De wetenschapsredactie van de Volkskrant beantwoordt kleine en grote vragen die lezers bezighouden. Deze week: waarom is de ene vis gek op zout water en de andere op zoet water?
schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Waarom kunnen zoetwatervissen niet tegen zout water, vraagt lezer Ton ten Barge. En, zo wil hij weten, waarom kunnen zoutwatervissen op hun beurt niet tegen zoet water? Nog twee vragen: waarom kunnen sommige vissen zowel zoet als zout water aan, en hoe zit het met brak water?
Vissen hebben een aantal specifieke interne aanpassingen om het zoutgehalte (de zogeheten osmolariteit) van hun bloed te regelen, vertelt Gert Flik, emeritus hoogleraar dierfysiologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en gespecialiseerd in stressfysiologie bij vissen.
Het zeewater waarin kabeljauw en haring hun rondjes zwemmen, bevat gevaarlijk veel opgeloste zouten, hoofdzakelijk natrium-, magnesium- en chloride-ionen. Misschien minder intuïtief, maar het zoete water in slootjes en rivieren bevat juist te weinig zout. Om er een maat aan te geven: de osmolariteit van zeewater is ongeveer 1.000 osmol per liter, in zoet water zit rond de 20 à 30 osmol per liter, en vissenbloed zit daar met zo’n 300 osmol tussenin.
Om netjes rond een waarde van 300 osmol te blijven, moet zeevis het overschot aan binnengekregen zout-ionen uitscheiden, terwijl zoetwatervis juist moet zorgen dat er niet te veel water binnenkomt. Regulering van die interne vocht- en ionenbalans gebeurt via de hormonen cortisol en prolactine. Zeevis scheidt onder invloed van cortisol via huid en kieuwen het overschot aan ionen uit, terwijl zoetwatervis na aanmaak van prolactine het teveel aan water naar buiten pompt.
Het idee is vergelijkbaar, maar het systeem is wezenlijk verschillend.
Er zijn vissen die beide trucs beheersen. Soorten als paling, zalm en tilapia zijn thuis zijn in slootjes en rivieren én in zee. Daarvoor is doorgaans wel een overgangsperiode nodig waarin ze onder meer huidcellen en cellen in de kieuwen vervangen. Hoelang die overgang duurt, verschilt per soort. Jonge zalm zwemt twee jaar in brakke kustzones voordat ze klaar zijn verder de zee in te gaan, terwijl andere vissen zich in een paar dagen aanpassen aan hun nieuwe omgeving.
Maar hoe zit het in brak water?
Flik verwijst naar archeologische vondsten rond de Limbaai op Istrië, in het noordwesten van Kroatië. Precies in de overgangszone tussen zoet en zout, waar het water brak is, werd al in de oudheid vis gekweekt. Waarschijnlijk hadden kwekers proefondervindelijk ontdekt dat vis juist in deze brakwaterzone het best gedijde.
Eenvoudig te begrijpen, vertelt Flik. Reguleren van de osmolariteit kost een vis veel energie, ongeacht of het gaat om zoetwater- of zoutwatervis. In het gebied waar de archeologische kwekerijen liggen, is de osmolariteit van het brakke kanaalwater globaal 300 osmol per liter, vergelijkbaar met de osmolariteit van vissenbloed dus. Dat betekent dat vissen nauwelijks energie hoeven te besteden aan het beheersen van hun ionenbalans. De overgebleven energie kunnen ze dus gebruiken voor andere dingen – voortplanten en groeien bijvoorbeeld.
Zelf een vraag voor deze rubriek? Mail naar willenweten@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant