Begrotingsonderhandelingen Premier Jetten spreekt dit weekend met oppositiepartijen over de rijksbegroting. Steun voor de regeringsplannen is allerminst zeker. De Kamer kan een oud wapen afstoffen.
Henri Bontenbal (rechts, CDA) tijdens een overleg op het ministerie van Financiën over de kabinetsbegroting.
Of de minister van Marine wel zeker wist dat hij géén handtekening onder een koopcontract had gezet, vroeg het Tweede Kamerlid. Het was 12 december 1919 en minister Hendrik Bijleveld (Anti-Revolutionaire Partij) werd door de Kamer aan de tand gevoeld over de aanschaf van pantserplaten voor drie kruisers, dure oorlogsschepen waarvan Bijleveld eerder zei dat hij de bouw had stopgezet. De Kamer wilde opheldering voordat ze zouden stemmen over de marinebegroting.
Minister Bijleveld wist dat hij nooit populair was geweest bij zijn ambtenaren. Ze vonden hem met zijn 33 jaar piepjong. Bovendien was hij een jurist uit Amsterdam, de eerste burger op Marine. En dus werd er vanuit zijn eigen ministerie flink gelekt.
Niet lang nadat Bijleveld ontkende een contract te hebben ondertekend, wapperde het kritische Kamerlid triomfantelijk met het document in kwestie, voorzien van de handtekening van de minister. Het bleek een doodvonnis. De Kamer verwierp de marinebegroting voor het jaar erop, waarop de minister aftrad.
Sinds de marinebegroting van 1920 heeft zowel de Eerste als de Tweede Kamer nooit meer een begroting verworpen. Maar nu, 107 jaar na minister Bijleveld, zoemt het in Den Haag: kan het zijn dat er weer een begroting van de regering sneuvelt?
Het minderheidskabinet van premier Rob Jetten (D66) is allerminst zeker van steun van de oppositie voor de Prinsjesdagplannen. Sinds zaterdag voert Jetten weer gesprekken met oppositiepartijen in de hoop steun voor de begrotingen te vinden. Zijn gesprekspartners kunnen een oud wapen afstoffen.
Het budgetrecht – dat de volksvertegenwoordiging zeggenschap geeft over de rijksbegroting – is een van de oudste parlementaire rechten en dus „een democratisch basisprincipe”, zegt Anne Bos, politiek historicus verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit in Nijmegen.
Hoewel de gehele rijksbegroting zelf niet kan worden verworpen, is dat wel het geval voor de individuele deelbegrotingen van ministers die er onder vallen. Dat was niet altijd vanzelfsprekend.
Vanaf het einde van de Middeleeuwen vormden zich geleidelijk staten die steeds meer afhankelijk waren van belastingheffing. Dat riep de vraag op in hoeverre belastingbetalers eigenlijk mochten meepraten over wat er met het geld gebeurde.
In Nederland veroverde het parlement in de eerste helft van de negentiende eeuw stukje bij beetje het recht om de rijksbegroting mede vast te stellen. Sinds de herziening van de grondwet in 1840 door Thorbecke, vraagt de regering jaarlijks toestemming om nieuwe uitgaven te doen.
Die werd niet altijd gegeven. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden begrotingen meermaals verworpen, zoals die van Buitenlandse Zaken, door de Tweede Kamer in 1867 en 1868, of de begroting van Koloniën in 1890 door de Eerste Kamer. Het verwerpen van de begroting was een middel om het vertrouwen in een minister op te zeggen, zoals ook het geval was bij minister Bijleveld.
Maar waarom is de Kamer gestopt met het verwerpen van begrotingen? Volgens Bos is „de binding tussen de regering en het parlement veel sterker geworden”. Vroeger opereerden Kamerleden onafhankelijker, vaak als onderdeel van zogenaamde ‘Kamerclubs’ – losse verbanden van gelijkgezinden. Dat veranderde met de opkomst van moderne politieke partijen.
„Regeerakkoorden bonden de meerderheid van de Kamer voortaan aan afspraken die vooraf tijdens de kabinetsformatie werden gemaakt”, zegt Bos. Wel bleef het parlement begrotingen aanpassen via amendementen, maar daarbij gaat het meestal om bescheiden bedragen.
Anno 2026 liggen de kaarten anders. Het minderheidskabinet van premier Jetten heeft geen meerderheden in Eerste- en Tweede Kamer voor de begrotingen van de ministers. Oppositiepartijen willen nog altijd geen duidelijkheid geven over of ze de rijksbegroting zullen steunen.
Minister Sjoerd Sjoerdsma (D66) kreeg voor de zomer een voorproefje van wat het kabinet mogelijk te wachten staat. Voor de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking moest Sjoerdsma meerderheden zoeken. Zijn begroting stamde nog uit de tijd van het Kabinet-Schoof en was nooit goedgekeurd.
Sjoerdsma wist zowel rechts als links tegen zich in het harnas te jagen door niet duidelijk – volgens sommige partijen zelfs misleidend – te communiceren over de Nederlandse bijdrage aan UNRWA, de VN-organisatie die noodhulp biedt aan Palestijnen. Het werd ineens heel spannend of de begroting het zou halen. Sjoerdsma wist zijn begroting op het nippertje te redden door een deal te sluiten in de Eerste Kamer met GroenLinks-PvdA.
Gidi Markuszower, wiens gelijknamige fractie na afsplitsing van de PVV met zeven zetels in de Tweede Kamer zit, stemde tegen de begroting van Sjoerdsma. „Tegen een begroting stemmen is als schieten met hagel”, zegt Markuszower. „Want je stemt niet alleen tegen de onderdelen van de begroting waar je het niet mee eens bent, maar de begroting als geheel, dus ook de uitgaven waar je als partij achter staat.”
Markuszower denkt dat partijen om die reden huiverig zullen zijn om begrotingen daadwerkelijk weg te stemmen. Dat zijn fractie wél tegen de begroting stemde, was omdat ze vinden dat er überhaupt „geen enkele cent” aan ontwikkelingssamenwerking moet worden uitgeven. „Dus dat is makkelijk tegenstemmen”, aldus Markuszower.
Overigens is het niet zo dat een ministerie geheel tot stilstand komt bij het verwerpen van een begroting. In tegenstelling tot in de Verenigde Staten, waarin het sneuvelen van een begroting automatisch leidt tot een government shutdown, heeft dit in Nederland geen gevolgen voor lopend beleid. Alleen uitgaven uit nieuw beleid moeten worden opgeschort. En hoewel een minister bepaalde uitgaven of bezuinigen toch kan doorvoeren als hij of zij meent dat uitstel „niet wenselijk” is, moet de minister daarvoor eerst de Eerste- en Tweede Kamer wel eerst informeren. En dat is een nieuwe kans voor parlementariërs om dwars te liggen.
Zoals marineminister Bijleveld in 1919 ondervond, kan het verwerpen van een begroting grote politieke gevolgen hebben. In het verleden stond het gelijk aan een motie van wantrouwen en moest de minister in kwestie het veld ruimen. Een politieke crisis is dan nooit ver weg. En afhankelijk van hoe erg die crisis is, is zelfs een kabinetsval niet uitgesloten.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie