet je wie dat is?”, vraagt hij terwijl hij klungelt met een nieuwe waterkoker in het pand van zijn productiebedrijf De Familie, in Amsterdam. „Niemand lijkt hem nog te kennen. Hooguit dat ene beroemde liedje dat hij zong, Voor haar.”
Maar eerst is er de première van zijn nieuwe speelfilm Downtown, Van Erp is film- en toneelregisseur en documentairemaker, waarmee vrijdag 25 september het Nederlands Film Festival in Utrecht wordt geopend. De film gaat over de aidsepidemie: het bruisende Amsterdamse uitgaansleven van de drie vrienden Ronnie, Lennart en Bas verandert dramatisch als eind jaren tachtig het hiv-virus uitbreekt. Ruim dertig jaar later, als de wereld platligt vanwege dat andere virus, Covid-19, ontmoeten de vrienden elkaar weer. Hij vindt het heel spannend – dat zegt hij zeker vier keer gedurende het gesprek – hoe het publiek op zijn film zal reageren. „Want a: het is een homoseksueel onderwerp en b: je krijgt aids door seks, dus moet je die seks ook zien.”
„Ja, dat was heel doelbewust. Ik had geen zin om het te verhullen. Maar ik had er natuurlijk wel een hoop werk aan.”
„Om dat goed te filmen en ook om het voor elkaar te krijgen. Het is minutieus voorbereid, samen met een intimiteitscoördinator. Je moet voorkomen dat mensen tijdens de draaidagen voor verrassingen komen te staan, of het ineens niet aankunnen. Maar ik ben zelf de eerste die iets ingewikkeld vindt, of gênant.”
„Nee, want ik voelde me daardoor juist nog verantwoordelijker. Ik wilde de kracht en de geestdrift van seks tussen twee mannen voelbaar maken. Het mocht er niet raar of ongemakkelijk uitzien. De film is al in veel landen verkocht, en daar wordt zó kritisch gereageerd op de manier waarop de film gepromoot wordt. Maar ik ben juist trots op de naaktheid en de brutaliteit van de film. Waarom mag je dat in een heterofilm wel zien en in een homofilm niet? Als ik een film over een homoseksueel onderwerp wil maken, moet ik dat altijd uitleggen of verdedigen. Deze film gaat over veel meer dan die ziekte, het gaat over vriendschap en onmacht en over de pijn die je niet met elkaar kunt delen. Maar het Filmfonds zei aanvankelijk: een film over aids is een te klein onderwerp, te niche.” Hij zucht.
„Dat is héél kwetsend. Ik heb hierna nog een film met een homoseksueel thema gemaakt die volgend jaar uitkomt, Confettiregen, naar het boek van Splinter Chabot. Kreeg ik de vraag: waar gáát die film nou eigenlijk over? Hij heeft toch al gezegd dat-ie homo is? Terwijl het daar juist pas begint, dáár gaat die film over. En dan zeg ik: zie je, ik moet mezelf nu toch ook weer verdedigen?”
„…waarom die film gemaakt moet worden. Ik heb me er intussen wel een beetje bij neergelegd dat een film verkopen iets anders is dan een film maken. Maar ik vind het dus wel heel spannend hoe het valt, straks.”
„Omdat ik wil dat mensen zeggen: wauw, dat heb je goed gedaan. Kijk, homo’s van mijn leeftijd zullen heus wel naar deze film gaan, maar ik zou zo graag ook andere mensen bereiken. Onze generatie heeft dit verhaal heel slecht doorverteld. Door schaamte, maar ook doordat we genegeerd werden. Tijdens de coronajaren kwam dat allemaal weer boven. Ook dat was een virus, een wereldprobleem, waarvan onduidelijk was hoe het ontstaan was. Wij hadden dat allemaal al een keer meegemaakt, snap je? Zelf had ik tijdens die aidstijd al een relatie met dezelfde man met wie ik nog steeds ben, dus ik ben er ongeschonden uitgekomen. En ik ben ook niet heel veel mensen in mijn directe omgeving verloren. Maar er zijn echt veel mensen gestorven. Dat Bas in de film wegloopt”, Bas verlaat zijn vriend Lennart nadat hij ontdekt heeft dat hij hiv-besmet is en laat hem achter in onwetendheid, „dat heb ik ook meegemaakt met een vriend. Ik heb hem nooit meer teruggezien. En ik verbond dat aan schaamte.” Hij wijst naar de plak cake die hij had meegenomen. „Als je die niet wilt, is het ook goed, hè?”
„Ja, dat verhaal heb ik tijdens de research voor deze film héél vaak gehoord. In de beginjaren van aids zeiden artsen vaak: praat er met niemand over, want je wordt gestigmatiseerd en geïsoleerd. Maar daardoor raakten die mannen juist nog meer geïsoleerd. Stel je voor dat je zo’n trauma, zoveel angst, in stilte met je moet meedragen. Toen ik begon aan deze film, vertelden meerdere vrienden me voor het eerst dat zij ook hiv hebben.”
„Ik begrijp hun schaamte wel, maar ik zit zelf iets schaamtelozer in elkaar. Ik heb ook nooit een coming-out gehad. Ik heb altijd geweten dat ik homoseksueel ben en de mensen om mij heen wisten dat ook. Ik zag daar ook alleen maar voordelen van. Totdat aids kwam.”
„Ja, ik vond het enorm indrukwekkend toen hij dat deed, in een interview. Ik wilde voor de rollen van de drie oude vrienden per se acteurs die ervaringsdeskundig zijn, dus die homo zijn en ook die aidstijd hebben meegemaakt.”
Hij is, vertelt hij, opgevoed met het idee dat je trots moet zijn op wie je bent en dat je niet in de pas hoeft te lopen van de massa. Zijn moeder was begin twintig toen ze, ongehuwd, zwanger raakte van zijn vader, die muziekleraar was in het dorpje Acht, bij Eindhoven. „Dat was natuurlijk een grote schande, dus toen zijn mijn ouders naar Eindhoven verhuisd. Mijn moeder voelde zich een beetje weggestuurd en was vastbesloten om, vanuit een gevoel van ‘ik tegen de wereld’, alles uit het leven te halen. Dat is op mij overgesprongen.”
Hij was halverwege de twintig toen hij zijn schoonmoeder hoorde zeggen dat je, als homoseksueel, natuurlijk wel je toekomstplannen moet bijstellen. „Omdat je, bijvoorbeeld, in het bedrijfsleven minder snel voor een baan in aanmerking zou komen. Dat was voor mij een eyeopener: er bestaan dus mensen die dat denken, daar had ik mezelf echt nog nóóit mee beziggehouden. Al ben ik me er natuurlijk altijd van bewust geweest dat we in een heteronormatieve wereld leven. Ik ben wel degelijk die homo. Maar dat vind ik niet erg.”
„Dat zijn mijn eigen woorden, ja, ik schiet er nu weer van vol. Ik wil het inderdaad fier uitdragen, want er zijn al te veel bange homo’s.”
„Omdat ik het zo fijn vind dat je dit eruit gehaald hebt. Ik wist dat we deze zinnen niet heel nadrukkelijk en pamflettistisch moesten filmen, daarom zegt Ronnie het terwijl hij van alles staat te doen op een trapje. Hij zegt het uit irritatie, omdat hij vindt dat Bas nog zoveel moet leren over het homoseksuele leven. We hóéven ons niet aan te passen aan die heteronormatieve wereld. Niet een huis kopen en een hondje nemen en weet ik wat, omdat je je spiegelt aan de norm.”
„Joey, ja… Toen kregen we wel ineens een ander leven met allerlei verantwoordelijkheden. Maar hij is nooit bij ons gekomen vanuit een verlangen naar een kind, wij hebben gewoon hulp geboden. Zijn moeder, een vriendin uit onze studietijd, leefde met, hoe moet ik dat aardig zeggen, een soort borderline-achtige situatie. Al voordat Joey geboren was, boden Paul [Stork, zijn man] en ik aan om voogd te worden, mocht er met haar iets gebeuren. De vader is nooit in beeld geweest. Paul bedacht om Joey elke keer mee te nemen als wij een familiefeest hadden, of als we op vakantie gingen, zodat hij met ons zou opgroeien. En toen hij veertien was, stierf zijn moeder.”
„Nee. Ik heb wel tegen Paul gezegd, toen ze ziek werd en Joey bij ons in huis kwam, dat we erover moesten nadenken of we dit wel echt wilden, of konden. Maar Paul zei toen dat we het beter konden zien als een feit. En zo werd het ook een feit en besloot ik daarnaar te gaan handelen. Natuurlijk trad ik soms buiten mezelf en dacht ik: wat ben ik nú weer aan het doen? En ik geloof dat Paul twee keer met Joeys voetbalteam naar een uitwedstrijd is gereden en daarna dacht: nou nee, ik hoef niet een perfecte vader te zijn. Ik herinner me hoe mal het voelde toen Joey ging studeren en op kamers ging. In één keer schoot ik terug naar een gevoel dat ik vergeten was.”
„Zorgeloosheid.”
„Mag.”
„Negentig. Na de dood van mijn vader is ze altijd zelfstandig blijven wonen. De laatste jaren heb ik samen met mijn broers, neefjes en nichtjes voor haar gezorgd. Iedere dag kwam er iemand langs om eten te brengen, te kijken of alles nog goed ging en om de tv op de goede zender te zetten. Tot een nichtje haar vorige week aantrof met een delier. Ze is in het ziekenhuis opgenomen en na een paar dagen doodgegaan.”
„Mijn broers in Brabant deden het meeste, maar ik ging ongeveer drie keer per maand naar haar toe. En ze woonde in Nuenen, hè. En dan heb ik ook nog rijangst. Dus ik ging elke keer vanuit Amsterdam met de trein en de bus. Ik was de hele dag kwijt om anderhalf uur bij mijn moeder te zijn. Maar ik heb het met veel plezier gedaan.”
„Ik heb ooit een documentaire gemaakt over mensen met een angststoornis [Angst, 2009]. En omdat ik zoveel met die mensen sprak, is dat een beetje op mij overgeslagen.” Hij lacht ongemakkelijk. „Ik heb dit nog nooit eerder verteld.”
„Ik werd bang om in slaap te vallen als ik in mijn eentje in de auto zat, en doordat ik er bang voor was, gebeurde dat ook. Het is me een paar keer overkomen dat ik dacht”, hij maakt een knikkebollende beweging met zijn hoofd, „je moet nú naar de kant van de weg. Ik wapende me ertegen door elk kwartier, bij elke pomp, even te stoppen en een sigaret te roken. Maar als ik op maandag met de auto ergens naartoe moest, begon ik me daar op vrijdag al zorgen over te maken. Inmiddels durf ik wel weer naar de musicalrepetities in Weesp te rijden.”
„Als documentairemaker probeer je in iemands brein te kruipen. Eén van die mensen vertelde me heel intensief over zijn schrikbeelden als hij in de auto zat: als ik nu dít doe, rijd ik die persoon daar dood. En toen ik daarna zelf in de auto zat, vroeg ik me af: waarom dénkt die man dat eigenlijk? Zo dwarrelde de angst mijn hoofd binnen. Raar, hè? Afgelopen maandag, toen mijn moeder ’s ochtends nog leefde, heb ik de hele dag gedacht: als er nu iets met haar gebeurt, moet ik meteen naar het ziekenhuis in Eindhoven rijden. Het zou de eerste keer zijn dat ik weer zo ver zou rijden.”
„Ja. Maar ik heb wel de hele dag gedacht dat ik het liever niet wilde doen. En uiteindelijk overleed ze opeens en ben ik niet meer naar Eindhoven gegaan. Want ik wilde mijn moeder niet dood zien.”
„Nee. Ik heb er geen behoefte aan om naar haar huis te gaan. Is dat gek?”
„Nou, goed.” Hij lacht.
„Ik kan heel nuchter zijn. Ook om mezelf te beschermen. Vorige week is ook een goede vriendin gestorven. Veel mensen willen me troosten, vanmorgen kreeg ik weer een bos bloemen, mijn huis lijkt wel een bloemenwinkel. Maar ik zit daar niet echt op te wachten. Ik hoef niet zo’n intense reactie als ik vertel dat m’n moeder dood is.” Hij lacht. „Al is enig gevoel voor drama mij natuurlijk niet vreemd. Afgelopen woensdag, bij de uitvaart van Hansje, begon het kéíhard te regenen terwijl wij, haar vrienden, haar kist droegen. Ik kan heerlijk zwelgen in die dramatiek. Het was net een filmscène.”
„Zéker.”
„Daar moet ik even over nadenken.” Na een korte stilte: „Ja, ik creëer wel afstand. Ik weet natuurlijk nog niet hoe het maandag zal gaan, maar ik raak niet overmand door emoties, dat zit gewoon niet in mij. In films nemen mensen voorafgaand aan een emotionele speech vaak eindeloos lang slokjes water, nou, dat wil ik niet.”
Hij doet alsof hij een filmscript voorleest: „Loopt parmantig naar voren, staat sierlijk achter katheder, leest verhaal mooi en rustig voor. Geen traan, geen slokjes water.” Dan, opgewekt: „Ik bel je om te vertellen of het gelukt is!”
„Oh, met werk! Altijd met werk!”
„Zéí ze dat?” Hij valt even stil. „Het klopt wel, denk ik. Dat interview blijft voor mij altijd verbonden aan een ingewikkelde situatie. Het werd gepubliceerd op de dag dat Paul en ik gingen trouwen. Maar de dag voor het huwelijk, tijdens een diner bij ons thuis met de familie en de getuigen, is mijn schoonvader gestikt in zijn eten. Hij kon een stuk vlees niet doorslikken, waarschijnlijk doordat hij een tia heeft gehad”, een tijdelijke afsluiting van een hersenvat. „Ik vond het zo erg voor Joey. Toen hij net bij ons woonde, zijn we naar een jeugdpsycholoog gegaan omdat we ons afvroegen of we het wel goed deden met hem. Of de ruzies die we hadden aan tafel wel normaal waren. Die psycholoog zei: Joey rammelt aan jullie stam om te zien of er nog iemand dood uitvalt, want kinderen willen altijd overleven. Vanuit die gedachte besloten we om te trouwen. We wilden hem laten zien dat je het leven moet vieren en dat niet iedereen dood gaat.”
„Jaaa, maar daar zat wel een jaar tussen, hoor.”
„Ja, maar ik klapte ook dicht omdat niemand er met mij over wilde praten. Ik zat op een katholieke school, af en toe liep er een priester in de gang die dan eventjes mijn schouder pakte, ‘gaat ’t?’ vroeg en weer doorliep. De maand ervoor was er een klasgenoot onder een vrachtwagen gekomen, en dat meisje werd op school groots herdacht. Maar toen Jan doodging, stond dat als een mededeling op een klein briefje op het schoolbord in de hal. Geen herdenkingsbijeenkomst, niets. En niemand durfde het aan, ook mijn ouders niet, om een normaal gesprek met mij te voeren over wat er nou gebeurd was.”
„Ja. En nu, op mijn oude dag, zie ik natuurlijk wel dat het hun onmacht was. Maar het feit dat ze me alleen naar zijn ouders lieten gaan, de maandag nadat het gebeurd was, en alleen naar de uitvaart… Oooooh, het is allemaal drama, drama, drama in mijn leven. Ik heb me daarna voorgenomen dat ik zo snel mogelijk weg moest. Niet omdat ik niet van mijn ouders hield, maar omdat ik zelfstandig wilde zijn, en verantwoordelijk voor mijn eigen leven en geluk. Ik zag in één keer hun falen, terwijl ik daarvoor dacht dat mijn ouders alles voor mij konden oplossen.”
„Ja, dat is eigenlijk wel zo. Wat ik je vertelde over die omhelzingen en bloemen, dat is hartstikke lief, maar daar ben ik niet naar op zoek.” Lachend: „Maar ik stop die emoties wel in mijn films.”
Michiel van Erp (Eindhoven, 1963) deed de opleiding industrieel ontwerpen aan de TU Delft. Na afstuderen werkte hij een paar jaar als toneelacteur, tot hij vanaf 1992 begon met het maken van documentaires voor de publieke omroep. Hij maakte ondermeer Vergeet mij niet (2002), over de Zangeres Zonder Naam, Pretpark Nederland (2006), I am a woman now (2011), Hollands Welvaren (2013) en MH17: Het verdriet van Nederland (2015).
Zijn eerste dramaserie Ramses (2014), over het leven van Ramses Shaffy, werd veelvuldig bekroond. Vier jaar later verscheen zijn eerste speelfilm, Niemand in de stad, naar het boek van Philip Huff. Daarna volgden dramaseries I.M. (2020), gebaseerd op het boek van Connie Palmen, en Een van ons (2024).
Zijn nieuwste film Downtown is vanaf oktober te zien in de bioscoop. In het theater speelt vanaf 11 oktober de musical Voor haar, over Frans Halsema, onder Van Erps regie.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie