Home

Lang was Hitler het morele anti-ijkpunt: alles wat we níét wilden zijn. Dat tijdperk is nu voorbij

Ooit was Jezus het morele ijkpunt. Na de Tweede Wereldoorlog wilden we het tegenovergestelde van Hitler zijn. Met de groei van extreemrechts lijkt dat ten einde. Hoe vinden we een nieuw fundament?

schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang.

Het grote verhaal van Jezus is vervangen door dat van Hitler, en aan dat laatste verhaal komt nu ook een eind, iets waarover we niet per se rouwig hoeven te zijn.

Dat is de centrale stelling in het dunne boek van de Britse historicus Alec Ryrie (55), The Age of Hitler and How We Will Survive It. De tweede helft is wat merkwaardig, want als het grote verhaal van Hitler op zijn einde loopt, hebben we dat verhaal al overleefd, lijkt me.

Ryrie is gespecialiseerd in de geschiedenis van het protestantisme in de 16de en 17de eeuw in Engeland en Schotland. Hitler moet voor hem een uitstapje zijn geweest, maar niet eens een merkwaardig uitstapje. De ware protestant weet wat zondigheid is en waar die gezocht moet worden – in de protestant zelf – en schurkt alleen al daarom dagelijks tegen de antichrist aan.

Hitler als antichrist

Ryries diagnose – Hitler als antichrist, de herinneringscultuur als andersoortige religie – is niet nieuw, maar de problemen die hij benoemt blijven groot en verdienen reflectie, al is het maar omdat vrijwel elke maatschappelijke discussie en bijna elk cultuuroorlogje direct of indirect met deze problematiek te maken hebben: hoe houdbaar zijn de idealen die na de slachtpartij van de vorige eeuw werden geformuleerd, of beter gezegd: geherformuleerd?

Wat is de mensheid precies als vrijwel geen mens tot die groep wenst te behoren, maar wel tot allerlei subgroepen van de mensheid, waardoor er van de mensheid zelf weinig overblijft? Men is Duitser, lid van de lhbti-gemeenschap, Jood, witte man of zwart. Mens, begrijpelijkerwijs hoor: liever niet.

In het verlengde daarvan: wat moeten we met het ideaal van het universalisme nu eens te meer blijkt dat grote groepen kiezers, en niet alleen rechtse kiezers, dat universalisme als verraad of vals idool beschouwen en zeggen: eigen volk, eigen land, eigen groep eerst?

En wat betekent ‘Nooit Meer Auschwitz’ precies, behalve dan de vaststelling dat het voor ieder weer wat anders betekent en dat veel mensen het onverdraaglijk vinden dat er geen eenduidige interpretatie van die slogan bestaat?

Om het tijdperk van Hitler te onderscheiden van andere tijdperken schetst Ryrie een verleden waarin het christendom als vanzelfsprekende basis gold van de moraliteit waarop de Europese cultuur was gegrondvest. Als een Europeaan zich afvroeg hoe hij een goede Europeaan moest zijn – dit geldt natuurlijk ook voor de Amerikaan – dan vroeg hij zich af: wat zou Jezus hebben gedaan?

Ook de Europese denkers die begonnen te twijfelen aan de status van Jezus als zoon van God zagen in de mensenzoon nog een moreel baken. Ryrie noemt de filosoof Bertrand Russell (1872-1970), die het boek Waarom ik geen christen ben schreef, maar het daarin toch niet kon laten enkele leerstellingen van Jezus te prijzen.

Ook de Franse Revolutie, in al haar seculiere gedaanten, zat vol met christelijke verlangens en wensen.

Toen kwam de beschavingsbreuk die we de Tweede Wereldoorlog of de Shoah of de Holocaust kunnen noemen. God en zijn zoon stierven in de gaskamers van Auschwitz; hun as waait nog altijd over de wereld. Als de westerling zich daarna de vraag stelde wat Jezus zou hebben gedaan, wist hij dat hij bedrogen uit zou komen: het antwoord op die vraag had uiteindelijk tot Auschwitz geleid. Het Koninkrijk van de Liefde was een Koninkrijk van Industriële Vernietiging en Ongekend Sadisme gebleken waarbij de marteldood van Christus kinderspel was.

Ryrie schetst vervolgens een naoorlogse westerse wereld waarin de christenen nog wel christelijke idealen hadden, maar zich schaamden voor hun christendom en hun idealen daarom uitdroegen zonder bijbelse verwijzingen. Ik voeg eraan toe dat het christendom, anders dan het jodendom waaruit het voortkomt, universele ambities heeft. Iedereen kan en iedereen moet gered worden. Het christendom wilde een grote tent zijn voor de gehele mensheid.

De uitvinding van de joods-christelijke beschaving die na 1945 opkwam past in dat stramien: we nemen de Joden erbij. Het oude kerkelijke antisemitisme was niet langer een teken van godsvrucht maar een schandvlek, en moest haastje-repje worden omgebogen tot filosemitisme.

Ja, Ryrie gaat bijna zover te suggereren dat de Shoah de secularisering in het Westen heeft versneld en misschien wel voltooid. Ook meent hij, niet volledig ten onrechte, dat het tijdperk van Hitler, oftewel de herinneringscultuur, een obsessie met het kwaad creëerde die niet altijd even gezond kan worden genoemd.

Het goede was in de beste liberale traditie nu immers uitbesteed aan het individu. Godsdienstvrijheid betekende dat iedereen op eigen kracht zalig diende te worden, desnoods met behulp van wat gelijkgezinden en zonder de buurman ermee lastig te vallen.

Het kwaad had echter onverminderd metafysische, om niet te zeggen religieuze dimensies en was allesbehalve een individuele aangelegenheid: het kwaad betrof de maatschappij, waarover het individu zich diende uit te spreken. Zwijgen is een vorm van medeplichtigheid, wegkijken de kern van kwaadaardigheid.

Het maatschappelijke kwaad

Ryrie meent dat de obsessie met het maatschappelijke kwaad, die natuurlijk een vorm van fascinatie is, soms tot merkwaardige keuzes heeft geleid. Zo stelt hij dat het apartheidsregime van Hendrik Verwoerd in Zuid-Afrika veel minder slachtoffers maakte dan de Culturele Revolutie van Mao Zedong in China, en toch was ‘enkele decennia lang’ Zuid-Afrika ‘de grote morele bekommernis van het Westen’.

Ryrie verklaart dat door te stellen dat het tijdperk van Hitler (lees: de herinneringscultuur) geleidelijk aan ontdekte dat de Shoah de belangrijkste nalatenschap was van Hitler en dat het antisemitische aspect van het nazisme (lees: het racistische aspect) de essentie was van het Derde Rijk. Vandaar dat Mao, bij mijn weten geen racist maar wel een massamoordenaar, genegeerd kon worden en enige tijd zelfs sympathisanten had in het Westen die meenden dat de weg van de vooruitgang de maoïstische weg was.

Zelf vind ik het wat ingewikkeld me op te stellen als de boekhouder van de beul en het ene kwaad in mijn linker- en het andere kwaad in mijn rechterhand te wegen. Laat ik zeggen dat de morele preoccupaties van individuen en samenlevingen niet altijd even logisch zijn, maar dat je die preoccupaties desalniettemin niet kunt wegwuiven met een opmerking als ‘waarom zwijgt u over Soedan?’.

De menselijke emoties – en moraal is voor de meeste mensen een emotionele aangelegenheid – zijn niet geheel logisch. Was dat wel zo, dan zouden mensen machines zijn.

Om het voorgaande even kort samen te vatten: het tijdperk van Hitler kenmerkt zich door de verwording van Jezus tot een veredelde figurantenrol. De mens, beter gezegd de westerling die het goede nastreefde, stelde zichzelf nog maar één vraag: wat zou Hitler hebben gedaan, gedacht, gezegd? Om vervolgens het omgekeerde te doen.

Hitler werd het negatieve morele ijkpunt, en dat ijkpunt loopt nu op zijn laatste benen. Tekenend daarvoor zijn de recente gebeurtenissen bij de omroep Ongehoord Nederland, waarbij Hitler nog wel als ijkpunt werd behandeld, maar niet meer als absoluut negatief ijkpunt, integendeel: een ijkpunt waaruit je ook moed, inspiratie en hoop zou kunnen putten.

Daarop is wel enige reactie gekomen, maar dat een publieke omroep dit kon uitzenden onderstreept de stelling van Ryrie dat het tijdperk-Hitler hinkend de eindstreep haalt.

Antinazisme

Waar het goede een privéaangelegenheid werd maar de strijd tegen het kwaad nog iedereen aanging, transformeerde die strijd tot een geseculariseerde religie die anti-nazisme of antifascisme werd genoemd. Die beloofde misschien geen directe verlossing, maar voorzag de aanhangers ervan wel van een duidelijk vijandbeeld en een bundel waarden, zoals mensenrechten en gelijkwaardigheid.

Ryrie keert zich niet tegen de na 1945 opgerichte internationale instituten die vandaag de dag niet meer door elk imperium worden gerespecteerd; hij zou niet durven, voor dergelijke smeerlapperij is hij te veel christen.

Maar hij stelt wel de terechte vraag: wat is de bodem onder die mensenrechten, die universele idealen, die instituten? Is het Immanuel Kant, de filosoof die ontmaskerd is als vrouwenhater en racist? Of toch Jezus, maar dan niet als zoon van God, maar als vrolijke profeet die de mensen ten tijde van het Romeinse Rijk van wat inspirerende content voorzag? Of Plato? Socrates?

Voor Ryrie is het duidelijk: de bodem onder het reëel bestaande westerse universalisme is Hitler, en die bodem zinkt langzaam weg. Zie de verkiezingen in Saksen-Anhalt van 6 september, waar de AfD bijna de absolute meerderheid haalde; Ryrie noemt dergelijk rechts ‘smerig rechts’. Laat ik zeggen dat de AfD Blut und Boden light propageert, inclusief Russische les. Men kan erover van mening verschillen hoe fatsoenlijk of onfatsoenlijk dat is; voor het verbieden van de partij is het hoe dan ook te laat, dus dergelijke discussies hebben een hoog theoretisch gehalte.

Zeker is dat de breedgedragen ideologie van antinazisme, zoals ooit de leer van Jezus een breedgedragen ideologie was met alle bijbehorende schijnheiligheid, is ontmanteld. De verkiezingsuitslagen in Saksen-Anhalt en Mecklenburg-Vorpommern zijn slechts voorlopige hoogtepunten, of dieptepunten zo men wil, van die ontmanteling en ik denk dat er nog wel meer dieptepunten zullen volgen.

De taboebreuk nadert zijn voltooiing. En dat ligt niet alleen aan smerig rechts, maar ook aan de paradox van het antinazisme zelf, dat het kwaad alleen maar kan bestrijden door het telkens weer op allerlei plaatsen tevoorschijn te toveren en waar te nemen. De Duitse socioloog Hartmut Rosa meent naar aanleiding van de verkiezingsoverwinning van de AfD in Saksen-Anhalt dat het onverstandig en ineffectief is de AfD-kiezers nazi’s te noemen, zij zien zichzelf als democraat. Rosa gaat zover de betiteling van nazi voor deze kiezers als een vorm van othering te beschouwen.

Theo van Gogh, een man voor wie ik verder weinig respect heb, was aan het begin van deze eeuw wel iets op het spoor toen hij stelde dat het de Nederlanders niet zo vreselijk goed gelukt was om goed te zijn tijdens de oorlog en dat ze daarom maar goed probeerden te zijn ná de oorlog. Ik parafraseer Van Gogh, hij fulmineerde vooral tegen de schrijver Hugo Brandt Corstius, die ik ondanks al zijn uitglijders wél respecteer.

In 2004 stelde Anton de Goede hem tijdens een interview voor de VPRO de vraag of hij er spijt van had dat hij CDA-minister Onno Ruding met Adolf Eichmann had vergeleken. Zijn antwoord: ‘Het is waar dat ik altijd aan de Tweede Wereldoorlog denk, nou en?’

Om een voorbeeld buiten Nederland aan te halen: de toenmalige Labour-leider Michael Foot (1913-2010) steunde Margaret Thatcher en haar Falklandoorlog tegen Argentinië in 1982 met de woorden: ‘Ik herken een fascist als ik er een zie.’ Het ging om een paar onbeduidende eilanden, maar er zou een fascist zijn gesignaleerd.

Er zijn goede redenen om het regime van de toenmalige Argentijnse militair Leopoldo Galtieri fascistisch te noemen, maar dat was uiteraard niet de reden dat Thatcher met hartelijke instemming van de oppositie tegen Argentinië ten strijde trok. Toen de Falklandeilanden weer Brits waren, was het fascisme van Galtieri geen groot probleem meer.

Beter kan het Hitler-tijdperk niet worden gekenmerkt. Al die progressieve mensen die altijd aan de Tweede Wereldoorlog dachten of aan andere vormen van het kwaad die indirect, zo betoogt Ryrie, altijd weer kunnen worden teruggevoerd op die oorlog, wat hebben ons al die gedachten opgeleverd? Te weinig.

Ryrie pleit zeer omfloerst voor een terugkeer naar een of andere vorm van religie om de morele emotie weer van een bodem te voorzien. Een terugkeer naar de wortels noemt hij dat, en het hoeven zeker geen christelijke wortels te zijn. Ik twijfel. Blut und Boden light is ook een terugkeer naar de wortels, maar of die wortels ook een beetje Poetins wortels zijn, is weer een andere vraag.

Het ontworteld zijn hoeft hoe dan ook niet te worden verheerlijkt, maar waar de ontwortelde geen plek meer heeft in de samenleving, is die samenleving in gevaar.

Iconisering van Anne Frank

Er is een aspect van het Hitler-tijdperk waarover Ryrie grotendeels zwijgt: de verheerlijking van slachtoffers als hedendaagse heiligen en daaruit voortvloeiend de verheerlijking van het slachtofferschap zelf.

In Nederland was het de socioloog Bram de Swaan die al in de jaren tachtig voor een gehoor van psychiaters, psychologen en andere hulpverleners opmerkte dat de ‘concentratiekampliteratuur een moderne voortzetting van de traditie van stichtelijke literatuur’ is. De Jodenvervolging was een ‘moderne versie van het lijdensverhaal’ geworden.

Nu is er in het werk van kampoverlevenden als Tadeusz Borowski, Filip Müller, Jean Améry en zelfs Primo Levi niet zo heel veel stichtelijks te vinden. Je moet Levi behoorlijk aanranden om daar een stichtelijke boodschap uit te peuren, maar voor sommigen is literatuur alleen maar aanvaardbaar als zij op wat voor manier dan ook stichtelijk is. Schrijvers en kampoverlevenden als Viktor Frankl en misschien ook Elie Wiesel hebben boeken over het kamp geschreven die stichtelijk genoemd kunnen worden, maar zij zijn de uitzondering, niet de regel. Met Etty Hillesum kun je alle kanten uit.

Toch zag De Swaan al vier decennia geleden scherp dat de collectieve herinnering aan de moord op de Europese Joden, toen die eenmaal goed op gang was gekomen, religieuze trekken begon te vertonen, inclusief hedendaagse heiligen die de massamoord van een goed einde dienden te voorzien of op zijn minst voor consumptie geschikt dienden te maken. Ook de iconisering van Anne Frank mag daarom niet onvermeld blijven.

Vrijwel alle mensen die serieus over haar werk hebben geschreven en nagedacht, hebben haar literaire talent benadrukt; het was voor hen essentieel dat zij Frank serieus werd genomen als schrijver. Maar haar iconisering staat die zienswijze in de weg. Anne Frank is van iedereen, en daarom is zij ook iedereen: een Syrisch meisje, een Koerdisch meisje, een Palestijns meisje, een Oekraïens meisje, een Oeigoers meisje. Daarmee is de schrijver veranderd in een boekomslag. Anne Frank werd een leeg vat dat iedereen naar eigen behoefte kon invullen; voor de herinneringscultuur geldt grosso modo hetzelfde.

Die ontwikkeling, en dat kon ook niet anders, leidde tot een enorme hoeveelheid morele en esthetische kitsch, waarbij de werkelijkheid slechts dienstdeed als decor voor het creëren van zogenaamde grootse ervaringen. De gruwelen werden een spookhuis voor gevorderden, het slachtofferschap kon steeds dunner worden uitgesmeerd totdat iedereen ervan profiteerde.

En hoe meer de oorlog uit het geheugen verdween, hoe heerlijker het was om op het toneel, in romans en in films een paar SS’ers te laten rondparaderen. Niemand, werkelijk niemand, kon daaraan enige aanstoot nemen. Zelfs zij die het liefst eigenhandig een paar asielzoekers in het IJsselmeer zouden willen verdrinken, konden met recht zeggen: ‘De baddies, dat zijn zij.’

(Een uitzondering is de roman De welwillenden van Jonathan Littell, een grootse roman over echte nazi’s.)

Iedereen is slachtoffer

In zijn nog altijd onmisbare boek Een vreemd geluk – De publieke religie rond Auschwitz (2003) heeft literatuurwetenschapper en hovenier Jan Oegema het over ‘blijvende sacralisering’. Het slachtoffer werd van een heilig aura voorzien, waarna iedereen die meende slachtoffer te zijn privileges (spreekrecht, moreel kapitaal) kon opeisen.

De term ‘woke’ past bij uitstek in het tijdperk van Hitler, al zal iemand als Ryrie daarin de laatste stuiptrekkingen van dat tijdperk herkennen. Onrecht moet worden rechtgezet of gecompenseerd. Maar waar het slachtoffer sacrale dimensies krijgt, zal vroeg of laat een nivellering van het slachtofferschap optreden, waardoor uiteindelijk iedereen slachtoffer is. In zo’n wereld zal AI dan dienst moeten doen als dader.

De historicus Alon Confino muntte de term ‘funderend verleden’ voor de manier waarop de Shoah een bodem legde onder de behoefte aan zingeving, duiding en moreel houvast van het Westen – en in het verlengde daarvan: de hele wereld.

Dat funderende verleden had ook verregaande politieke consequenties. In 1949 verklaarde de Amerikaanse president Harry S. Truman dat Amerika zich moest inzetten om lijden en ellende over de hele wereld te verminderen. God was dood, maar het imperium zette zijn werk voort.

Dat in dit verhaal meteen al ongerijmdheden zaten, verbergt ook Ryrie niet. Eerst samenwerken met massamoordenaar Stalin, die een cruciale bijdrage leverde aan het verslaan van Hitler, om hem vervolgens strategisch een beetje tegen te werken. De bombardementen op steden als Hamburg en Dresden moeten naar de huidige maatstaven oorlogsmisdaden worden genoemd, tenzij men zich op het standpunt stelt dat de gehele Duitse bevolking schuldig is en dat er dus geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen. En dan zijn Hiroshima en Nagasaki nog niet eens genoemd.

De strijd tegen het kwaad in de tweede helft van de 20ste eeuw bleek uit te monden in het strooien van napalm in Vietnam. Die oorlog werd door Amerika verdedigd met de dominotheorie: als Vietnam valt en communistisch wordt, dan vallen we allemaal.

Toegeeflijkheid is langzame zelfmoord. Het is voor Ryrie een van de kenmerken van het tijdperk van Hitler: de afkeer van verzoeningspolitiek met verwijzingen naar Chamberlain, München, 1938, appeasement.

Hieraan moet nog worden toegevoegd dat Amerika (het Westen) zijn oorlogen na 1945 niet meer heeft kunnen winnen: Vietnam, Afghanistan, Irak en dit jaar Iran. Ook George W. Bush verdedigde zijn Irak-invasie met een verwijzing naar München en Chamberlain: we hebben geleerd van het verleden, geen appeasement, massavernietigingswapens mogen niet in handen vallen van Saddam Hoessein (die natuurlijk met Hitler werd vergeleken), we trekken ten strijde. Het tijdperk van Hitler beleefde in 2003 nog hoogtijdagen.

Wat zal ons van een fundament voorzien als dat specifieke verleden ons niet meer kan funderen? Nieuwe gruwelen, een volgende oorlog, een andere slachtpartij? Of de wet van de jungle die Trump uitdraagt – voor hem is de wereldpolitiek immers slechts voortzetting van koop en verkoop van onroerend goed op Manhattan.

Obsessie met de kruisdood

Oegema eindigt zijn boek met Albert Camus, die zich hardop afvraagt waarom het Westen zo geobsedeerd is geweest met de kruisdood en zijn eigen vraag vervolgens beantwoordt met de woorden ‘un étrange bonheur’: een vreemd geluk.

Doordat God zich overgeeft aan al te menselijke ‘pijnen, kwellingen en angsten’ wordt elk individu ter wereld in een ‘groots en huiveringwekkend mysterie’ betrokken.

De Shoah heeft een tijd die rol van mysterie vervuld.

Het absurdisme van Camus, waarover hij zo indringend heeft geschreven, was slechts korte tijd populair. De gedachte dat elke poging tot zingeving en ordening een fictie is die alleen al om die reden niemand werkelijk rust zal gunnen – die gedachte gaat de mensen te ver.

Met het absurdisme kon alleen worden geleefd toen de verschrikkingen nog geen herinneringscultuur waren, maar herinnering.

Anders dan velen neemt Oegema Hitler als christen ook serieus. Pas in 1934, nadat hij Ernst Röhm had laten vermoorden, ‘zijn enige vriend die hij in zijn politieke loopbaan bezat’, brak Hitler met het christendom. Toen hij Mein Kampf schreef, was hij dus nog christen.

Oegema suggereert dat Hitler toen nog de oudtestamentische God heel serieus nam. Hitler meende dat God een verkeerd volk als zijn uitverkoren volk had uitgekozen; met een volk dat over alle landen verspreid was, kon je als God toch niets aanvangen. ‘De diaspora is hét bewijs van bij voorbaat gedegenereerde instincten, van een gebrek aan werkelijke wil tot macht’, schrijft hij als hij zich probeert voor te stellen wat Hitler had tegen de keuze van God.

De Führer wenste de fout van de Eeuwige te herstellen.

Arnon Grunbergs nieuwe roman Himmler in New York verschijnt begin november.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next