Home

Ineke Riem heeft maar één gestolen boeddhahoofd nodig om de bewustwording over roofkunst concreet te maken

In Er was eens een stenen hoofd volgt Ineke Riem een uit Java gestolen boeddhahoofd terug langs negen generaties ‘eigenaren’. Sterk uitgangspunt, maar een trotse verzamelaar in deze erfgoedestafette had de roman goed gedaan.

is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.

Het boeddhabeeld is de tuinkabouter van de 21ste eeuw. Loop door een willekeurige Vinex-wijk en je ziet ze in allerlei gedaanten in de voortuintjes staan. Een gezellig bol buikje bij de voordeur. Een sereen glimlachend exemplaar naast de hortensia’s.

Uit een onderzoek van het voormalige Tropenmuseum (nu Wereldmuseum) uit 2016 blijkt dat een op de drie Nederlanders thuis een boeddhabeeld heeft staan. Dat zijn ongeveer vierenhalf miljoen volwassenen. Voor de volledigheid: er wonen zo’n zestigduizend boeddhisten in Nederland.

Oftewel: het boeddhabeeld is afgesneden van zijn boeddhistische oorsprong (Xenos, bedankt nog!). Dat wij nu met een paar klikken bij het tuincentrum een boeddhakop-plantenbak kunnen bestellen (€ 44,99, gratis bezorgd), zou je kunnen zien als het min of meer onschuldige uitvloeisel van de eeuwenlange toe-eigening van culturele en religieuze artefacten uit de koloniën, waarvan Indonesië er een was.

504 boeddha’s

We kunnen vanuit onze vensterbank een rechte lijn trekken naar de Borobudur, een grote boeddhistische tempel op Java waar 504 boeddha’s al sinds de 8ste eeuw zitten te mediteren.

Bijna de helft doet dat zonder hoofd. De hoofden zijn afgebroken, kwijtgeraakt, afgehakt, gejat, weggegeven, verkocht, geveild, zijn een museumstuk geworden of een collector’s item, een voortuindecoratie – bij wijze van. Afgesneden van de romp om als object te dienen.

Tientallen losse boeddhahoofden van de Borobudur staan in musea wereldwijd, van Amsterdam tot New York. En in privécollecties, al weet niemand precies waar en hoeveel. De rest? Nooit gevonden, of kwijt.

Die over de wereld zwervende hoofden spreken nogal tot de verbeelding. Theodoor van Erp, die begin 20ste eeuw de leiding had over een renovatie van de tempel, schreef eens: ‘Waarlijk, wanneer boeddhakoppen konden spreken, dan zouden er nog heel wat kruidige verhalen voor den dag komen omtrent hunne peregrinaties.’

Peregrinaties: omzwervingen.

Dat heeft dichter en schrijver Ineke Riem (1980) ter harte genomen. In haar roman Er was eens een stenen hoofd schrijft ze over een van die koppen, die steeds van eigenaar wisselt. Negen verhalen, beginnend bij de overspannen kunstenaar Ora, die het stenen hoofd heeft geërfd uit de kunstcollectie van haar opa en het wil terugbrengen naar de tempel. Die opa kocht het voor een exorbitant bedrag op een kunstveiling, daar terechtgekomen via de nalatenschap van een kunstenaarsvrouw die het hoofd weer had van haar broer, die het ooit kocht van een theeplanter die het… et cetera.

Door simpelweg dat hoofd door de tijd te volgen legt Riem de geschiedenis van roofkunst (of tenminste van dit specifieke stuk) bloot. Een sterk uitgangspunt.

Wat opvalt, is dat vrijwel alle personages het erover eens zijn dat wat bij de Borobudur is gebeurd met die hoofden schandalig is. Wat zinsneden uit de verschillende verhalen: ‘Hollanders voor wie gewin boven schoonheid ging…’, ‘naamloos gebleven vaders en zonen die onbezoldigd ploeterden…’, ‘de Blanda’s eigenden zich de oudheden vrolijk toe!’, ‘Tel daar driehonderdvijftig jaar van uitpersing en geweld bij op en je kunt alleen maar stil zijn’, ‘Gestolen erfgoed dat straffeloos te gelde werd gemaakt in westerse hogere kringen’, ‘Zo’n onvervangbaar kunststuk mocht toch geen particulier eigendom zijn?’.

Natuurlijk, het is waar, het is woke en daardoor is het ook voorspelbaar. Ik had graag een trotse verzamelaar in deze erfgoedestafette willen aantreffen, om te zien hoe die zijn koloniale buit legitimeert. Geen van de (voormalige) boeddhahoofdbaasjes zal zichzelf een slechterik vinden. Dat bijzondere artefact hebben ze gewoon eerlijk gekregen/van de ondergang gered/uit handen van de échte slechteriken gehouden/tentoongesteld zodat iedereen ervan kan genieten/bestudeerd om de cultuur beter te begrijpen – wat is daar verkeerd aan?

In die vraag zit de spanning, maar niemand die hem stelt. Terwijl het toch relevant is, zeker nu steeds vaker de roep klinkt om roofkunst terug te geven aan het land van herkomst (en, laten we wel wezen, dit ook steeds vaker gebeurt).

Het lijkt alsof Riem de vraag omzeilt om maar vooral niemand voor het (stenen) hoofd te stoten. Stel je voor dat iemand denkt dat ze roofkunstpraktijken goedpraat. Zelfs haar taalgebruik vind ik weinig uitgesproken, bleekjes haast. Alsof een duidelijk eigen stempel iets verdachts is en neigt naar foute toe-eigening van het verhaal. Riem maakt veel heel letterlijk duidelijk: ‘Hij geloofde niet dat hij was getekend door de pijnlijke ervaringen van zijn voorouders’, ‘Hij hoorde er niet bij’, ‘Hij kwam uit een lagere sociale klasse’ – zulke dingen kun je in fictie juist goed laten zíén.

En, sorry hoor: kan het een keertje afgelopen zijn met het bijten-op-de-lip-cliché als duidelijk moet worden gemaakt dat een personage twijfelt of nadenkt? ‘Ora bijt op haar lip, ik zie dat ze twijfelt.’ Au.

Op de vensterbank

Enfin. Het mooie van deze roman is dat die de grote historische bewustwording over roofkunst heel concreet maakt, zo toegespitst op één object. Het hoofd wordt een ding dat ook bij jou thuis zou kunnen staan, op de vensterbank voor mijn part. Wat is het dan? Een erfstuk? Een aandenken? Een woonaccessoire? Gestolen erfgoed? Iets om te koesteren of juist iets om afstand van te doen?

Riem geeft een goede tip in de allerlaatste zin, in het PS van haar dankwoord: ‘Wie heel toevallig een oud-Javaans stenen hoofd in huis heeft en dat wil restitueren, kan het beste contact opnemen met de Indonesische ambassade.’

Ineke Riem: Er was eens een stenen hoofd. Koppernik; 128 pagina’s; € 22,50.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next