Net als veel andere gen Z’ers verlangt verslaggever Miluska van Rompu (1999) naar een wereld van vlak voordat iedereen altijd online was: de jaren 2000. Waar komt die hang naar het verleden onder nota bene progressieve jongeren toch vandaan? ‘Niet alles was vroeger beter, maar technologie misschien wel.’
schrijft voor de Volkskrant over jongerencultuur.
‘Weet je nog toen plezier zo simpel was?’ En: ‘Zou je je telefoon wegdoen voor een weekend terug in de tijd?’ De korrelige, hoogverzadigde promotiefilmpjes van Kamp Hadza druipen van de nostalgie. Ze moeten de kijker verleiden om mee te gaan op een telefoonloos zomerkamp voor volwassenen. ‘Terug’ naar een tijd waarin het gras – als je deze filmpjes mag geloven: letterlijk – groener was.
A post shared by Kamp Hadza (@kamp_hadza)
Nee, dit kamp is niet gelieerd aan Forum voor Democratie of een andere radicaal-rechtse beweging. Dit zijn linkse jongeren die verlangen naar een geïdealiseerd verleden. En eerlijk gezegd: het pakt me.
Noem het infantiel: ik (geboren in 1999) kleed me de laatste jaren weer net als toen ik 8 was. Ik maak foto’s met dezelfde Canon, luister muziek op dezelfde paarse, knijpervormige iPod Shuffle en game op een glimmend turquoise PlayStation Portable, allemaal uit 2008 en opgesnord uit de kast bij mijn moeder thuis. In mijn oor hangt een ‘M’ van diamantjes, teruggevonden in een doosje tussen mijn melktanden.
Veel generatiegenoten overladen zich al net zo gretig met de hysterische glitterbrij die de zeroes voor ons representeert. Zie de vele tanddiamantjes, bontgekleurde haren, lage broeken, verwassen petten, knuffeldieren aan tassen en acrylnagels. De terugkomst van digicams, camcorders, cd’s, discmans, flipphones en bedrade oortjes. Of de hashtag ‘y2k’ (year two thousand) op TikTok met 5,3 miljoen berichten, waarin jongeren kleding- en make-uptips delen.
Deels is de heropleving van y2k, nu zo’n zes jaar gaande, natuurlijk te verklaren door de aan-natuurwet-grenzende theorie dat stijlen na twintig jaar terugkomen onder het mom ‘retro’. De tieners van toen ontwerpen nu kleding in die stijl, de kleuters van toen slikken het als zoete koek.
Het is gemakkelijk om een tijd te verheerlijken waarin je kind was. Dat ik het geweldig vind om de laatste jaren weer een grote zwembroek met hawaïbloemen te dragen, zit ’m denk ik in de herinnering aan genderloze zomers die je alleen als kind kunt beleven. Was ik in 2006 niet 7 maar 17, dan had ik vast vooral het extreem dunne lichaamsideaal onthouden. 9/11, het daaropvolgende racisme, de war on terror en de financiële crisis hebben het y2k-moodboard überhaupt niet gehaald.
Toch is zo’n heropleving geen ondubbelzinnige romantisering van een periode, schrijft de Amerikaanse academicus Elizabeth Guffey in Retro: The Culture of Revival (2006). Het is een vorm van ironische herwaardering die ze ‘onsentimentele nostalgie’ doopte: mensen flirten wel met het verleden, maar willen daar niet daadwerkelijk naar terug. Ze dragen de meest kenmerkende stijlen uit een bepaalde tijd juist omdat die nu als kitsch, camp of oerlelijk worden gezien.
Maar bij deze niet-aflatende revival vraag ik me af hoe onsentimenteel die is. Door de meme-ificering van ons hele leven, inclusief uitingen van pijn en gemis, is vrijwel alles bij mijn generatie bedekt met een laag zelfbewuste ironie. Zelfs in een gesprek over een net verbroken relatie of ontslag op je werk verwijzen we nog naar treffende beschrijvingen uit de internetcultuur. Het is ironisch én gemeend.
De overdreven idyllische animaties van begin deze eeuw worden bijvoorbeeld gebruikt om het contrast met de volwassen werkelijkheid te schetsen. Op een dromerig plaatje van de Winx Club-feeën (uit de Nickelodeon-serie die liep vanaf 2004): ‘Me and the girls in rehab.’
In de filmpjes van Kamp Hadza zit überhaupt geen zelfspot als het om nostalgie gaat. Uit Amerikaans onderzoek blijkt bovendien dat 60 procent van de volwassen gen Z’ers terug wil naar de periode vóór iedereen continu verbonden was met het internet.
Komt mijn nostalgie daarvandaan, zo van: vroeger was niet alles beter, maar technologie wel? Ik ga op kamp, om erop te reflecteren met mijn medenostalgici.
***
Het is een regenachtige vrijdagmiddag, eind augustus. Je zou haast denken dat de twintigers in het Ommense bos een crystal-methlab runnen, zoals ze bedekt met isolatiepakken, handschoenen, maskers en brillen op het kampeerveldje staan. Maar de organisatoren van het zomerkamp weren zich tegen een gevaar dat wij, de deelnemers, met ons meebrengen: smartphones.
Mijn tassen leg ik ter controle op het smalle Perzische tapijt dat voor lopende band speelt. Aan de andere kant van de picknicktafel trekt een onherkenbare witte gedaante het kleed naar zich toe, zodat mijn tassen onder het detectiepoortje van aluminiumfolie door schuiven. ‘Wiewiewiewiewie’, doet de gedaante. ‘Tech gedetecteerd!!!’
De tas komt terug mijn kant op en ik haal m’n iPhone eruit. Als een rat bij zijn staart neemt de andere witte gedaante het apparaat van me aan en stopt ’m in een glazen kluis. Ontdaan van het ding mag ik doorlopen, naar de post met koekjes en limonade. Daar moet ik mijn ‘kampnaam’ opgeven, waarmee we elkaar het hele weekend zullen aanspreken. Mijn roepnaam is Moes; zo kom ik op Appel.
Als alle twintig deelnemers door de ‘techcheck’ zijn, opent initiatiefnemer Daan Brinkman (26), hier ‘Diesel’, het kamp. ‘Lieve mensen, welkom bij Kamp Hadza. Eindelijk niet meer doomscrollen tot 2 uur ’s nachts, geen notificaties meer in je zak. Alleen spelletjes spelen, liedjes zingen en plezier maken – net als vroeger.’
We begeven ons naar de centrale tipi voor een namenrondje. Er zijn onder meer Leeuwtje 1 en Leeuwtje 2 – beide geboren in augustus –, Dinges, Gele Grasspriet en Jumbo (‘ik houd gewoon van die supermarkt’). Na vele rondjes krantenmeppertje ken ik alle namen.
De helft bestaat uit dertigers, veertigers en een enkele vijftiger. Het zijn veelal van die eeuwige, uit de kluiten gewassen kinderen, zoals Tinkerbell (shirt met aliens) die buitenspelen als sport beoefent, Onkiedonkie (spijkeroverall) die werkt bij een natuur-bso en Pindarotsje (vest met pastelkleurige diertjes erop) die haar basisschoolkamp komt inhalen omdat ze destijds weg moest voor een ziekenhuisbezoek.
De andere helft bestaat uit twintigers, die rustiger zijn en veel vaker het telefoonloze aspect van dit kamp noemen als belangrijke reden om te komen.
Niet zo gek: in Nederland besteedt gen Z (1997-2012) volgens onderzoeksbureau Ruigrok gemiddeld 3,4 uur per dag aan sociale media en zegt die generatie daar het vaakst minder gelukkig (23 procent) en onzeker (37 procent) van te worden.
Ruim de helft wil minder tijd op de telefoon doorbrengen en probeert dat te bereiken met tijdslimieten (20 procent), door notificaties uit te schakelen (43 procent) of verslavende apps te verwijderen (36 procent). 56 procent gaat weleens bewust een periode offline en een klein groepje doet z’n smartphone helemaal in de ban.
Oprichter Diesel loopt vooraan in die beweging en verruilde acht jaar geleden zijn iPhone voor een Nokia. Kamp Hadza, waarmee hij telefoonloze spelletjesavonden, buitenspeeldagen en deze zomer vier kampen organiseert, kwam daar twee jaar geleden uit voort. ‘Ik vond op zomerkamp gaan vroeger het aller-, allerleukste wat er was en miste dat vanaf mijn puberteit.’
In zijn leven zonder smartphone was het ineens heel logisch om dan maar zelf een kamp te organiseren, compleet met Twister, Levend Stratego, Nerf-pistooltjes, T-shirts beschilderen en voor het eten ‘Dat zal lekker smaken’ zingen.
Ik bespeur daarin dezelfde verkleving van telefoonloosheid en kindertijd die ik zelf ervaar. Het moment dat ik mijn eerste smartphone kreeg, in de brugklas, viel samen met het einde van buitenspelen, het begin van schoolstress en puberale onzekerheid. Alsof die telefoon de hel der volwassenheid in gang zette en je dat kunt terugdraaien door ’m weg te doen.
Gooi je telefoon uit het raam en je teleporteert jezelf naar een boshuisje vol bordspellen en cd’s, waar je niets hoeft en de regen tegen de ramen tikt – dat gevoel. Op TikTok zijn video’s met het opschrift ‘Life when I’m offline’ zonder uitzondering opgenomen in de bergen – alsof onze ouders vóór 1995 niet de hele dag onder een systeemplafond zaten te zwoegen.
Maar er zit iets in, natuurlijk: jongeren werken meer dan ooit en doen dat veel vaker digitaal. ‘Ik wilde gewoon even weg van het leven’, zegt Leeuwtje 1 (24) als ik vraag waarom ze hier is. ‘Naar buiten.’ Ze haat haar kantoorbaan en heeft die opgezegd, maar moet het nog twee maanden uitzitten. Daarna wil ze een carrière als muzikant opbouwen, zegt ze. ‘Onthoud mijn naam goed, als ik straks doorbreek, kennen jullie mij!’
Nog zo’n veelgehoorde tegenstelling, naast schermen versus natuur: schermen versus creativiteit en hobby’s. De tipi waarin we samenkomen, puilt uit van de bordspellen, tekenspullen, collagematerialen, boeken, sudoku’s, typemachines en analoge foto’s. Het is de TikTok-versie van een zomerkamp uit vroegere tijden, gek genoeg: offline gaan is een onlinetrend.
Luis (23), die het hele weekend rondloopt in een metallic legging, blauw jurkje en vlindervleugels om haar schouders, leert zichzelf sinds kort piano spelen. ‘Daar was ik nooit mee begonnen als ik nog een smartphone had.’ Offline gaan is bij haar een nogal uit de hand gelopen hobby, zegt ze, met als laatste overwinning haar vertrek bij Spotify. Ze luistert muziek op een discman en huurt dvd’s bij de bieb.
Zeker het laatste jaar zijn posts met ‘tien hobby’s/boeken om aan te beginnen in plaats van doomscrollen’ niet weg te slaan uit mijn feed. Die 3,4 uur per dag op je telefoon kun je betekenisvoller spenderen, is de consensus. ‘Weet je nog die ene middag op je telefoon? Wij ook niet’, staat bij een filmpje met levend stratego-spelende deelnemers van Kamp Hadza.
Maar het interessante is dat dat niet leidt tot een totale afkeer van technologie – integendeel. Oude hardware oprakelen of je eigen website bouwen past prima binnen de hobbycultus.
Luis smult van ‘die lekker kneuterige technologie’, van ‘net voordat het naar werd’. ‘Zo’n computerkast die er een half uur over deed om op te starten en dat je daar dan om de beurt op mocht. Of de Wii met al die draadjes en dat maar één iemand in huis wist hoe je die moest opstarten. Het was iets dat je samen deed.’
‘Ik vind het jammer dat het enige contact met mensen nu vaak online is’, zegt Leeuwtje 2, zelfverklaard telefoonverslaafde die vlak voor het avondeten een sok zit te breien, graag gamet op een Nintendo Switch en vorige zomer een glimmendroze point-and-shoot-camera bij haar ouders van zolder haalde.
Ze veert op als ik mijn dictafoon naast haar op tafel leg. ‘Wow, cool!’ Het ziet eruit als een kleine afstandsbediening en de witte achterkant is een beetje parelmoer. Ik had nog nooit zo’n ding in het echt gezien en maakte ook een sprongetje toen ik ‘m speciaal voor dit weekend bij mijn vader ophaalde. In de auto hiernaartoe waande ik me een detective.
‘Technologie is gewoon niet geschikt voor sociale dingen’, besluit Leeuwtje 2. Ze kijkt eindeloos naar de serie Gilmore Girls (2000) en verlangt naar de manier waarop mensen daarin met elkaar omgaan, zonder sociale media. Dinges (29), die een camcorder mee heeft op kamp, zegt: ‘Hoe fijn was het dat je vroeger gewoon tegen elkaar zei: ‘Ik zie je morgen om 4 uur bij de ijssalon’?’
***
‘Dat is toch van Eric Clapton?!’ Gele Grasspriet steigert van verbazing: op de uitdraai met liedteksten die hij heeft gekregen staat bovenaan: Knockin’ on Heaven’s Door – Bob Dylan. ‘Had ik nu maar mijn telefoon!’ Hij schudt zijn hand alsof die pijn doet van het afkicken. Maar hij laat zich uiteindelijk zonder Google overtuigen en zingt mee met Dylans origineel.
Het is zo’n moment dat hij anders totaal onnodig zijn telefoon had gepakt, om erdoor opgezogen te worden terwijl het zingen zonder hem doorgaat. En dit gebeurt váák in zo’n weekend.
Volgens mij draait mijn hang naar y2k uiteindelijk om dit soort barrières, tussen uit en thuis, on- en offline, mijn eigen playlist en alle muziek ooit.
Net als kleding en interieur is technologie deze eeuw almaar kleurlozer, gladder en minimalistischer geworden. Niet te vergeten: kleiner en draagbaarder. Als het aan Elon Musk met zijn Neuralink ligt, lost technologie straks als pfas op in ons bestaan, met het blote oog niet meer te onderscheiden van het organische.
Grove, kleurrijke hardware is een verzet daartegen. Door apparaten niet in je broekzak of oren te laten verdwijnen, maar als een blinkende handicap met je mee te dragen. Het is een poging om tech weer te markeren, een glittermembraan op te werpen tussen onszelf en onze technologie. Wil je ergens grip op krijgen, dan moet het textuur hebben.
A post shared by 2000s Anxiety (@2000sanxiety)
‘Ik wil gewoon een mens blijven’, zegt Luis als ik vraag wat ze zo fijn vindt aan technologie ter grootte van een koelkast. ‘Een rekenmachine pakken omdat ik iets wil uitrekenen. Een camera omdat ik een foto wil maken. En dat ik dan niet in plaats daarvan op Instagram eindig.’ Ze wil zich af en toe best verliezen in een serie (ook al Gilmore Girls), maar wel de moeite moeten doen om de dvd te verwisselen als ze per se verder wil kijken. Allemaal kleine barrières.
Online ondertussen komen ontwerpstijlen op als cybercore, trashcore en glitch art, die met schijnbaar haperende collages benadrukken dat je je in de digitale wereld bevindt. Er verschijnen nieuwe games en animatieseries met weinig diepte en telbare pixels, als verzet tegen de fotorealistische animaties die onze offline perceptie de laatste jaren steeds meer benaderen.
A post shared by Tempo Marauders (@tempo.marauders)
Ik snak naar dat onderscheid tussen fysiek en digitaal, nu ik tijdens wandelingen bij alles wat al te dromerig en gepolijst aandoet denk: het lijkt wel AI-gegenereerd. Een met mos overgroeide boomstam waar de enige lichtbundel in het bos op valt, de met herfstbladeren gevulde gracht waarin de verlichting van een café weerspiegelt.
Als mijn hoofd al geen AI-render van de natuur maakt, doen mijn vrienden het wel. ‘Chat, welke spin is dit?’
Al die opnames en interpretaties van de werkelijkheid vervormen ‘m. Na verloop van tijd is mijn vakantie niet meer of minder dan de online post erover, bén ik de geconstrueerde versie van mezelf op mijn Instagram-account.
Dit kamp vindt in een aangenaam vacuüm plaats, zonder directe lijn naar de buitenwereld. Ja, er wordt af en toe een foto gemaakt, maar die moet eerst ontwikkeld worden voordat die op Instagram belandt. En dat maakt het misschien toch comfortabeler om schaamteloos het hele weekend met een oranje pruik op te lopen (Gele Grasspriet) of een liedje over natte scheten op te voeren (Diesel).
Luis beweegt zich in haar hele leven vrijer sinds ze een Nokia heeft, zegt ze. ‘Snapchat vond ik eerst een taaie om vanaf te komen, omdat mijn vriendengroep elkaar daar de hele dag op de hoogte houdt en ik van alles mis. Maar nu vind ik het heerlijk dat niemand weet wat ik op een dag doe.’
‘Laatst besloot ik bijvoorbeeld naar de bibliotheek te lopen zonder routeplanning. Toen ben ik zo omgelopen dat ik daar mijn hele dag aan heb besteed. Heerlijk onproductief.’
Ik deed een soortgelijke ontdekking, toen ik drie jaar geleden stopte met posten op Instagram: zonder Insta hoef je niks Instawaardigs te doen. Extreem bevrijdend, alsof de paparazzi je na jarenlange achtervolging ineens met rust laat. Alsof ik weer een beetje kind werd, ook, lome zaterdagen onbespied rommelend in mijn kamer.
***
Na de bonte avond, op zondag, gaat de telefoonkluis open. Diesel geeft tips om thuis vaker offline te gaan: app-blockers, een tijdschakelaar op je wifirouter (zodat die ’s avonds uitgaat) en ‘voor de diehards’ een dumbphone, het tegenovergestelde van een smartphone – er kunnen geen social media-apps op gezet worden, bijvoorbeeld.
Hij komt me ineens voor als een missionaris. Voelt hij eigenlijk bekeringsdrang, vraag ik later die week telefonisch. ‘Ja’, zegt hij. ‘Maar ik ben gestopt met zeggen: kijk nou wat we aan het doen zijn met z’n allen. Mensen hebben er veel meer interesse in als ik focus op alles wat je ervoor terugkrijgt wanneer je offline gaat.’ Ook wel: alles waar je je knetternostalgisch bij voelt.
De stuwende kracht van nostalgie blijkt helaas maar al te duidelijk uit het succes van racistische politieke partijen en conservatieve bewegingen in het algemeen. Maar de flirt van progressieve jongeren met een ander technologisch tijdperk kan net zo goed een politieke kracht vormen, schreef nostalgie-onderzoeker Clay Routledge vorig jaar in The New York Times.
‘Nostalgie heeft een slechte reputatie. Het wordt vaak gezien als improductieve fixatie op een geïdealiseerd verleden. Maar het helpt mensen ook floreren in het heden en een betere toekomst te bouwen.’
Het is, tegenintuïtief, een toekomstgerichte aangelegenheid, volgens Routledge. ‘Met de opkomst van AI zijn alle ogen gericht op de toekomst. Maar het is de moeite waard om ook eens achterom te kijken, zoals gen Z doet, om de toekomst te onthullen die we daadwerkelijk willen.’
Het zijn grote krachten waar Diesel tegen opbokst. Maar verzet moet ergens beginnen – soms op een zomerkamp voor volwassenen.
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant