Home

Ons schoonheidsideaal is destructief. Maar helpt het om daar zo de aandacht op te vestigen?

Socioloog Giselinde Kuipers gaat de strijd aan met de verstikkende schoonheidsnormen, waarnaar vooral jonge, witte, rijke mensen zich massaal en gewillig voegen. Maakt ze het probleem met haar manifest niet groter dan het is?

is schrijver en redacteur van katern Zondag

Ze zitten op een bankje, een man, een vrouw, beiden hoogstens 30, in matchende zwarte sportkleren. Aan alle vier hun slanke, egaal bruine benen hagelwitte sneakers. Ze hebben gefitnesst, getennist, wie zal het zeggen, en eten nu zonder zichtbaar genoegen een identieke salade van Albert Heijn met mango, zo uit de plastic verpakking.

Hun gezichten staan in dezelfde verbeten stand, kauwend, starend, terwijl ze de weekplanning doorspreken. Het is voor de beschouwer bij nader inzien opmerkelijk moeilijk om te bepalen of ze een stel zijn, of broer en zus. Beide opties roepen vragen op.

Een saladetweeling, zo betitelt mijn vindingrijke gezelschap het tafereel.

Of ze hun genen nu delen of niet, het lijken goede genen. Het sporten, het plannen, de salades hebben bovendien vruchten afgeworpen: de saladetweeling is naar alle objectieve maatstaven blakend, knap, in topvorm. Filmsterwaardig, zou je zeggen, ware het niet dat op de andere straathoek een bijna identieke saladetweeling zit, al even egaal bruin en gestroomlijnd, met nét wat wittere sneakers.

Om maar te zwijgen van het terras verderop, waar de mooie mensen zodanig in de meerderheid zijn dat je je begint af te vragen of de gemeente Amsterdam een of ander geheim eugenetisch programma heeft uitgerold.

De saladetweeling, alle moeite ten spijt, is in deze habitat hoogstens hogere middelmaat. En dan hebben we hun ongetwijfeld perfecte gebitten nog niet eens in overweging genomen, want er kan geen lachje af.

Het achtste vinkje

Over wat hier speelt hebben sociologen inmiddels theorieën. Toen Joris Luyendijk met zijn De zeven vinkjes (2022) bestaande academische kennis over kansenongelijkheid en privilege populariseerde in Nederland, vergat hij één vinkje: noem het pretty privilege, het voorrecht van schoonheid.

Onder de genieters van dit voorrecht is doorgedrongen dat je van privilege nooit genoeg kunt hebben. De economische logica dicteert dat ook schoonheid een ratrace wordt, waarin veelal veelvinkers al sportend, shoppend en botoxend de lat met z’n allen zo hoog leggen, dat je tegenwoordig het soort fysieke perfectie kunt naderen dat ooit alleen voor vorsten was weggelegd, zonder de beige middelmaat te ontstijgen.

Want dat is de definitie van een ratrace: een steeds hardere collectieve inspanning, met een desondanks gelijkblijvende beloning. Weinig winnaars, veel verliezers.

Ziedaar het tragische lot van de saladetweeling. En natuurlijk van iedere andere onfortuinlijke ziel die wel te dealen heeft met een scheve tand of twee, een buikje, een kale plek. Laten we gewoon maar zeggen: praktisch iedereen.

Deze moderne conditie is het onderwerp van Lelijke mooie wereld van Giselinde Kuipers, hoogleraar sociologie aan de KU Leuven, die al jaren onderzoek doet naar esthetische oordelen en de relatie tussen schoonheid en ongelijkheid.

‘We worden steeds mooier, maar voelen ons lelijker.’ Zo vat Kuipers de kern van het probleem samen. In een compleet, consciëntieus en genuanceerd betoog zet ze uiteen hoe dit de schuld is van wat ze het ‘schoonheidsregime’ noemt. Een systeem van sociale controle zonder fysieke dwang, waarin mensen zich gewillig voegen. Zoals het medische regime dat Foucault beschreef mensen disciplineert met zowel de sociale plicht als de innerlijke wens om gezond te blijven, zo houdt het schoonheidsregime ons in toom doordat we niet alleen mooi moeten zijn, maar dat ook wíllen.

Kuipers heeft weinig ruimte nodig om haar lezer ervan te overtuigen dat dit een ding is. Ze laat met cijfers zien dat we collectief veel meer tijd aan ons uiterlijk zijn gaan besteden, en uit allerlei onderzoeken blijkt dat mooi zijn aanzienlijke maatschappelijke voordelen oplevert. Dat de beeldcultuur ondertussen steeds dwingender wordt, behoeft ook geen uitvoerig betoog.

De meeste retorische energie gaat naar het pleidooi dat dit ook anders kan en moet: ‘Het schoonheidsregime is destructief. Hoewel schoonheid ook plezier en vervulling kan brengen, leidt het huidige regime tot een permanent gevoel van tekortschieten, een onbarmhartige blik op anderen, en vervreemding van het eigen uiterlijk, zelfs bij mensen die tot de ‘winnaars’ van dit regime behoren: jonge, witte, rijke mensen.’

Het is duidelijk: dit is geen descriptief boek, het is een manifest. Kuipers heeft skin in the game, zo geeft ze ook toe. Sinds ze borstkanker kreeg en haar haar verloor, is het helemaal zonneklaar voor haar hoezeer schoonheid onlosmakelijk verbonden is geraakt met een gevoel van eigenwaarde – ook al zou ze dat liever anders zien.

‘Moet ik botox?’

De meest sprekende illustratie van Kuipers’ punt is de botoxkwestie. ‘Moet ik botox? De vraag zingt rond in mijn sociale omgeving’, schrijft ze, ‘niet alleen onder vrouwen van mijn leeftijd, maar ook onder jongere vrouwen, soms nog onder de dertig, die de eerste rimpels voor willen zijn.’

De toenemende hoeveelheid gladde voorhoofden die we om ons heen zien en het onbehagen daarover leggen de dynamiek van het schoonheidsregime perfect bloot: ‘Een collectief proces, waarbij schoonheidsstandaarden in hoog tempo verschuiven, teruggebracht tot een individueel keuzemoment: moet ík botox?’

Het is een voorbeeld van hoe mensen hun uiterlijk steeds meer als project zijn gaan zien, hun lichaam als object met alle vervreemding van dien.

De grap daarbij is dat de manier waarop fillers en injectables worden aangeprezen, ‘niets minder [beloven] dan een remedie tegen vervreemding’. Kuipers: ‘De websites [van klinieken] hebben het over fris, natuurlijk, gezond, uitgerust en jong, zodat je ‘het beste van jezelf’ kunt laten zien. Het gaat niet om mooi, maar om de verbinding tussen wie je bent en hoe je eruitziet.’

Deze websites ‘stellen de groeiende acceptatie van botox voor als een natuurlijk en onvermijdelijk proces’, schrijft Kuipers. Natuurlijk, onvermijdelijk, de norm. Haar angst is, net als die van velen, dat het zo de norm wordt dat je er niet meer onderuit komt eraan mee te doen. ‘Wat er ook gebeurt, de lat zal omhooggaan. Als de huidige trend doorzet is het ongerimpelde gezicht over twintig jaar zoiets als rechte, witte tanden of schoon, goedgekapt haar nu: een alledaags teken van zelfzorg, welvaart, welbevinden en status.’

Daaraan ligt hetzelfde zelfversterkende mechanisme ten grondslag dat je in welvarende steden kunt aanschouwen. Drommen identieke, gladde knapperds in gloednieuwe kleding, die op elektrische fietsen van 3.000 euro in het rond racen met uitdrukkingsloze gezichten: een zinloze, fantasieloze en humorloze wedloop naar perfectie.

Steeds minder seks

Humorloos, en seksloos. Dat van de saladetweeling (die natuurlijk gewoon een stel is) zo weinig erotiek uitgaat dat ze voor een tweeling door kunnen, staat niet op zichzelf.

Kuipers wijst erop dat onze immense inspanningen om er sexy uit te zien zich nauwelijks vertalen in meer seks. Integendeel. Onderzoekers over de hele wereld rapporteren dat jongeren steeds later en minder aan seks doen.

Dit is een favoriet gegeven van sociale wetenschappers om allerlei analyses op los te laten, maar Kuipers verbindt het met de vervreemding die hoort bij het schoonheidsregime: meer bewustzijn van uiterlijk en lichaam leidt tot meer onzekerheid en meer seksuele geremdheid.

Een karikaturaal voorbeeld is de influencer Clavicular, posterboy van de looksmaxxers. Ook Kuipers refereert aan deze onfrisse, aan incels ontsproten trend, waarbij jongeren hun gezichten en lichamen verminken en volstoppen met supplementen en chemicaliën om aan een zogenaamd objectief meetbaar schoonheidsideaal te voldoen.

Het doel is om hun seksuele marktwaarde te vergroten. Maar Clavicular – een hoekig, ernstig joch dat zijn prima pubergezicht met kastijdende methodes omvormde tot dat van een soort duistere cherubijn op het lichaam van een Action Man – gaf al eens toe dat die seks inmiddels bijzaak is geworden. Als vrouwen hem willen is dat genoeg, het gaat om de schoonheid zelf. Een volslagen narcistische en van charisma gespeende schoonheid, mag je in dit geval wel zeggen.

Zorgen en ergernis

Tegen wie zich hierover ernstige zorgen maakt, zou ik geneigd zijn te zeggen dat de meeste vrouwen waarschijnlijk nog steeds liever met een grappige en lieve dwerg trouwen dan met een schitterende, maar sociaal gestoorde cijferneuker als Clavicular.

En wat die botox betreft: de cijfers laten weliswaar een stijging zien van het gebruik ervan, maar het gaat in Nederland vooralsnog om 1 op de 29 vrouwen, een kleine minderheid. De norm is nog altijd géén botox.

Ik betrap mezelf dan ook op een vage ergernis bij betogen als die van Kuipers en andere aanvechters van onderdrukkende schoonheidsnormen – onevenredig vaak zijn dit bovengemiddeld mooie vrouwen uit kunst en media, wier blik erop vertekend lijkt door hun eigen competitieve omgeving.

Maakt de vele aandacht voor dit probleem het niet groter dan het is? Ja, we moeten beïnvloedbare kinderen ervoor behoeden zich uit te hongeren en hun kaken aan gort te slaan. Maar bij de meeste volwassenen mag je toch het besef verwachten dat er belangrijkere en leukere dingen bestaan in het leven dan het bestuderen van je net niet perfecte spiegelbeeld?

Maar, zo maakt Kuipers duidelijk, je aandacht ostentatief verleggen is – net als ja zeggen tegen botox – een individuele oplossing voor een collectief probleem. Er gaat bovendien een berusting van uit, het idee dat het nu eenmaal is zoals het is. En juist dat is een misvatting, aldus Kuipers.

De socioloog is het sterkst waar ze laat zien hoezeer het soort sociaal darwinisme van looksmaxxers als Clavicular – dat in mildere vorm het hele denken over schoonheid doordrenkt – onwetenschappelijk is. Schoonheidsidealen zijn veel minder biologisch universeel dan vaak wordt aangenomen. Of mensen waarde hechten aan uitgesproken mannelijke of vrouwelijke schoonheid hangt bijvoorbeeld af van hun blootstelling aan media. En van het gangbare idee dat symmetrie een universele voorkeur is, blijft in onderzoeken weinig heel.

Het huidige, zogenaamd neutrale, ‘gezonde’, fitte, smetteloze schoonheidsideaal verhult nadrukkelijk wat Kuipers aan de hand van de geschiedenis (en natuurlijk Bourdieu) laat zien: dat schoonheid totaal cultureel is, en dat individuele voorkeuren meer samenhangen met smaak, vibe en verfijning dan met het soort perfecte neus dat je bij de plastisch chirurg kunt bestellen.

Dat maakt het niet minder een strijdperk voor sociale ongelijkheid – je zou het elitair kunnen noemen om een grappige, erudiete dwerg te verkiezen boven die saaie saladetweeling. Maar Kuipers’ punt is dat schoonheidsidealen veranderlijk zijn, en dat het cultiveren van een barmhartiger blik op onszelf en anderen binnen onze macht ligt.

Giselinde Kuipers: Lelijke mooie wereld. Das Mag; 224 pagina’s; € 25,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next