Zweden een sociaaldemocratische heilstaat? In werkelijkheid is het een van de meest liberaal-kapitalistische landen van Europa. Dat concludeert vertrekkend Scandinavië-correspondent Jeroen Visser na een bezoek aan een Kunskapsskolan. Is het beeld van het Scandinavische land aan een correctie toe?
neemt met dit artikel afscheid als correspondent Scandinavië van de Volkskrant.
De school zonder schoolplein, zo noemden we het gele bakstenen gebouw dat ingeklemd zat tussen de velden van de lokale voetbalclub en onze Zweedse buurtsuper. De leerlingen kwam ik overdag vaak tegen bij de kassa, met kauwgom of chocola in hun handen. Bij gebrek aan een schoolplein hingen de pubers soms tussen de fietsenrekken voor de winkel, samen met de bedelende vrouw die elke dag naast de ingang zat. Op de gevel van de school stond met grote letters Kunskapsskolan, oftewel ‘Kennisschool’, en ik vroeg me lang af wat voor school dit was en wat voor kennis hier werd doorgegeven.
Dit jaar zag ik de school ineens terug in de Zweedse media. De Kennisschool bleek deel te zijn van een scholenketen die in private handen was en jaarlijks miljoenen euro’s winst maakte. De kranten schreven erover omdat het debat over winst in het Zweedse onderwijs was opgelaaid in aanloop naar de verkiezingen. Die vonden deze maand plaats en werden nipt gewonnen door de centrumlinkse oppositie.
In Zweden mogen bedrijven basis- en middelbare scholen oprichten en hiermee onbegrensd winst maken. De scholen vallen binnen het reguliere onderwijssysteem en moeten aan dezelfde regels voldoen als scholen die door de gemeente zijn gesticht. Ze mogen geen schoolgeld vragen, maar krijgen van de overheid een vast bedrag per leerling, net als gemeentescholen. Als ze na aftrek van alle kosten geld overhouden, mogen ze dat vrij besteden.
Dat is anders dan in Nederland, waar onderwijsinstellingen die publiek geld krijgen geen winst mogen maken. Private scholen bestaan wel, maar die moeten zelf voor inkomsten zorgen, bijvoorbeeld door veel schoolgeld te vragen. Hierdoor zijn er relatief weinig private scholen.
In Zweden bloeit de sector: een derde van de Zweedse middelbare scholen (voor bovenbouwleerlingen van 16-19 jaar) wordt gerund door een bedrijf. Bij de basisscholen en de onderbouw van het voortgezet onderwijs is dat een op de tien. De markt wordt gedomineerd door vijf spelers. Op één staat Academedia, een beursgenoteerd bedrijf dat actief is in meerdere landen en vorig jaar in totaal 172 miljoen euro winst noteerde en ruimhartig dividend uitkeerde. Op vijf staat Kunskapsskolan i Sverige, het bedrijf achter de Kennisschool in mijn buurt. Het boekte vorig jaar 6,7 miljoen euro winst.
Ik was een beetje geschokt toen ik voor het eerst hoorde over dit model. We hadden het hier toch over Zweden, de half-socialistische heilstaat? Het land van gratis kinderopvang, eindeloos ouderschapsverlof en warme schoollunches? Het bastion van de sociaaldemocratie, waar Amerikaanse Republikeinen een rode waas voor hun ogen van krijgen?
Met het einde van mijn correspondentschap in zicht besloot ik op zoek te gaan naar een antwoord op de vraag waarom uitgerekend Zweden het winstgedreven onderwijs omarmde. Is ons beeld van het Scandinavische land aan een correctie toe?
Eerst even terug naar 2021, toen mijn gezin en ik na een vijfjarig verblijf in Azië naar Zweden verhuisden. We vonden een huurhuis in Enskede (spreek uit: én-gue-de), een groene wijk met houten huizen in het zuiden van Stockholm. Onze oudste van 6 begon in het eerste jaar van de basisschool, de jongste van 3 ging naar de förskola, een kinderdagverblijf en kleuterschool ineen. Kinderen beginnen daar meestal als ze 1 tot 1,5 jaar oud zijn. (De Nederlandse praktijk om kinderen met drie maanden bij de crèche af te leveren, leidt in Zweden tot nogal wat gefronste wenkbrauwen.)
Onze school heette De Linde en lag op de begane grond van een klein wooncomplex. Het was een zogeheten ouder-coöperatief, waar ouders meehelpen in alle niet-onderwijstaken, zoals het bestuur, het beheer van de website en het verrichten van kleine reparaties.
Het voordeel hiervan was dat we snel andere ouders leerden kennen. Ook kregen we een stoomcursus Zweedse cultuur, zoals de neiging om in vergaderingen geen knopen door te hakken, maar beslissingen via een mystiek consensusmodel erdoor te loodsen. Of de ongeschreven regel dat je bij het jaarlijkse uitje iets meeneemt wat je zelf hebt gebakken.
Een ander voordeel van de ouderparticipatie was dat het de kosten laag hield en er zo veel mogelijk geld naar het onderwijs ging. De Linde had op twintig kinderen zes stafleden, inclusief kokkin Boel die elke dag voor de warme lunch zorgde en aan het einde van het schooljaar in juni ‘de langste taart ter wereld’ bakte. De opvang was nagenoeg gratis en gold voor vijf dagen per week, waardoor de meeste ouders fulltime werkten.
Voor ons stond De Linde model voor het bejubelde Zweedse schoolsysteem: toegankelijk, ruimhartig en warm. Toen onze zoon vorig jaar van school af ging, namen we met tranen afscheid. Hij kreeg een ‘herinneringszakje’ mee met daarin onder meer een gum, ‘want iedereen maakt fouten, maar die kun je vaak ook weer corrigeren’, en een steen, ‘want als het even tegenzit kun je die vastpakken en dan weet je dat we er altijd voor je zijn’.
Maar waar deze school met zijn we-doen-het-samen-spirit en overbezetting van leerkrachten het dichtst komt bij het aloude beeld van Zweden als sociaaldemocratisch paradijs, heeft het Zweedse schoolsysteem dus ook een andere kant, waar keihard winst wordt gemaakt.
Opmerkelijk genoeg werd de ruimte voor beide varianten met dezelfde wet geschapen. In 1992 werd een grote hervorming doorgevoerd met als doel de keuzevrijheid voor ouders en kinderen te vergroten. Vanaf dat moment stond het Zweden vrij om scholen met een andere onderwijsfilosofie op te richten. Als ze aan alle basiscriteria voldeden, kregen ze financiering. Zo werden Montessorischolen, Waldorfscholen en de oudercoöperaties deel van het systeem. Zweden was daar relatief laat mee; in Nederland wordt alternatief onderwijs al sinds 1917 door de staat bekostigd.
Wat de hervorming bijzonder maakte, is dat bedrijven dus ook scholen mochten gaan runnen. Vooral rond de eeuwwisseling begon het aantal commerciële spelers snel toe te nemen. Onder die partijen is ook het familiebedrijf dat de Kennisschool in mijn buurt en nog 34 andere vestigingen bestiert.
Het is begin juni als ik het gebouw binnenloop, een middenschool voor 12- tot 15-jarigen, vergelijkbaar met de onderbouw in het voortgezet onderwijs in Nederland. Het begin van de tien (!) weken durende zomervakantie hangt in de lucht. Bij de receptie delen medewerkers lunchpakketten uit aan leerlingen die op eindejaarsexcursie gaan. In de kantine overleggen tieners over de voorbereidingen voor het schoolfeest later die dag.
De school zonder schoolplein blijkt vanbinnen leuker dan vanbuiten. Vanuit de kantine kijk je via grote ramen zo de kamer van de directeur in, die over een scherm gebogen zit. Boven zijn er ruim ingerichte zelf- en samenwerkplekken waar de tafels en stoelen net wat schever staan dan in de lokalen. Aan de muur schilderijen van grote schrijvers als Selma Lagerlöf en August Strindberg.
De Kennisschool werd in 1999 opgericht door Peje Emilsson, een ondernemer die het onderwijs instapte vanwege zijn eigen negatieve ervaringen als scholier, vertelt zijn dochter en de huidige directeur Cecilia Carnefeldt. ‘Mijn vader was een getalenteerde leerling, maar de school was zo ingericht dat iedereen hetzelfde moest leren, in hetzelfde tempo. Er was totaal geen flexibiliteit.’
Haar vader ontwikkelde eind jaren negentig met twee pedagogen een alternatieve schoolmethode die draait om individuele ontplooiing. Leerlingen maken hun eigen leerplan en hebben wekelijks een een-op-eensessie met hun leraar, waarbij ze hun voortgang bespreken. Zo hoeven leraren niet meer louter les te geven gericht op de middelmaat, zoals op overheidsscholen vaak het geval is, zegt Carnefeldt. Dat is beter voor alle leerlingen, zowel voor hen die wat meer moeite hebben met de stof als voor de koplopers.
Al die sessies kosten natuurlijk veel tijd. Volgens Carnefeldt wordt die vrijgemaakt door theorielessen aan grote groepen te geven, zoals het hele eerste jaar. Een soort college dus. ‘Daardoor kunnen we voor andere activiteiten met kleinere groepen werken.’
Haar kritiek op overheidsscholen herken ik wel van de school van onze oudste zoon, een gemeentelijke basisschool op een steenworp afstand hiervandaan. Die is geweldig in vele opzichten: hij heeft een enorm schoolplein, een voetbalveld met kunstgras en ligt naast een heuvelachtig bos waar leerlingen in de winter sleeën. De schoolkeuken verzorgt warme lunches en elke klas heeft twee docenten. De gratis bso is in de school geïntegreerd. Voor kinderen met een rugzakje is er een aparte klas.
Maar het onderwijs is inderdaad een behoorlijke eenheidsworst. Voor de iets slimmere kinderen die extra uitdaging willen is weinig aandacht. Plusklasjes zoals we die in Nederland kennen ontbreken. Daar komt bij dat Zweedse scholieren pas na de middenschool, dus vanaf 16 jaar, worden gescheiden op niveau. In Nederland doen we dat na de basisschool. (Als ik dat vertel aan Zweedse ouders, word ik altijd met open mond aangestaard.)
Ik snapte dus wel dat er in Zweden ruimte kwam voor scholen met een alternatieve aanpak, zoals de Kennisscholen. Maar waarom kwamen er bedrijven aan te pas? Kon dit niet worden geregeld met stichtingen zonder winstoogmerk?
Carnefeldt stelt dat een bv handiger is, zeker voor bedrijven die meerdere scholen runnen. ‘Aanvankelijk hadden we meerdere geldschieters nodig. Daarnaast hebben we zelf veel geld in het bedrijf gestopt. Dat gaat niet met een stichting’, aldus de directeur.
Het bedrijf verkoopt het onderwijsmodel ook aan scholen in het buitenland, waaronder Nederland. De meeste inkomsten genereert het in Zweden. Volgens Carnefeldt is de winstmarge gemiddeld 4 procent. In het schooljaar 2024-2025 was dat dus 7,6 miljoen euro.
Dat geld wordt tot dusver altijd weer geïnvesteerd in het bedrijf, zegt Carnefeldt. ‘Ik sluit niet uit dat we onszelf ooit iets uitkeren, maar tot nu hebben we het nooit gedaan. We zitten erin voor de lange termijn.’ Haar salaris – in Zweden makkelijk op te zoeken in openbare databanken – ligt niet exorbitant hoog voor een bestuurder van een scholenkoepel: 10 duizend euro bruto per maand.
Op de groei van private spelers als Kunskapsskolan is nogal wat kritiek, alleen gaat die vooral over de vraag of scholen in private handen voldoende kwaliteit leveren. Zo concludeerden onderzoekers van de Stockholm School of Economics dat leerlingen van private middelbare scholen later gemiddeld minder verdienen dan leeftijdsgenoten die naar een gemeenteschool zijn gegaan. Ook bleek uit onderzoeken dat winstgedreven scholen geld besparen met minder gekwalificeerde docenten, lagere salarissen en kleinere schoolpleinen. De resultaten werden betwist door de onderwijsbedrijven, die aanvoerden dat de data gedateerd of niet-representatief zouden zijn.
Ook Carnefeldt stelt dat haar school qua salarissen, geschoold personeel en kwaliteit van onderwijs niet onderdoet voor gemeentelijke scholen. Dat de Kennisschool waar ik op bezoek ben geen schoolplein heeft, is een uitzondering. ‘De meeste van onze scholen hebben een goede buitenspeelplaats, vooral de basisscholen. We hadden ook naar een andere school kunnen gaan en dan zou je hebben gezien dat het er heel anders uitziet.’
Los van de discussie over kwaliteitsverlies, vind ik het vooral opvallend dat het principe van winst maken met onderwijsgeld in Zweden veel minder ter discussie staat. Zo voerden de sociaaldemocraten deze zomer campagne voor hogere kwaliteitseisen en het terugdringen van conglomeraties in het onderwijs, maar niet voor een winstverbod.
Het illustreert dat het winst maken in het onderwijs breed geaccepteerd is. ‘Zweden is in dit opzicht het radicaalste land ter wereld’, zegt de Zweedse historicus Lars Trägårdh in de tuin van een 18de-eeuws pand in de wijk Södermalm in Stockholm, waar hij een kantoor huurt.
Trägårdh is een Zweedse intellectueel die ik eerder interviewde over de deels van Nederland afgekeken culturele en historische canon, waarover hij de leiding had.
Volgens de historicus zijn de Zweden verzot op gelijkheid, maar dan wel gelijkheid van mogelijkheden, niet van uitkomst. Zweden is geen welvaartsstaat, maar een sociale investeerdersstaat, meent Trägårdh. ‘Het draait om investeren in jongeren, zodat ze later een productieve rol kunnen spelen in het bedrijfsleven, waar de welvaart wordt gecreëerd. Gratis onderwijs is daarom geen kostenpost, maar een investering.’
Investeren, productiviteit, welvaart creëren: het is de taal die ik in de afgelopen vijf jaar zo vaak in Zweden heb gehoord. Veel meer dan termen als verzorgingsstaat, eerlijk delen of een grote rol voor Vadertje Staat. Zweden is, zo zag ik, veel liberaler en kapitalistischer dan andere Europese landen.
Die indruk kreeg ik al in mijn eerste maand als correspondent, toen ik popster Björn Ulvaeus mocht interviewen in zijn huis op een eilandje in de archipel nabij Stockholm. Het interview was naar aanleiding van het nieuwe Abba-album, maar ik merkte al snel dat de Zweed in zijn eigen land ook bekendstaat als een heuse vastgoedkoning, die hotels, Romeinse badhuizen en appartementen bouwde. Daar was wel kritiek op – die Ulvaeus zelf afdeed als gezeur van ‘zure, oude mannen’ – maar die was marginaal. Het culturele icoon was net zo’n pandjesbaas als prins Bernhard jr., maar in Zweden was dat kennelijk (wel) helemaal prima.
En kijk eens naar de belastingen. De inkomstenbelasting is nog altijd relatief hoog (het toptarief ligt op 52 procent, in Nederland 49,5), maar alle belastingen op vermogen werden in deze eeuw geschrapt of afgeschaald. Zweden kent sinds 2005 geen schenk- of erfbelasting meer en twee jaar later werd ook een generieke vermogensbelasting geschrapt. De Zweden kennen een heffing op vermogensaanwas, maar met veel uitzonderingen en uitstelmogelijkheden. Ondernemers profiteren van een van de laagste vennootschapsbelastingtarieven in de EU.
Wat me ook al snel opviel was dat bij snelle koersdalingen op de beurs veel media in rep en roer raakten en experts voorschotelden. Later leerde ik dat Zweden Europees kampioen beleggen is. Volgens de Zweedse Beleggersvereniging stoppen zeven op de tien Zweden geld in een of meerdere beleggingsfondsen, de pensioenpotten niet meegerekend. In 2012 introduceerde de regering de ISK, een fiscaal zeer gunstige beleggingsrekening met een vaste lage belastingheffing. 4,2 miljoen mensen – de helft van alle volwassen Zweden – schreven zich in.
Trägårdh en anderen wijzen naar de jaren negentig van de vorige eeuw als moment dat het land veranderde. De sociaaldemocraten hadden in de decennia daarvoor met dank aan een spectaculaire economische groei van Zweden een toonbeeld van gelijkheid en emancipatie gemaakt. Maar toen ze in 1968 maar liefst 50,1 procent van de stemmen behaalden, werden ze volgens Trägårdh ‘megalomaan’. Bedrijven werden verplicht jaarlijks geld in een vakbondsfonds te storten waarmee werknemers op termijn een meerderheidsaandeel konden verwerven – de ultieme socialistische droom.
De ‘sociaaldemocratische overmoed’ leidde tot een clash met het bedrijfsleven en de rechtse partijen. Bekende Zweden kwamen in opstand tegen de hoge belastingen. Ikea-oprichter Ingvar Kamprad nam de benen naar Zwitserland en schrijver Astrid Lindgren beroerde veel Zweden toen ze liet zien hoe ze over een deel van haar inkomen 102 procent belasting moest betalen.
Toen het land in 1991 in een zware economische crisis belandde, gooide de regering het roer radicaal om. Staatsmonopolies in telecom, post, luchtvaart en energie gingen eraan. De inkomstenbelasting werd verlaagd. Private spelers kregen toegang tot de kinderopvang, de zorg en het onderwijs. Die privatiseringsbeweging zag je wel in meer Europese landen, ook in Nederland, maar in Zweden ging dat een versnelling hoger. Zo kregen bedrijven toegang tot het onderwijs.
‘We dereguleerden de economie, zeiden dag tegen quasi-socialistische ideeën en hervormden de pensioenen en belastingen. En dat had een geweldig positief effect op de economie, al zijn we op punten te ver gegaan, zoals met het onderwijs’, zegt Trägårdh.
Achteraf gezien is de Zweedse omwenteling inderdaad een economisch succesverhaal. De Zweedse industrie bloeit en de techsector is met bedrijven als Klarna en Spotify een voorbeeld voor Europa. Zweden bracht 48 unicorns (techbedrijven met een waarde van meer dan 1 miljard dollar) voort, waarmee het mondiaal de vierde plek inneemt naar hoofd van de bevolking. De Zweden zijn gek op ondernemen, nieuwe dingen uitproberen: nergens in Europa gaat zoveel geld naar onderzoek en innovatie.
De omarming van het ongeremde kapitalisme heeft ook een schaduwkant. Zweden staat met afstand op de eerste plek van Oeso-landen waar de inkomensongelijkheid de afgelopen decennia het hardst groeide. Waren er midden jaren negentig een handvol kronenmiljardairs, nu zijn het er meer dan vijfhonderd (1 miljard Zweedse kronen is ongeveer 90 miljoen euro). Je ziet het aan de vele villa’s, zoals op het eiland Lidingö in Stockholm, de dure jachten in de archipel en de explosie aan sterrenrestaurants in de hoofdstad. Tegelijk is de segregatie flink toegenomen en worstelen jongeren in met name migrantenwijken om uit de criminaliteit en het bendegeweld te blijven.
Critici als Andreas Cervenka, auteur van het boek Gierig Zweden – Hoe het socialistische Zweden een paradijs werd voor de superrijken, spreken van een mentaliteitsverandering. Maar ook dáár is opvallend genoeg weinig discussie over in Zweden. Ook bij de sociaaldemocraten, die vooral inzetten op behoud van sociale voorzieningen en verbetering van de zorg, hoef je niet aan te komen met Piketty, de beroemde Franse econoom die pleit voor meer vermogensbelasting. Je wordt weggelachen. Ook Trägårdh zegt: ‘Het belasten van de superrijken? Dat is nou typisch die oude socialistische mentaliteit, gebaseerd op afgunst en een slecht begrip van hoe welvaart wordt gecreëerd.’
De leerlingen op de Kennisschool, die voor de buurtsuper op de excursie wachten, zullen wel goed terechtkomen. Ik zie Zweden nog altijd als een van de beste landen om in op te groeien. Geen sociaaldemocratische heilstaat misschien, die impressie is wel vervangen door een realistischer beeld, maar nog altijd een geweldig land.
Andere verhalen uit Scandinavië van afzwaaiend correspondent Jeroen Visser:
• In 2024 trad Zweden na eeuwen van militaire ongebondenheid toe tot de Navo. Daarmee kreeg het westerse militaire bondgenootschap een strategische parel in handen: het Zweedse eiland Gotland in de Oostzee.
• Windmolenparken in Noorwegen verstoren de jaarlijkse migratie van de sami en hun rendieren. De laatste nomaden van Europa voelen zich bedreigd in hun voortbestaan en eeuwenoude tradities.
• In twintig jaar tijd is het aantal Denen dat op de fiets vrijwillig een helm opzet verdubbeld. Aan die verandering ging een uitgekiende reclamecampagne vooraf, met een glansrol voor Vikingen en irritante ouders. Zelfspot bleek de sleutel voor succes.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant