Home

Opnieuw barst de strijd om het geld voor de WW en de WIA los: van wie zijn de miljarden?

Met de aangekondigde bezuinigingen op de WW en de WIA ligt het kabinet op ramkoers met de vakbonden. Oude wonden worden opengehaald. Want van wie zijn eigenlijk de premies die werkgevers maandelijks betalen?

is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over pensioenen en sociale zekerheid.

Wat is er toch aan de hand met de fondsen van de WW en de WIA? Ze zitten ‘overvol’ met vele tientallen miljarden euro’s, zo benadrukken de vakbonden al maanden. En toch blijft het kabinet aansturen op forse bezuinigingen, precies op die twee uitkeringen.

Minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken mag zijn plannen iets hebben afgezwakt, nog altijd koerst hij op het inkorten van de maximale duur van de Werkloosheidswet (WW). Ook is het plan om de uitkering voor langdurig arbeidsongeschikten (WIA) wat te verlagen.

In die context zijn de reservepotten een favoriet thema van vakbonden en de linkse oppositie. Want waarom zou je bezuinigen terwijl er veel meer geld binnenkomt dan eruit gaat? De bonden wijzen het kabinet graag op de paradoxale situatie en noemen de bezuinigingen een ‘miljardenroof’ en een ‘greep uit de kas’. SP-leider Jimmy Dijk verweet het kabinet tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen zelfs dat het last heeft van een probleem dat het zelf ‘gecreëerd en bedacht’ heeft. Pro-leider Jesse Klaver vindt de bezuinigingen om dezelfde reden ‘onnodig’.

Papieren werkelijkheid

Ze hebben de cijfers aan hun zijde. Al jarenlang komen er miljarden euro’s per jaar meer aan premie binnen dan nodig is om de WW- en WIA-uitkeringen te betalen. In totaal zit er daardoor dit jaar 15 miljard aan vermogen in de WW-pot, blijkt uit cijfers van het UWV. Voor de WIA is de pot inmiddels zelfs gevuld met ruim 45 miljard euro.

Het zijn bedragen waarmee veel financiële problemen van het kabinet-Jetten als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen, laat staan dat er bezuinigingen op de WW en de WIA nodig zouden zijn.

Maar er is één probleem: de fondsen bestaan enkel op papier.

Dat zit zo: volgens de Europese begrotingsregels vloeit een overschot terug naar de algemene middelen. Op die manier kunnen gaten elders op de begroting worden opgevuld.

‘Wat er in zo’n fonds zit, is dus helemaal niet relevant’, zegt Daniël van Vuuren, hoogleraar Sociale Zekerheid aan Tilburg University. Daar zitten voordelen aan. Het werkt namelijk ook de andere kant op: zit er te weinig in de pot, dan wordt dat in principe ook aangevuld. Dat is fijn in tijden van crisis, bijvoorbeeld als de werkloosheid hoog is en het geld in het fonds op is, zoals ook in het verleden voorkwam. ‘Je wil juist op zo’n moment niet ook nog de premie verhogen, en met dit systeem hoeft dat niet’, aldus Van Vuuren.

Premie als verkapte belasting

Maar dat er geen vaste koppeling is tussen inkomsten en uitgaven betekent ook dat een overschot voor heel andere doeleinden kan worden gebruikt.

En dat is precies wat er in de praktijk gebeurt, ziet Van Vuuren. Slechts een deel van de toename van de papieren reserves kan worden toegeschreven aan een lage werkloosheid en hoge arbeidsparticipatie, waardoor er minder aan uitkeringen wordt uitgegeven dan er binnenkomt. De rest van de aanwas komt door iets anders: de verhoging van de premie.

Want hoewel er steeds meer geld overblijft in de fondsen, besloten opeenvolgende kabinetten de premie voor de WW en de WIA almaar verder te verhogen. In tien jaar tijd steeg de Arbeidsongeschiktheidspremie (Aof) van ongeveer 5 naar ruim 7 procent.

Dat voelt contra-intuïtief, en dat is het ook, zegt Van Vuuren. Hij ziet dat de premies niet meer worden gebruikt om de WW- en WIA-uitgaven te dekken, maar om de schatkist te spekken. Als een verkapte belasting dus.

Het is voor kabinetten een van de ‘favoriete knoppen’ om aan te draaien, zegt de hoogleraar. Waar andere maatregelen politiek gevoeliger liggen, zoals een hogere belasting op vermogen, winst of inkomen, is een premieverhoging politiek makkelijker, en geruislozer, door te voeren.

‘Onlogisch en oneigenlijk’

Ook het huidige kabinet doet het. Als onderdeel van de vrijheidsbijdrage stijgt de Aof-premie volgend jaar.

Het leidt tot steeds meer weerstand. Deze week oordeelde de Raad van State in een advies over de Miljoenennota fel over de verhoging van de Aof-premie. De Raad noemt de verhoging ‘onlogisch’ omdat die niet langer in verhouding staat tot de kosten van de sociale verzekeringen. Bovendien vindt de Raad het ‘oneigenlijk’ dat het geld voor heel andere doeleinden wordt ingezet en is dit alles niet ‘transparant’.

Ook werkgevers uitten al kritiek. Zij moeten de premies betalen en zien de lasten dus verder oplopen. Een groep werkgevers heeft gezamenlijk bezwaar aangetekend omdat ze vinden dat ze al jarenlang te veel premie betalen. Ze willen dat geld terug.

De vraag is hoe kansrijk die claim is, maar duidelijk is dat de premie een stuk lager zou zijn als die in verhouding zou staan tot de uitgaven. In antwoord op Kamervragen schreef het ministerie van Financiën voor de zomer nog dat de Aof-premie dan tot ongeveer 1,5 procentpunt lager zou uitvallen.

Overigens komt in de praktijk maar een klein deel voor rekening van werkgevers, omdat zij de premieverhoging uiteindelijk verrekenen in het salaris van werknemers. Naar schatting wordt 75 tot 80 procent van de werkgeverslasten op die manier ‘afgewenteld’ op de salarissen.

Glijdende schaal

Los van dat het ‘heel krom’ is om premies die bedoeld zijn voor werknemersverzekeringen in te zetten als belasting, kleeft er een risico aan, ziet Robert Vonk, hoogleraar geschiedenis van de sociale zekerheid aan de Universiteit Utrecht. Door een almaar forser prijskaartje aan de sociale zekerheid te hangen ‘erodeert het draagvlak ervoor’, zegt hij. ‘Dit is echt een glijdende schaal.’

Dat laatste erkent inmiddels ook minister Vijlbrief. De Aof-premie noemde hij ‘in zekere zin een belasting die bij werkgevers wordt geheven op arbeid’. Hij vindt ook dat dat de relatie tussen premie en uitgaven ‘transparanter’ moet. Vijlbrief komt dit najaar nog met een brief over de ‘toekomstbestendigheid’ van de fondsen, waarin hij ook kijkt naar de hoogte van de premie.

Tegelijkertijd waarschuwde Vijlbrief de Tweede Kamer voor het verlagen van de premies. Hij wees op de papieren werkelijkheid van de overvolle reserves. Er is geen ‘goudpot’ waaruit geld kan worden gehaald. Een lagere premie betekent een tekort op de begroting en dus een hogere staatsschuld. ‘Dan moeten we elders belasting gaan heffen.’

Om diezelfde reden kunnen de bezuinigingen op de WW en de WIA niet zomaar van tafel, vindt Vijlbrief. Ook die zouden immers weer tot gaten in de begroting leiden.

Het neemt niet weg dat critici wel een punt hebben als ze wijzen op de paradoxale situatie, zegt hoogleraar Vonk. ‘Het klinkt heel banaal, maar de overheid moet beter met dit geld omgaan’, zegt hij. ‘Ja, het zijn begrotingsregels die het mogelijk maken om de premies op deze manier te gebruiken, maar het kabinet heeft ook een keuze om dat niet te doen.’

Om te voorkomen dat potten voor de WW en de WIA voor heel andere doeleinden worden gebruikt, willen de vakbonden het liefst zeggenschap erover. FNV-voorzitter Hans Spekman zei afgelopen zomer in De Telegraaf dat hij graag zou zien dat vakbonden en werkgevers weer over de werkloosheids- en arbeidsongeschikheidsfondsen gaan. Hij wil terug ‘naar de logica van vroeger’, waarin premies en uitgaven aan elkaar waren gekoppeld.

Daarmee opent hij een discussie die ruim een kwart eeuw geleden beslecht leek, zegt hoogleraar Robert Vonk. Tot in de jaren negentig waren werkgevers en werknemers namelijk samen verantwoordelijk voor zowel de beoordeling als de uitvoering van uitkeringen die we nu kennen als de WW en de WIA.

Dat ging lange tijd prima, maar in de jaren tachtig ontstonden er scheuren. ‘De werkloosheid steeg tot recordhoogte en de druk op de sociale zekerheid nam toe. Werk was er nauwelijks, maar er bleken ook geen prikkels voor bonden en werkgevers om mensen aan het werk te krijgen, wat de druk verhoogde’, aldus Vonk. Met name de toenmalige arbeidsongeschiktheidsuitkering, de WAO, werd gebruikt als ‘verkapte afvloeiingsregeling’ voor overtollig en duur personeel.

Het kwam in 1993 zelfs tot een parlementaire enquête, die concludeerde dat het hele stelsel op de schop moest. Het gevolg was dat zowel de financiering als de uitvoering van de uitkeringen geheel bij de overheid kwam te liggen.

Er waren toen goede redenen om de zeggenschap juist weg te halen bij de werkgevers en werknemers. Al betekent het niet dat er geen voordelen zitten aan het idee van Spekman. ‘Door werkgevers en werknemers meer verantwoordelijkheid te geven over de uitkering, verhoog je het draagvlak en de betrokkenheid’, zegt Vonk. ‘Daarvan moet je het belang niet onderschatten, bijvoorbeeld als er moet worden bezuinigd.’

Bovendien is de huidige situatie waarin het WW- en WIA-geld aan allerlei andere zaken wordt besteed niet houdbaar. Vonk ziet een parallel met het verleden. ‘Wat het kabinet nu doet, is het oneigenlijk gebruiken van geld dat voor de verzekeringen is ingelegd en dus niet heel anders dan wat werkgevers en werknemers in de jaren tachtig deden.’

In een debat met de Tweede Kamer zei minister Vijlbrief afgelopen week dat zijn voorkeur ligt bij de premies ‘weer bij werkgevers en werknemers leggen’. Al benadrukte hij meteen dat een dergelijke stelselwijziging ‘grote overgangsvragen’ met zich meebrengt.

Dat de hervormingen van de jaren negentig geheel worden teruggedraaid, acht de hoogleraar Vonk dan ook onwaarschijnlijk. Het zou betekenen dat een almaar groter geworden organisatie als het UWV, die nu verantwoordelijk is voor de uitvoering van de uitkeringen, weer kan worden afgebroken. ‘Alleen al de kosten van zo’n operatie zijn enorm.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next