Schrijver Jan van Tienen weet hoe groot de angst kan zijn om naar de tandarts te gaan, maar begrijpt hij waarom honderdduizenden mensen écht niet durven? Nee, dat niet. Hij doet een ultieme poging tandartsangst te doorgronden.
Als kind dronk ik veel yoghurtdrink en poetste ik mijn melkgebit maar matig. Het gevolg was dat ik een stel bruine, rottende stompjes als kiezen had, die er op een gegeven moment uit moesten.
Ik herinner me die blinkende zilveren instrumenten, ik herinner me de naald voor de verdoving die keer op keer in mijn tandvlees prikte, mijn moeder die naar me lachte met een zenuwachtige trek om haar mond, ik herinner me het moment dat tandarts Roefs uiteindelijk ver genoeg was in het proces dat hij met een soort guts in mijn kaak stond te wrikken om de melkkies los te krijgen, de kies die niet loskwam, de voet die naast de stoel werd gezet voor extra kracht, het gemompelde ‘nou, die zit wel heel erg vast’, en uiteindelijk de verlossende, ziekmakende krak en het loskomen van die kies.
Mogelijk heb ik door die hele polonaise in mijn mond, een van mijn vroege herinneringen, een lichte tandartsangst ontwikkeld.
Voor mijzelf bestaat het gevoel eruit dat ik vermoed dat de tandarts minstens met een metalen pin tussen mijn tanden schraapt, dat ik verwacht te kokhalzen en over de gehele linie fysiek en licht mentaal ongemak zal ervaren. Toch overwin ik de lichte angst die deze verwachtingen bij mij oproepen omdat ik snap dat het op termijn goed voor me is om te zien of ik geen gaatjes heb, geen wortelkanaalschade, geen andere gebitskwalen.
Maar de 3,7 procent van alle Nederlanders (zo’n 700 duizend mensen) met problematische angst voor de tandarts, dat heet dentofobie, overwinnen die angst kennelijk niet en gaan niet meer naar de tandarts. Dit bevreemdt me: hoe kan je angst voor de tandarts zó groot zijn dat je simpelweg niet op controle gaat, dat je de mogelijke schade aan je gebit die daarop volgt op de koop toe neemt? En waarom heeft de ene persoon die fobie wel, en de andere niet? Spelen sociaal-economische omstandigheden een rol bij die angst? En hoe voelt het om zo verschrikkelijk bang te zijn voor een tandartsbezoek?
Als schrijver interesseer ik me voor het mysterieuze en het raadselachtige in het alledaagse, en met de miljoenen mensen die een (lichte) vorm van tandartsangst hebben, valt deze fobie binnen mijn werkterrein. Maar het interesseert me ook als vriend; een poosje terug maakte ik een podcast over tandheelkunde (Breek me de bek niet open) met Paul de Kok, een middelbare schoolvriend die tandarts is geworden. Toen we het hadden over angst, kwam ik erachter dat veel mensen in mijn omgeving angst ervaren voor de tandarts, en dat ze bovendien vaak bang zijn voor het oordeel van de tandarts.
Een vriendin, Simoon, vertelt dat ze jaren niet naar de tandarts is gegaan omdat ze bang was voor een terechtwijzing. Ze raakte bevriend met een tandarts, zodat die een keer laagdrempelig naar haar gebit kon kijken. ‘Na de behandeling nam ik hem mee uit eten, zodat hij niet boos zou kunnen worden op de staat van mijn gebit’, zegt ze.
Een andere vriend, Wouter, was ook jaren niet gegaan, maar had, toen hij eenmaal de moed had opgebracht, een dusdanig goede ervaring (‘de assistenten én de tandarts zelf waren knap, ze roken lekker en ze zeiden dat ik een prachtig gebit had’), dat het daarna is omgeslagen en hij nu zelfs graag naar de tandarts gaat.
Weer een andere vriend had toen hij jaren niet was geweest verschillende wortelkanaalbehandelingen nodig, die extreem veel pijn hadden gedaan. ‘Ik woonde in Amsterdam, mijn tandarts zat in Limburg, ik was toch al geen fan van die man, en mijn struisvogelgedrag deed de rest’, zegt hij.
Een kennis uit Glasgow zei dat hij als kind een trauma bij de tandarts had opgelopen doordat de man naar wie hij ging (hij stond plaatselijk bekend als ‘butcher Thompson’), de lidocaïne niet voor z’n patiënten maar voor zichzelf gebruikte en dus onverdoofd met hem aan de slag ging. Nóg een kennis had de dubbele angst dat hij door het trekken van zijn verstandskies enerzijds zijn prachtige kaaklijn schade zou toebrengen, en anderzijds veel geld kwijt zou zijn. Een student uit Brussel liet weten dat de angst om te gaan voor haar een mengsel van pijn-aversie en pure luiheid was. ‘Ik heb een gaatje in mijn kies, weet ik, maar het doet nog niet genoeg pijn om in actie te komen’, zei ze.
Ik hoorde het aan, griezelde van de met smaak vertelde verhalen, en tóch kwam ik bij geen van deze mensen gevoelsmatig bij ‘de angst zelf’ terecht. Misschien ook omdat de anekdotes zo uiteenlopend waren. Het ging van angst voor het oordeel van de tandarts naar het gevoel het zelf niet goed te hebben gedaan, naar bang zijn voor de pijn die behandeling zou opleveren, of voor de pijn in de portemonnee.
Allemaal leken ze min of meer over hun ‘angst’ heen te zijn, in die zin dat ze alweer hun tandarts bezochten. Maar wat ook een gemene deler was, is dat de angst veelal is ontstaan door contact met tandartsen zelf.
Voor de professionele context belde ik met Ad de Jongh, opgeleid als tandarts, expert op het gebied van psychotraumatologie en een van de eersten in Nederland die wetenschappelijk onderzoek deed naar tandartsangst.
‘Het is geen ‘tandartsangst’, hè’, corrigeert hij me meteen. ‘Mensen zijn niet bang voor de tandarts zelf, maar voor de behandeling. Tandartsen zijn doorgaans prima mensen, en zijn zelf geen angstwekkende stimulus, zoals dat heet. Geluiden, invasieve ingrepen zoals extracties, naalden en andere scherpe instrumenten, dat zijn de triggers. Beter is dus om te spreken van tandheelkundige behandelangst.’ Oké, staat genoteerd, maar wat ís die behandelangst nou precies?
‘Voor veel mensen is alles wat riekt naar machteloosheid datgene waar ze bang voor zijn’, zegt De Jongh. ‘Situaties waar ze niet weg kunnen. Men ligt met de mond open, en het gevoel machteloos of hulpeloos te zijn is waar het in wezen om draait, zo laat wetenschappelijk onderzoek zien. Angst uit zich in vermijding, en die vermijding beïnvloedt vervolgens het dagelijks leven. Men wil behandelingen zo lang mogelijk uit de weg gaan, waardoor het gebit steeds verder achteruit gaat en de drempel om wél naar de tandarts te gaan steeds hoger wordt.’
Angst voor tandheelkundige behandelingen is in die zin anders dan andere angsten: je kúnt het niet vermijden. Ga maar na: spinnen? Die kun je – als je je best doet – vermijden. Liften, vliegangst, is allemaal op te lossen: niet met de lift gaan, niet vliegen. Maar iedereen heeft tanden en als je daar gaatjes in krijgt, dan moet je wel. En als je dán niet gaat, word je uiteindelijk gillend gek van de pijn, waardoor gek genoeg die angst om te gaan ook weer groter kan worden. Kortom: een vicieuze cirkel.
De Jongh voegt eraan toe dat deze angst nog iets interessants heeft: ‘Er is onderzoek gedaan naar alle angsten die Nederlanders hebben, onder zo’n tweeduizend respondenten, en daaruit bleek dat de fobie voor de tandheelkundige behandeling de heftigste is: erger dan die voor spinnen of slangen, erger dan naaldenangst.’
Maar ondanks dat blijft er iets open. Waarom toch die angst voor de tandarts? Het is nota bene iemand die je helpt. We zijn ook niet zo massaal bang voor de dokter, toch? Ik vraag me ook af waar we het precies over hebben als we het angst noemen, en daarom wend ik mij tot de literatuur over angst zelf.
Het woord ‘angst’ stamt af van een Proto-Indo-Europees basiswoord dat ‘nauwte’ en ‘verstikking’ betekent, en waar uiteindelijk ook ‘benauwd’ en het Engelse woord anxiety vandaan komen. Toch kwam het woord ‘angst’ pas echt op in de spreektaal aan het eind van de 19de eeuw, begin 20ste eeuw, waar het zijn plek vond in het dagelijks taalgebruik doordat de grondleggers van de moderne psychologie de term vaker begonnen te gebruiken, zo lees ik in Anxiety: a very short introduction, door Daniel en Jason Freeman.
Sigmund Freud omschreef voor het eerst angst als psychologische aandoening. Wetenschappers zien angst inmiddels als een van de vijf basisemoties die mensen hebben, emoties die ons ook vroeger al bijstaan in het dagelijks leven om te kunnen overleven. Verdriet over het verlies van naasten zorgt ervoor dat je de sociale banden strak houdt, angst helpt je niet te worden opgegeten door een wild dier.
De vraag is wat we aan die fysiologische reactie hebben bij angsten die vandaag de dag voorkomen, en die eigenlijk geen bedreiging voor ons voortbestaan zijn. Waarom zouden we een droge mond moeten krijgen van een tandartsbezoek, waarom zouden we daar verhoogde bloeddruk van krijgen? Daar heb je immers meer last van dan dat het je helpt.
Zodoende is angst behalve een basisemotie ook opgenomen in de DSM-5, het handboek met alle psychologische aandoeningen. Maar angst is net zo goed een sociaal fenomeen.
Klasse, status
Romancier en literair criticus Auke Hulst schreef recent de uitstekende roman Tandenjager, waarin de 18de- en 19de-eeuwse tandheelkunde een rol speelt, en waarin de tandenjager uit de titel de klasse of stand van de overledene aan diens gebit kan aflezen. Ik besluit Hulst naar het onderwerp te vragen om zijn artistieke licht op de materie te laten schijnen.
‘Ik had zelf lang enorme tandartsangst omdat ik na verwaarlozing in mijn jeugd en de daardoor steeds hogere angstdrempel zo’n twintig jaar geen tandarts heb gezien’, zegt hij. ‘Grofweg vanaf mijn 12de, na een overigens akelige sessie bij de schooltandarts. Ik vind angst voor de tandarts volledig invoelbaar. Het is niet alleen angst voor pijn of voor beschamende ingrepen, het is ook een sociale angst. Ik denk dat mensen door de bank genomen banger zijn voor de vernedering dan voor de pijn. Waarom zou je anders pijn verdragen en niet naar de tandarts gaan?’
Voor Hulst is er daarom, althans voor een deel van de mensen, een klasse-aspect aan die angst verbonden: ‘Je gebit – die klasseverrader – is door omstandigheden als verwaarlozing, dieetgewoonten of te weinig geld voor tandzorg, in twijfelachtige conditie en dan moet je daarmee naar iemand die ervoor heeft gestudeerd en uit een andere klasse komt. Iemand die al je beschamende geheimen zal zien en je zal beoordelen, veroordelen en berispen.’
En daar is weer die angst voor het oordeel. Wat is dat toch? Ik denk dit: de tandarts ís op een bepaalde manier ook een oordelende figuur. Het is in de sector de gewoonte mensen aan de halfjaarlijkse controle te herinneren – ook al is dat advies niet op wetenschappelijke basis gebaseerd. De gezondheid van je gebit wordt vanaf het vroegste tandartsbezoek ingeprent als iets waaraan je zelf iets kunt doen, en wat dus ook je eigen verantwoordelijkheid is. Poets twee keer per dag je tanden, netjes twee minuten lang en met tandpasta. Stook tussen de tanden! Flos!
En hoewel dat allemaal logisch geredeneerd is, zorgt het er ook voor dat een bezoek aan de tandarts een directe confrontatie veroorzaakt met je eigen gebrek aan wilskracht en discipline. Dat kan angstig zijn.
Zat daar dan ook dat klasse-aspect in? Volgens onderzoeker De Jongh is dat wel degelijk het geval, maar is het lang niet de grootste verklarende factor voor het ontwikkelen van tandartsangst. Hij wijst op een Canadees onderzoek naar de samenhang tussen schaamte, vertrouwen, communicatie, tandartsangst en sociale klasse. Mensen met praktische beroepen bleken bijvoorbeeld gevoeliger voor de wijze waarop de communicatie met de tandarts werd ervaren.
Maar tandartsangst is niet geheel terug te voeren op een sociaal-economische achtergrond, waarschuwt De Jongh. Juist de ervaringen opgedaan in de stoel blijken een grote invloed te hebben op de kans bang te worden voor de tandarts. Dat blijkt uit een studie die De Jongh samen met collega’s uitvoerde. Wortelkanaalbehandelingen, injecties, pijn, een tandarts die zich vervelend gedroeg en nare verhalen over behandelingen (besmettelijke angst) vergroten de kans om later behandelangst te ontwikkelen. Maar machteloosheid in de stoel bleek de grootste voorspeller. Wie zich ooit machteloos had gevoeld tijdens een behandeling, had verreweg de grootste kans op latere behandelangst.
En om dat laatste aspect van tandartsangst te begrijpen: het trauma, de machteloosheid, en het soms daaropvolgende diepe, fobische aspect van tandartsangst, heb ik het gevoel dat ik nóg een laag moet aanboren.
Van tandarts De Kok hoorde ik van een patiënt die hij behandelde. Deze persoon, ‘Kim’, had zich met een trauma bij hem gemeld, en op zijn verzoek wilde Kim daar wel anoniem over praten. Kim mijdde de tandarts decennialang, na jaren terug een een seksueel trauma te hebben opgelopen. ‘Voor mijn werk in het juridische veld ging ik langs bij iemand die ik niet goed kende. Ik was jong en vol zelfvertrouwen, het ging goed met me en ik had er geen ervaring mee dat niet iedereen het altijd goed met je voor heeft.’
Kim werd vervolgens vastgebonden. De muziek ging keihard aan, zodat niemand iets zou horen en werd op een ineens achterover geklapte stoel oraal verkracht.
Ik hoor de ervaring stilletjes aan. Die daad liet het zelfvertrouwen en zelfbeeld van de geïnterviewde instorten. En er ontstond dus tandartsangst.
‘Er was daarna iets met het gevoel van in een stoel zitten en me moeten overgeven aan een ander, dat mijn hele lichaam op slot liet gaan. Als ik eraan moest denken, ging ik trillen.’
Vanaf toen werd Kims leven omgegooid. Allengs werden er minder mensen thuis uitgenodigd, verjaardagen werden niet meer gevierd, het ging fout in de relatie. Kims gebit werd steeds slechter en Kim stond dan ook niet meer lachend op foto’s.
De ommekeer kwam na het lezen van The Body Keeps The Score, het beroemde boek over trauma van psychiater Bessel van der Kolk, waardoor Kim het mechanisme van trauma beter begreep. ‘Toen kwam ook echt mijn verlangen op om er iets aan te doen.’
Dat proces is ingezet, hoor ik. EMDR-therapie heeft geholpen. Het gebit wordt gerestaureerd door De Kok. ‘Met de juiste persoon ben je echt goed geholpen’, zegt Kim.
Snap ik nu echt beter hoe angst werkt? Het verhaal over machteloosheid en het gruwelijke seksuele geweld spookt nog lang door mijn hoofd, maar in alle eerlijkheid kan ik me er niet in verplaatsen, niet écht.
Ten leste vraag ik me af of je ooit precies kunt achterhalen waarom de ene persoon fobisch is voor de tandarts en de andere niet. Die vraag leg ik voor aan Eelco Hakman, hoogleraar gezichtschirurgie en psychodiagnostiek. ‘Wanneer je wilt weten waar de angst bij een specifieke patiënt door wordt veroorzaakt, zul je zijn levenspad moeten aflopen, en dat doe je met een grondige anamnese. De zoektocht naar het Grote Waarom.’
Op een bepaalde manier is dat wel weer een mooi antwoord op de vraag waar de angst voor de tandarts vandaan komt. Ik ben als kind een keer op een bij gaan staan in de speelweide van zwembad De Spetter. De angel kwam er niet uit, die is blijven zitten in mijn voetzool, waarna ik wekenlang ongelofelijke jeuk had aan mijn opgezwollen voet. Ik hield er angst voor vliegende steekbeesten aan over. Die is intussen minder geworden, maar als er een wesp rond mijn hoofd vliegt, voel ik nog altijd paniek opkomen, iets waar mijn partner om zucht, en alsmaar over zegt: kalm blijven, gaat vanzelf over.
Zo is het allicht ook met de angst van anderen: het is te begrijpen, maar niet te voelen, als je niet hetzelfde pad hebt bewandeld.
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant