Echte Nederlanders bestaan, weet Vlaming Vincent Stuer, en ze hebben de politiek écht niet nodig om hen te zeggen wat dat betekent.
Naties zijn als een wolk, schreef historicus Eric Hobsbawm ooit. Ze zijn denkbaar, en dus echt. Maar iedereen ziet erin wat hij wil, zoals in Shakespeares Hamlet.
Hamlet: ‘Ziet u die wolk daar, bijna in de vorm van een kameel?’
Polonius: ‘Goeie god, wat u zegt, net een kameel inderdaad.’
Hamlet: ‘Toch lijkt hij me meer op een wezel.’
Polonius: ‘Heeft de rug van een wezel.’
Hamlet: ‘Of op een walvis.’
Polonius: ‘Heel erg op een walvis.’
Wolken bestaan. Je kunt ze alleen niet precies aflijnen, laat staan ze vastgrijpen.
Over de auteur
Vincent Stuer is schrijver en theatermaker. Hij werkte jarenlang in de Europese instellingen en is nu verbonden aan de Van Mierlo Stichting, het wetenschappelijk bureau van D66.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Echte Nederlanders bestaan ook. Als je mij, een echte Vlaming, tussen mijn Nederlandse collega’s ziet, merk je waarschijnlijk iets anders aan mij. Een je ne sais quoi dat ons als Belgen typeert. Zelfs zonder geluid haal je mij er waarschijnlijk uit – alleen al omdat ik zichtbaar minder geluid maak dan zij. Maar je kunt geen enkele eigenschap benoemen die niet verschillende Nederlandse collega’s óók hebben, en vice versa.
Als je een wolk probeert vast te pakken, grijp je ernaast. En als je te hard probeert, waait de hele wolk weg.
Nederland bestaat ook echt. Als je de grens oversteekt tussen De Klinge (BE) en Clinge (NL), vlakbij waar ik ben opgegroeid, merk je meteen dat die niet alleen op papier bestaat. Aan weerszijden gaan mensen net iets anders om met de publieke ruimte, voeren ze een ander publiek debat, wat iets zegt over de publieke waarden die ze koesteren. Zo zijn ze gevormd door de geschiedenis en door elkaar, en zo blijven ze onderling de geschiedenis vormen en vervormen. De grens blijft, de natie schuift steeds op.
Politici stappen al te graag over van het eerste naar het laatste: van het persoonlijke naar het publieke. Toen mijn boek Kleinstaterij! uitkwam in 2014, zat ik in een debat met Thierry Baudet. Die had zichzelf net tot Intellectueel des Vaderlands uitgeroepen op basis van een oppervlakkige lezing van Edmund Burke – alleen een échte Hollander zou zoiets durven! – die moest bewijzen dat de Europese Unie nooit democratisch kon functioneren. Dat kon alleen onder gelijkaardige, echte Nederlanders.
Toen ik hem erop wees dat niet alleen de EU, maar ook eender welke hedendaagse grootstad of zelfs de Verenigde Staten te divers waren om volgens zijn criterium een democratie te zijn, was zijn antwoord helder: ‘Daar ben ik óók tegen’. Zo gemakkelijk vervalt een behoudsgezind idee dus tot nihilisme. Wie Burke goed begrepen heeft, was al langer gewaarschuwd: politici die de samenleving afwijzen zodra die niet in hun theorie past, moet je ver van de macht af houden.
De mistige werkelijkheid van naties is nooit in scherp afgelijnde begrippen te vatten. Ben ik een echte Belg of een echte Vlaming – kan ik beide zijn? Zijn Friezen echte Nederlanders – of mogen ze dat zelf kiezen? Zijn echte Vlamingen ex-katholiek – omdat de meesten dat zijn? En kunnen orthodoxe joden of moslims echt Nederlands zijn – en wat doe je dan met de onechte? Nationale identiteit kan dus ook niet als voorwaarde en limiet van onze democratie genomen worden.
Na de Eerste Wereldoorlog beleefde de natiestaat zijn hoogtepunt. Op aangeven van de Amerikaanse president Woodrow Wilson zou de wereldorde hertekend worden, zodat niet langer imperia, maar democratische natiestaten de bouwstenen leverden. De dag dat ‘de Tsjecho-Slowaken’ – zoals Wilson ze noemde – hun onafhankelijkheid afkondigden, beriepen maar liefst vier Duitstalige minderheden op Tsjecho-Slowaaks grondgebied zich op hun eigen soevereiniteit.
Terug in de VS gaf Wilson toe: ‘Toen ik die woorden uitsprak, dat alle naties recht op zelfbeschikking hadden, zei ik ze zonder te weten dat de nationaliteiten bestonden die nu, dag in, dag uit naar ons toe komen.’ We weten hoe het afgelopen is, onder de echte Tsjechen, Slowaken, en Sudeten-Duitsers. Als politici, net als Hamlet, mensen proberen voor te zeggen wat ze moeten zien en zijn, gaat het altijd om brute macht, nooit om mensen verenigen.
‘Identiteit afwijzen omdat racisme bestaat, is zoals seks afwijzen omdat pornografie bestaat’, zei historicus en Vlaams-nationalist Eric Defoort. Het verschil tussen de twee is telkens onderwerping. Wat mooi is als het ongedwongen blijft, wordt bezoedeld door dwang. Als samenlevingsidee is identiteit een verenigende kracht, ‘we zijn van ergens’. Politiek zaait het enkel verdeeldheid. Want politiek is per definitie macht, grenzen trekken, scherp omlijnde keuzes maken.
Daar moet je voorzichtig mee omspringen, zeker als iets moois als cultuur en iets breekbaars als maatschappelijke eigenheid in het gedrang is. Zoals we kerk en staat gescheiden houden, omdat beide ontwaarden of ontaarden wanneer macht en ideaal vermengd raken, zo moeten we ook natie en staat uit elkaar houden.
Niets is Nederlandser dan dat: dit land was altijd al een politieke latrelatie, een samenleven in recht en rust – zelfs als respect vaak te veel gevraagd was – dat op een ongeziene manier maatschappelijke verbinding en persoonlijke vrijheid mogelijk maakte. Echte Nederlanders herken je eraan dat ze geen politici nodig hebben om hen te vertellen hoe ze moeten samenleven. Als ik dat als Vlaming mag zeggen: houden zo.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant