Terwijl zijn vriendin strijdt voor mensenrechten in Tunesië, lummelt de hoofdpersoon van Rollende stenen de hele dag rond, samen met de andere expathuismannen. Klinkt een beetje flauw, maar dat is het niet.
Wie weleens met jonge kinderen in aanraking komt, zal de keukenscène uit Merijn de Boers achtste roman, Rollende stenen, herkennen: ‘Ik wandelde door de hal (…) tot ik uiteindelijk in de keuken belandde, waar ik Engelbert aantrof, een beetje met zijn heupen bewegend en meeneuriënd met de muziek, terwijl hij het aanrecht afnam met een doekje: ‘Doe mijn dingen op mijn eigen tijd… en krijg ik later spijt, nou, dan ligt dat maar aan mij.’’
Het is een beetje gek, als volwassene meezingen met Kinderen voor Kinderen, maar Engelbert vindt het gewoon een lekker lied. En geef hem eens ongelijk.
Engelbert is een van de Nederlandse huismannen die de naamloze ik-verteller leert kennen nadat hij met zijn vriendin Daantje vanuit Amsterdam is meeverhuisd naar Tunesië. Daantje is diplomaat en zal zich daar gaan inzetten voor mensenrechten.
En de ik-figuur? Eigenlijk doet die niet zo veel. Wat ook wel bij hem past, aangezien hij zich altijd al identificeerde als ‘lapzwans’ zonder dat hij ‘er een negatieve connotatie aan verleende’.
Al tijdens de eerste ontmoeting met Daantje doet hij zijn ‘levensfilosofie’ uit de doeken (dan is het maar meteen duidelijk): hij wil zijn ‘energie niet (…) verspillen aan een serieuze baan’ omdat ‘werk voor [hem] geen rol speelde in het nastreven van [zijn] levensgeluk’.
Een onmaatschappelijk type, zou je kunnen zeggen. Het contrast met zijn diplomatenvriendin is groot, maar wordt interessant genoeg niet nadrukkelijk gethematiseerd. Slecht één keer, en dat valt dan ook meteen op. Daantje en haar vrouwelijke collega’s praten tijdens een borrel ‘met ernstige gezichten over de zorgwekkende mensenrechtensituatie in Tunesië’, terwijl hun mannelijke partners bespreken dat het ‘gewoon echt niet verantwoord’ is dat er geen kinderhelmpjes beschikbaar worden gesteld bij de witte fietsen bij het Kröller-Müller Museum.
Het is een kleine onderbreking in een verhaal dat zich op een Desperate Housewives-achtige manier ontvouwt in huishoudelijke sferen. Keuvelend, roddelend. De mannen van de diplomatenvrouwen – die zich ‘de partners’ noemen – drinken koffie, treffen elkaar op de wekelijkse pizzamiddag en de eveneens wekelijkse partnerborrel.
In het weekend zien ze elkaar niet, want dan zijn Engelbert en Taco verhinderd: die moeten dan ‘gemeenschap’ hebben met hun partner (terwijl die laatste met zijn vrouw ‘op een heel hoog volume naar Tori Amos’ luistert). Staat in de agenda.
Tijdens die bijeenkomsten praten ze over klein huiselijk leed. Met name Engelbert, die helemaal opleeft als hij de nieuwe vaatwasser van de ik-figuur – ‘de Lamborghini onder de vaatwassers’ – aanschouwt (door hemzelf met klem aangeraden). Engelbert zou Engelbert niet zijn als hij hem niet ook nog eens vriendelijk zou wijzen op een ‘inruimfoutje’.
Klinkt misschien een beetje flauw, van die geprivilegieerde, recreërende mannen die hun tijd verdrijven met wissewasjes. Cynisch misschien. Toch is het dat niet.
De ik-figuur handelt vanuit een duidelijke ideologie die hij ontleent aan Toergenjev: zichzelf ‘tot nummer twee maken’. Dat lijkt hem heel logisch, en natuurlijk gaat hij dus mee naar Tunesië. Want ‘waarom (…) zou je elke keuze zelf willen maken?’ Bovendien vindt hij ‘alles wel best’.
De ik-figuur gedijt in zijn keuze niet-ambitieus te zijn. Het is niet eens dat hij moet plaatsmaken voor zijn vriendin, hij hoefde toch al niet per se iets voor elkaar te krijgen. Zijn belangrijkste motivatie in het leven: Daantje liefhebben. Dat zou genoeg moeten zijn. Nobel toch, je leven wijden aan de liefde?
Toch blijkt hij het uiteindelijk jammer te vinden dat ze gewoon naar haar werk moet, hem achterlatend in zijn hangmat totdat ze thuiskomt: ‘Blij ging ik rechtop zitten, als een hond die de hele dag had liggen wachten op zijn baasje.’
Bijzonder sterk aan Rollende stenen is hoe De Boer het stereotype van de gedweeë huisvrouw eerst omkeert (door er een huisman van te maken) en er vervolgens steeds minder stereotype en meer mens van maakt. Want, ja, het heeft iets komisch: al die huismannen daar in Tunesië, die zich druk maken om kinderhelmpjes in plaats van mensenrechten. Maar, begin je je steeds meer af te vragen, wat valt er eigenlijk te lachen?
De ik-verteller gaat dat gelukkig niet allemaal uitleggen, maar bezit wel over precies genoeg reflectievermogen om de olifant in de kamer te benoemen: ‘Al die vrouwen die eeuwenlang gedwongen nummer twee waren gemaakt… Daar was weinig romantisch aan. Maar dat een mánnelijk personage van Toergenjev dat zei, dat maakte het natuurlijk wel weer romantisch.’
Hulde aan De Boer dat hij zijn personage door dit inzicht geen radicale ommezwaai laat maken. Hij breekt namelijk nergens uit, zoals je misschien zou verwachten in een verhaal over rolverdelingen en maatschappelijke verwachtingen. De ik-figuur houdt gewoon erg veel van zijn vriendin. En, besluit de roman, het was ‘Daantje die een schrijver van [hem] maakte’. Daarin ligt, mocht je je het tegen het einde nog afvragen, wellicht, naast liefhebben, zijn maatschappelijke waarde.
Wat De Boer zo’n goede schrijver maakt, is dat hij je binnen één scene kan laten huilen én lachen.
De mooiste scène vond ik die waarin de ik-figuur Engelbert observeert terwijl die een slechtnieuwstelefoontje krijgt over zijn stervende vader, en opmerkt dat hij ‘liever alleen was’ in zijn keuken (‘zijn domein’).
Om hem op te vrolijken stelt hij grappend voor Kinderen voor Kinderen op te zetten. Maar Engelbert antwoordt ‘volkomen serieus’ dat hij het lied Dat was papa wil horen: ‘En toen stond ik daar in de keuken, met een huilende achtenveertigjarige man in mijn armen, terwijl we luisterden naar een droevig liedje over een meisje dat haar vader had verloren.’
Merijn de Boer: Rollende stenen. Querido; 191 pagina’s; € 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant