Home

Schrijfster Els Pelgrom werd geprezen omdat ze schreef over dood, ziekte en armoede, tot ze in de vergetelheid raakte

Els Pelgrom gold decennialang als een van de grootste kinderboekenschrijvers van Nederland. Ze won drie Gouden Griffels, maar raakte daarna in de vergetelheid. In mei verscheen haar biografie en deze maand kwamen haar dagboeken uit. ‘Het leven is vaak heel ellendig en het is heel prachtig. Het is allebei.’

is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.

‘Als je 92 bent, gaan mensen ervan uit dat je niet meer goed snik bent’, zegt Els Pelgrom aan tafel op vier hoog van haar Amsterdamse woning in een seniorencomplex. ‘Zo van: je zit in een bejaardeninstelling, dan zul je wel mataglap wezen.’

Dat is dus niet zo?

‘Nee. Met mijn langetermijngeheugen is niets mis, mijn kortetermijngeheugen is minder goed.’

Wilde u daarom graag dat uw dochter Judith aanwezig is bij dit interview?

‘Ja, vooral voor de koffie eigenlijk. En omdat ik niet zo goed meer ben in data.’ Grijnzend: ‘Maar die zijn ook helemaal niet zo belangrijk.’

Els Pelgrom (92), geboren als Else Koch, was decennialang een van de grootste kinderboekenschrijvers van Nederland. Ze brak door met De kinderen van het achtste woud (1977). Ook haar boeken Kleine Sofie en Lange Wapper (1984) en De eikelvreters (1989) werden toonaangevend, geroemd om de literaire kwaliteit en rijke taal. Pelgrom werd geprezen omdat ze moeilijke onderwerpen als dood, ziekte en armoede niet uit de weg ging, maar haar lezers er ook niet mee om de oren sloeg. Ze was de eerste kinderboekenschrijver die drie Gouden Griffels kreeg (ze kreeg ook nog twee Zilveren). In 1994 ontving ze de prestigieuze Theo Thijssen-prijs voor haar oeuvre. Haar werk werd tot in Japan vertaald. Tot ze in de vergetelheid raakte.

Jarenlang hoorden we niets meer van Pelgrom. Maar afgelopen mei verscheen er een wonderschone biografie over haar leven Else: Het eigenwijze leven van een kinderboekenschrijfster, geschreven door Sanne van Heijst.

Deze maand werden Pelgroms dagboeken gepubliceerd in de befaamde Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers, een autobiografische reeks die in 1966 begon en inmiddels haar 60-jarig jubileum viert.

In Alles gebeurt – De Spaanse jaren beschrijft Pelgrom de periode 1985-1994. We lezen hoe de dan 51-jarige Pelgrom alleen in Barcelona aankomt en daar afspreekt met haar halfbroer Herman Koch (die dan nog niet bekend is van Jiskefet en ook nog geen schrijver is). ‘Herman kan mij het gevoel teruggeven dat alles de moeite waard is’, schrijft ze in haar dagboek.

‘Dat is nog steeds zo’, zegt Pelgrom terwijl ze een slok water neemt.

Doel van haar reis in 1985 is om via Zuid-Spanje naar Portugal te reizen, waar haar dochter en kleindochter in die jaren woonden. In Granada, of eigenlijk in Sacromonte – een beroemde volksbuurt met historische grotwoningen, waar vanaf de 15de eeuw Spaanse gitanos, verdreven Joden, moslims en arme Spanjaarden van oudsher woonden – ontmoet ze Salvador in het Spaanse gedeelte van de wijk. Hij is metselaar en landarbeider, een voormalig varkenshoeder die op zijn 8ste door zijn vader van school is gehaald. Zij is een van de weinige kinderboekenschrijvers die in Nederland van haar pen kan leven. Het is liefde op het eerste gezicht – daarover later meer.

Hoe is het om op uw leeftijd een dagboek in de Privé-domeinreeks te publiceren?

‘Zo eervol, ik vind het echt leuk. Voor kinderboekenschrijvers is het misschien ook een beetje een oppepper. We worden eens voor vol aangezien. Dat is niet altijd zo geweest. In mijn tijd werden kinderboekenschrijvers niet als echte schrijvers gezien. Je was van lager allooi, je was máár een kinderboekenschrijver.’

U bent het daar niet mee eens?

‘Nee, je hebt goede en slechte schrijvers. Je kunt kromme teksten maken voor volwassenen, maar ook voor kinderen.’

Wat is het verschil tussen een kinderboek en een boek voor volwassenen?

‘Zelf zou ik in een kinderboek geen al te rauwe dingen beschrijven: geen rauwe seks en geen moord. Liever niet. Maar verder maakt het niet zoveel verschil.’

Dat kinderliteratuur volgens haar wordt onderschat, komt ook naar voren in de biografie die over haar verscheen. Aanvankelijk reageerde Pelgrom afhoudend toen haar biograaf haar zeven jaar geleden benaderde en vertelde dat ze over haar wilde schrijven. Pelgrom belde de Auteursbond met de vraag of ze het kon verbieden. ‘Maar dat mag natuurlijk niet’, grinnikt Pelgrom nu. ‘We hebben vrijheid van drukpers.’

Bent u inmiddels blij met de biografie?

‘Ja, ik heb hem nog niet uit, maar het boek leest als een roman. Mijn biograaf heeft knap werk afgeleverd.’

Uw levensverhaal is niet bepaald saai. Dat helpt ook.

‘O, dat is niet waar, hoor. Hier wonen allemaal oudere mensen. Ik denk dat je over ieder mens hier een biografie kan maken.’ Pelgrom kijkt naar haar dochter Judith. ‘Denk jij dat niet ook?’ Judith knikt.

Het wel/niet avontuurlijke levensverhaal van Pelgrom in een notendop: ze groeit op in Arnhem in een liefdeloos gezin met vier kinderen. Vooral haar moeder is afstandelijk en niet in staat haar liefde te uiten.

Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Na de Slag om Arnhem in september 1944 vlucht het gezin, na een dwingend evacuatiebevel van de Duitse bezetter (de Duitsers wilden van Arnhem een verdedigingslinie maken tegen aanvallen van de geallieerden) naar de Veluwe. Els en haar familie vinden onderdak op de boerderij met de naam Herikhuizen, bij de warme boerenfamilie Braakman. Daar voelt de dan 10-jarige Els zich voor het eerst in haar leven gelukkig, ondanks de harde werkelijkheid van de Hongerwinter en de spanningen van de oorlog. Later schrijft ze over die gelukkige tijd op de boerderij in het semi-autobiografische De kinderen van het achtste woud. Na de oorlog scheiden haar ouders. Haar vader hertrouwt en krijgt nog een zoon, haar halfbroer Herman.

Els trouwt in 1955 op 21-jarige leeftijd met beeldhouwer Karl Pelgrom. Ze wonen aanvankelijk in Amsterdam met hun twee jonge kinderen, maar in 1962 trekken ze, Pelgrom is dan hoogzwanger van hun derde kind, richting de kunstenaarsbroedplaats in Finsterwolde, in Oost-Groningen, waar de eigenzinnige boer en galeriehouder Albert Waalkens jonge avant-gardistische kunstenaars uit heel Nederland (de latere top van de Nederlandse kunstwereld) uitnodigt om te wonen, te werken en te exposeren. De herenboerderij in Beerta waar ze wonen is van buiten schitterend, maar van binnen koud, vochtig en verzakt. De waterleiding is bevroren, ze halen water uit de kelder bij de hoofdkraan, er staat een poepdoos in de schuur.

Terwijl Karl bezig is met zijn kunst, runt Els het huishouden tussen de klompen en de klei. Ze heeft meerdere banen, ze staat voor de klas en ze schrijft voor een krant. Haar droom is een kinderboek te schrijven, maar tijd daarvoor krijgt ze niet. Op haar 40ste besluit ze dan toch ruimte op te eisen, en schrijft ze De kinderen van het achtste woud in één ruk. ‘Ik dacht echt, als ik later doodga, dan vervloek ik mezelf dat ik het zelfs nooit heb geprobeerd’, vertelt Pelgrom. Nog voor publicatie van het boek dat haar grote doorbraak zal betekenen, zegt Karl in 1975 te willen scheiden.

In haar dagboeken Alles gebeurt blikt Pelgrom terug op haar kunstenaarshuwelijk met Karl in de commune in Finsterwolde. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Karl verdiende indertijd evenveel geld als ik. Hij met anderhalve dag lesgeven op de academie (Minerva, Karl gaf het vak omgevingskunst, red.), ik met de hele week voor de klas staan op een dorpsschool. Hij zat soms een hele morgen met drie jongens te praten over de maatschappij, of over holle en bolle vormen, existentialisme en situationisme. Ik moest aan 34 kinderen van 6 jaar leren lezen, schrijven en rekenen. Sommige hadden nog nooit een potlood in hun hand gehad, spraken en verstonden alleen dialect, hadden nog nooit een boek gezien. Maar thuis mocht ik daar niet over praten.’

Wat zei uw man dan?

‘Hij zei: je kunt toch niet verwachten dat het mij interesseert hoe jij die kinderen leert lezen? Hij vond het niet interessant, maar ik wel. Want: hoe leer je een dyslectisch kind lezen? Ik moest dat zelf uitvinden. Daar was in die tijd niet veel over bekend, alleen hoogleraar Wilhelmina Bladergroen deed er onderzoek naar.

‘In die tijd zaten die kinderen echt op de achterste rij in de klas. Die moesten de boodschapjes doen, sigaretten halen voor de meester, maar niemand probeerde ze iets te leren.’

Hoe deed u dat dan?

‘Je moet die kinderen apart leesles geven, je moet ze trainen want ze hebben een andere manier van waarnemen. Een woord als ‘geeft’ of ‘leeft’ lijkt makkelijk, maar is voor die kinderen lastig vanwege die lus die bij een handgeschreven f hoort. Een woord als ‘absoluut’ is dan weer makkelijk voor ze. Het zijn vaak creatieve en intelligente kinderen, dat was toen nog niet zo bekend, dat heeft Bladergroen aangekaart.’

Uw schrijversschap kwam pas tot bloei na de scheiding van Karl.

‘Ja maar die scheiding was geen opluchting, hoor. Het was een groot verdriet. Ik vond het een mislukking van mezelf. We waren meer dan twintig jaar samen. En voor de kinderen was het ook naar.’

U was al gescheiden, maar u bent gaan publiceren onder de achternaam van uw ex-man, Pelgrom. Waarom?

‘Mijn vader Herman wilde niet dat ik onder mijn eigen naam, Else Koch, zou gaan schrijven. Hij schreef namelijk zelf ook kinderboeken. Hij was bang dat mensen ons door elkaar zouden halen. Logisch toch?’

In Else komt naar voren dat uw vader ook een beetje jaloers op uw schrijven was.

‘Vind je dat?’

Ja.

‘Dat denk ik niet hoor. Hij had een behoorlijke dunk van zichzelf. Maar hij heeft toentertijd wel zoiets gezegd: ik ben bang dat ik me voor je moet schamen. Dat vond ik heel erg. Maar toen had hij nog niets van me gelezen. Later heeft hij gezegd dat ik goed kon schrijven. Beter dan hij. We spraken er eigenlijk nooit over. Het lag wat gevoelig.

‘Maar ook mijn uitgever wilde liever niet dat ik onder de naam Else Koch zou publiceren. Het was veel te Duits. Het riep bovendien associaties op met Ilse Koch, een gruwelijke vrouw uit de Tweede Wereldoorlog die bekendstond als de ‘heks van Buchenwald’. Als kind werd ik op school met haar naam gepest.

‘Dus heb ik aan mijn ex-man gevraagd of hij er bezwaar tegen had als ik publiceerde onder zijn achternaam. Dat had hij niet. En uiteindelijk is Pelgrom een goede kunstenaarsnaam. We hebben er allemaal plezier van.’ Kijkt naar haar dochter Judith. ‘Dat is toch zo?’ Judith knikt.

De kinderen van het achtste woud wordt een groot succes en verkoopt ook in Duitsland goed, Pelgrom krijgt er haar eerste Gouden Griffel voor. Ze wordt omarmd door de literaire kinderboekenwereld. En ook Kleine Sofie en Lange Wapper, over een ernstig ziek meisje, wordt bekroond met een Gouden Griffel én een Gouden Penseel voor de illustraties van Thé Tjong-Khing. In een paar jaar tijd wordt Pelgrom een van de belangrijkste kinderboekenschrijvers van Nederland.

Maar op persoonlijk vlak is ze zoekende. Daarom besluit ze in 1985 op reis te gaan. Alleen, voor het avontuur. Hier beginnen haar onlangs gepubliceerde dagboeken.

In 1985 liep u een bar in de volkswijk Sacromonte binnen. U zag daar een man staan en het was liefde op het eerste gezicht?

‘Ja! Ik was er helemaal niet naar op zoek. Maar ik zag Salvador daar staan en ik dacht: dat dit mij nu in Granada moet gebeuren, zo ver van huis, hoe moet dat? Dat was mijn eerste gedachte. Het was een soort van fatalisme; waarom gebeurt het mij hier? Waarom niet een toffe gozer in de Jordaan?’

U schrijft in uw dagboek over die ontmoeting: ‘Ik ben misschien vijf minuten verliefd op Salvador geweest. Daarna hield ik al van hem.’

‘Ja.’

Ook bijzonder, want jullie hadden heel verschillende levens. Hij was analfabeet, u won Gouden Griffels voor uw boeken.

‘Hij kon wel een beetje lezen en schrijven, hij was als kind van school gehaald, maar hij had later nog wel wat ingehaald met avondscholen. Maar hij was geen intellectueel, nee.’

Jullie waren dol op elkaar, lezen we in Alles gebeurt. Wat bond jullie zo?

‘Het klikte, maar die chemie kun je niet uitleggen. En ik vertrouw op mijn intuïtie, ik wist dat hij een goede man was. Ik sprak nog geen Spaans dus we communiceerden in het begin in koeterwaals-Spaans, en hij sprak wat Frans.’

Er was veel armoede in die tijd in Sacromonte. U beschrijft Salvadors nichtje dat in luiers van vodden rondloopt.

‘Ja, dat babytje werd in haar eerste jaar grootgebracht door Salvadors moeder; ze liep met een lap en een touwtje om haar buikje. Het was heel arm. Nederland was een luxeparadijs vergeleken bij hoe de mensen daar leefden.’

U liet zich daar niet door afschrikken. U trok vrij snel in bij Salvador, later ook in zijn familiegrotwoning. Dacht u nooit, waar ben ik beland?

‘Het was een ander soort leven, ja. In de Bijlmer wordt ook anders geleefd dan in het centrum. Maar het was inderdaad geen leven volgens de Nederlandse burgerlijke standaard. Ik vond het een verademing. Er was een groot verschil tussen arme en rijke mensen, maar ze gingen als gelijken met elkaar om. In Spanje hebben de mensen sowieso andere maatstaven.’

Kunt u dat uitleggen?

‘Als je in die tijd bijvoorbeeld in de trein zat, boden alle medepassagiers in de coupé hun eten aan. Zo van: ‘Wilt u ook iets eten?’ Iedereen antwoordde: ‘Nee dank u wel.’ Maar je hoorde het wel aan te bieden. Dat is een prachtige gewoonte. Dat had nog te maken met de hongersnood in Zuid-Spanje tijdens de Franco-dictatuur.’

U stortte zich in het Spaanse leven en stak ook de handen uit de mouwen, u hielp mee met het bouwen van jullie huis.

‘Nou, ik moest alleen de emmertjes cement naar boven dragen. Ik kan niet metselen, ik was Salvadors assistent.

‘Vroeger waren het alleen grotten waar de mensen in Sacromonte in woonden, maar later had iedereen, toen er meer geld was, er huizen aangebouwd. Salvador had dat al gedaan voor zijn moeder, broers en zussen. Later heeft hij er nog twee slaapkamers bovenop gebouwd, en beneden een woonkamer, badkamer en keukentje. Daar zijn wij ingetrokken.

‘Het was niet altijd makkelijk om zo dicht met familie samen te wonen. Maar dat is in alle families.

‘Ik voelde me soms een antropoloog. Omdat de mensen mij vertrouwden en accepteerden als een van hen. Ik kwam dingen te weten die andere buitenstaanders niet wisten. De enige manier dat je zo diep kunt doordringen in een andere gemeenschap is als je met een man samenleeft, je hoort dan bij de familie.’

U schreef intussen vanuit Spanje uw boeken en ook stukjes voor NRC Handelsblad. Begrepen de mensen in Sacromonte wat u deed?

‘Nee, ze hadden geen idee, niemand las daar een boek. Een paar mensen lazen de krant. Ik vond dat wel prettig, er viel een last van me af, van het zijn van die bekende schrijver. Het gaf me vrijheid.’

U verwerkte de straatarme jeugd van Salvador, die opgroeide in de jaren na de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), in uw boek De eikelvreters, u ontving er uw derde Gouden Griffel voor. Het eerste hoofdstuk las u aan hem voor, wat vond hij ervan?

‘Nee, het was maar één bladzij! Hij luisterde en zei: ‘Je kunt het en je begrijpt hoe het is geweest. Het zal verder ook goed zijn.’ Ik moest het natuurlijk uit het Nederlands vertalen, dus ik las het waarschijnlijk nogal hakkelig aan hem voor.’

In uw dagboeken schrijft u dat u soms bang bent Salvadors leven te verstoren met uw geld.

‘Naar zijn familie deed ik me soms een beetje armer voor. Hij had een jaloerse zus die in haar hoofd had gehaald dat ik miljonair was. Maar in de relatie met Salvador was geld of de financiële ongelijkheid geen probleem. Hij was niet bij me voor het geld. Hij was verstandig en intelligent. Hij was geliefd in de buurt. En ook mijn familie was erg op hem gesteld.’

Van uw halfbroer Herman begreep ik dat Salvador door iedereen werd gewaardeerd. Maar een ander deel van zijn familie had een minder goede naam, schrijft u in uw dagboeken.

‘Zijn vader en broers waren alcoholisten. En zijn zussen waren moeilijke vrouwen.’ Grijnzend: ‘Maar die heb je overal.’

Zo af en toe ging u terug naar Nederland, u moest bijvoorbeeld literaire prijzen in ontvangst nemen. Begrepen mensen in Nederland iets van uw Spaanse leven?

‘De een wel en de ander niet. Dat kon me ook geen reet schelen. Mijn kinderen vonden het oké dat ik daar woonde. Dat is toch het enige dat belangrijk is?’

Maar wat maakte nou dat u dat harde Spaanse leven zo prettig vond?

‘Ik heb me mijn hele leven meer thuis gevoeld tussen boeren en arbeiders dan tussen intellectuelen. Dat komt door mijn jeugd op de boerderij in de oorlog. Mijn ouders waren halve intellectuelen, niet echt, maar wel half. Maar bij de mensen op de boerderij voelde ik me als kind meer thuis.’

‘Ik heb altijd terugverlangd naar dat leven. En dat heb ik toch een beetje teruggevonden in Sacromonte. Dat jeugdideaal.

‘We hadden daar een flink stuk land met olijfbomen en we kweekten onze eigen groenten. Daar werkten Salvador en ik samen op.’

Ze zijn dus gelukkig. Maar dan slaat het noodlot toe. Salvador stort tijdens het ploegen in een ravijn. Zijn longen lopen blijvende schade op. En dan blijkt hij in 1993 ook nog eens een hersentumor te hebben. Een zware periode van zorg volgt. Vijf dagen voor zijn dood gaat Salvador nog stemmen, hij kan bijna niet meer lopen, maar hij ziet het als kind van de Spaanse burgeroorlog als zijn democratische plicht. Op 11 juni 1993 overlijdt hij, 57 jaar oud, in het ziekenhuis. Pelgrom is intens verdrietig.

‘Onze liefde heeft alles bij elkaar niet lang geduurd. We hebben ook moeilijke jaren gehad, met veel zorg. En daarna had ik een zware periode van rouw. De dood van een partner is vreselijk. Ik leef nu prettig en goed, maar zijn dood blijft een litteken.’

Na Salvadors overlijden bleef u in eerste instantie in jullie grotwoning tussen zijn familie wonen. Waarom?

‘Dat sprak vanzelf. Ik voelde me daar meer thuis dan in Amsterdam. Ik vond Amsterdam echt belachelijk.’

Wat dan?

Lachend: ‘Nou, dat hotemetotengedoe. En zeker in de Amsterdamse kunst- en de boekenwereld hadden ze het hokjesdenken wel uitgevonden. Ik vond het benauwend. Ik heb daar overigens geen last meer van hoor, ik ben nu gewoon een oude vrouw.’

Toch keren Salvadors broer en zus zich tegen u. Zij willen het deel van de grotwoning waar u samen met Salvador woonde, terughebben. Begreep u dat?

‘Het was moeilijk. Maar ik begreep het wel. We waren ook verschillend. Salvador kon dat accepteren, maar zij niet.’

Het werd soms dreigend, blijkt uit uw dagboeken. Hoe kijkt u daarop terug?

‘Salvadors broer Miguel bonkte soms ’s nachts, als hij had gedronken, hard op de deur. Gelukkig had Salvador voorzien dat als hij er niet meer zou zijn, het geen veilige plek voor mij was. Of hij nou aan zijn familie heeft gedacht of aan anderen, dat weet ik niet, maar hij had voor de ramen goede tralies gemaakt. En een stalen voordeur met grendels aan de binnenkant.

‘Maar het was soms inderdaad akelig. Miguel had een vriend die hem vreselijk kon opjutten, ik hoorde ze ’s nachts schreeuwen dat ik het huis moest teruggeven. Dan zat ik op het randje van mijn bed te trillen. Maar de volgende dag stond er een bordje vijgen voor de deur, dan wilde hij het weer goedmaken.’

Uiteindelijk bent u wel vertrokken?

‘Ja, ik was toch een buitenlander, er golden oude tradities. Dat huis was officieel van de abdij. Salvadors familie had toestemming daar te wonen vanwege hun harde werk voor de kerk. Toen ik er woonde, werd het te koop aangeboden aan andere mensen in die omstandigheden. Maar niet aan mij, ik bleef een buitenstaander. Dat begreep ik wel, het zijn oude tradities, al die families waren generatie op generatie met die abdij verbonden.

‘Ik zit wel erg op mijn praatstoel’, zegt Pelgrom. ‘Wacht, ik wil even wat vragen aan mijn dochter.’ Ze richt zich tot Judith die ook aan tafel zit. ‘Doe ik het wel goed? Je zegt niets.’ Judith lacht: ‘Ja, het gaat heel goed. Ik zeg niets omdat we dat van tevoren hebben afgesproken.’

Pelgrom woont, nadat ze Sacromonte en Salvadors familie definitief had verlaten, eerst in Nederland en daarna nog zeven jaar in Portugal. Maar aarden zoals in Sacromonte lukt haar daar niet. Ze keert in 2005 definitief terug naar Nederland.

Maar was ze voor vertrek naar het buitenland nog een gevierd kinderboekenschrijver, bij terugkomst ligt dat anders. Werden haar boeken eerder besproken als toonbeeld van goede kinderboekenliteratuur, nu worden ze bestempeld als ‘te literair’ en zelfs ‘elitair’.

De algehele teneur: leuk die volwassenen die in Griffel-jury’s bepalen wat goede kinderboeken zijn, maar kinderen doe je er geen plezier mee, die komen er niet doorheen en zetten de boeken ongelezen terug in de kast.

Het is de aloude controverse die tot op de dag van vandaag voortsleept: draait het om leesbevordering of literaire kwaliteit? Gaat het er alleen om dát kinderen lezen, of ook om wát ze lezen?

Hoe dan ook: Pelgroms boeken krijgen het stempel: niet lekker, niet spannend, te moeilijk.

Wat vindt u van die kritiek dat uw boeken te literair zouden zijn?

‘Daar heb ik geen commentaar op. Ik weet niet wat ze bedoelen. En ik weet ook niet wat ik daarop moet zeggen. Misschien schrijf ik goed. Hallo, mag het? En wat is dan literair? Dat ik weleens de lucht beschrijf? Want dat bedoelen ze, geloof ik.

‘Mijn boeken zijn misschien niet makkelijk. Maar ze zijn ook niet voor iedereen. Pietje Bell is ook niet voor iedereen. Ieder kind is anders, ieder kind heeft zin in een ander boek. Er zijn verschillende categorieën. Ik schrijf voor echte leeskinderen. Voor mijn boeken is ook een publiek. Dan heeft het dus recht van bestaan.’

U heeft altijd gezegd dat u schreef voor het kind dat u ooit was?

‘Ja, ik heb de boeken geschreven die ik zelf als kind had willen lezen.’

Maar De eikelvreters vond u zelf toch ook meer voor volwassenen?

‘Nee, voor alle leeftijden. Zoals bijvoorbeeld De geheime tuin, Alice in Wonderland en Robinson Crusoe ook voor alle leeftijden zijn. Dat kan ook.

‘En soms worden boeken voor volwassenen geschreven die uiteindelijk als kinderboek eindigen. Dat gebeurde vroeger ook veel. Zoals die van Dickens en Mary Shelley over het monster van Frankenstein.

‘Wij zijn in Nederland zo doorgeslagen in het hokjesdenken. Kinderen zijn niet allemaal hetzelfde. De een houdt van dit, de ander van dat. Dat mag toch?’

Eind jaren tachtig kwamen de kinderjury’s...

‘Jaja, en toen werden mijn boeken door kinderen onderaan gezet. Dat weet ik wel. Maar dat geeft helemaal niet.

‘Ik vind een Griffeljury ook niks zeggen. Dat zijn de zogenaamde deskundigen. Maar wie is er nou deskundig?’

Maar u was wel blij met die Griffels toch?

‘Natuurlijk, het is goed voor je verkoop en voor je naam. Maar het heeft later ook wel voor jaloezie van andere kinderboekenschrijvers gezorgd. Dat voelde ik wel. Met Paul Biegel en Rita Törnqvist-Verschuur voelde ik wel verwantschap. Maar er was veel kinnesinne in die wereld. Het was soms net een kookwedstrijd.

‘Je mag in Nederland niet met je kop boven het maaiveld uit. Alles en iedereen moet gelijk zijn. Dat is de hele maatschappij. Ik vind het afgrijselijk, vroeger waren mensen trots op mensen die wat speciaals konden. Maar nu ben je snel ijdel of verwaand of ik weet niet wat allemaal.’

Wat vindt u van de ontlezing? Kinderen lezen steeds minder vaak en minder goed.

‘Dat kinderen steeds minder lezen, heb ik vanaf mijn jeugd al moeten horen. Is het dus wel waar, denk ik dan.’

U gelooft niet dat het leesniveau van kinderen achteruit gaat?

‘Het is iets van altijd. Onderwijzers willen dat ze niets te doen hebben, dat kinderen vanzelf lezen. Maar dat kan niet. Als de ouders en leraren niet voorlezen, gaan de kinderen niet lezen. Toen ik jong was, werd er alleen het laatste half uur op zaterdagmorgen in de klas voorgelezen. Dat was het enige moment. Maar gelukkig lazen mijn ouders voor. Op zaterdagavond mochten we langer opblijven, mijn moeder las dan uit de kinderbijbel, mijn vader las een spannend verhaal. Daardoor ben ik een lezer geworden. Maar niet door de school. Het is alleen door het voorlezen van mijn ouders gekomen.’

Uw jeugd was niet fijn, maar dat voorlezen hebben uw ouders dan toch goed gedaan?

‘Zeker. Maar ik ben meer en meer gaan beseffen dat ik een oorlogskind ben, dat hakt er heel diep in, veel dieper dan je zelf beseft. Dat moet ook voor mijn ouders hebben gegolden. Ik voel de oorlog nog altijd. Ik kan niets zien op de televisie of lezen over oorlogen. Of het nou in Syrië is of in Congo, ik voel het heel heftig. Ik denk dan aan kinderen en aan gewone mensen. Wat zij meemaken. En dat is altijd even gruwelijk. Dat blijft. Dat raak je niet kwijt.’

U heeft veel meegemaakt.

‘Het leven is vaak heel ellendig en het is heel prachtig. Het is allebei.’

Inmiddels woont u elf jaar in uw appartement in het centrum van Amsterdam. Hoe is dat voor iemand die zoveel heeft gereisd en buiten Nederland heeft gewoond?

‘Ik heb alles bij elkaar het langst in Amsterdam gewoond. Ik ben blij dicht in de buurt van mijn kinderen en kleinkinderen te zijn.’ Grappend: ‘Ik vind Nederland niet leuk, maar daar heb ik in mijn eigen appartement geen last van.’

Weten de mensen hier, in het seniorencomplex, dat u Els Pelgrom de kinderboekenschrijver bent?

Lachend: ‘Nee, bij het naambordje bij de bel staat E. Koch. Ze hebben geen idee!’

Dagboeken Privé-domein: Alles gebeurt - De Spaanse jaren 1985-1994, De Arbeiderspers; 324 pagina’s; € 27,99

Sanne van Heijst: Else - Het eigenwijze leven van een kinderboekenschrijfster; Atlas Contact; 408 pagina’s; € 29,99

2 april 1934: Geboren in Arnhem als Else Koch.

Boeken (een selectie)
1977 De kinderen van het achtste woud (Gouden Griffel).
1980 Drie Japies.
1981 Lady Africa en nog een paar.
1982 Umsonst geht nur die Sonne auf (Zilveren Griffel).
1982 Het verloren paspoort.
1984 Kleine Sofie en Lange Wapper (Gouden Griffel en Duitse Jeugdliteratuurprijs) samen met illustrator Thé Tjong Khing.
1985 De olifantsberg.
1986 De straat waar niets gebeurt.
1987 Het onbegonnen feest (Zilveren Griffel).
1988 De man van hout.
1989 De eikelvreters (Gouden Griffel).
1994 Hij heet broek.
1995 Bombaaj! (Kinderboekenweekgeschenk).
1998 De zee en het land.
2000 Het loterijbriefje.
2000 Mijn flamencojurk.
2006 Helden.
2007 Donder en bliksem.
2022 Het levende hoofd.
2026 Else, biografie over het leven van Pelgrom geschreven door Sanne van Heijst.
2026 Dagboeken Privé-domein: Alles gebeurt

Pelgrom heeft drie kinderen en drie kleinkinderen.

Dagboeken Privé-domein: Alles gebeurt - De Spaanse jaren 1985-1994, De Arbeiderspers; 324 pagina’s; € 27,99

Sanne van Heijst: Else - Het eigenwijze leven van een kinderboekenschrijfster; Atlas Contact; 408 pagina’s; € 29,99

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next