Theater In Soekarno treffen we de omstreden Indonesische staatsman in twee gedaantes: als 28-jarige voor en als 66-jarige ná zijn presidentschap. Wat dreef deze man, zonder wie Indonesië, for all we know, nog altijd een Nederlandse kolonie was geweest?
Scène uit Soekarno, met Esther Scheldwacht en Bo Tarenskeen.
Tekst en regie: Bo Tarenskeen. Spel: Esther Scheldwacht en Bo Tarenskeen. Gezien: 26/9, De Koninklijke Schouwburg Den Haag. Op tournee t/m 7 november. Info: hnt.nl
Soekarno, met een oe. Zo staat het met koeienletters op de posters gedrukt. Het is de titel van de nieuwe voorstelling van theatermaker Bo Tarenskeen, gemaakt in coproductie met Het Nationale Theater. Soekarno. Terwijl het titelpersonage zelf ons in deze voorstelling toch expliciet verzocht heeft zijn naam met een u te schrijven. Als we „die koloniale oe” blijven gebruiken, zei hij, is het „net of het kolonialisme / of het imperialisme nooit geëindigd is”. Afijn, oe dus.
In Soekarno treffen we deze omstreden staatsman (1901-1970), de eerste president van Indonesië, in twee gedaantes. Als jonge man, 28 jaar oud, in 1929, vóór zijn grote politieke doorbraak, vertolkt door Tarenskeen zelf. En als 66-jarige, vlak nadat hij onder dwang afstand heeft moeten doen van zijn presidentschap, vertolkt door actrice Esther Scheldwacht. Waarom ervoor gekozen is de rol door twee acteurs te laten vertolken, daar kreeg ik de vinger niet helemaal achter. Een groot deel van de voorstelling zijn ze samen op het toneel, maar de aanwezigheid van de jonge man lijkt geen noemenswaardige betekenis te hebben voor die van de zestiger. Wel weten beide acteurs de imponerende woordenstroom waar het stuk uit bestaat te temmen – ieder woord krijg je mee.
Wat dreef deze man, zonder wie Indonesië, for all we know, nog altijd een Nederlandse kolonie was geweest? Die besloot de ene bezetter (Japan) te vriend te houden, met alle bloederige gevolgen van dien, om de andere (Nederland) te verdrijven? Die, eenmaal president, zich in rap tempo tot een soort dictator ontwikkelde, om te voorkomen dat zijn land opnieuw uiteen zou vallen? Was hij een held, of was hij de slechterik in het verhaal?
In het werk van Bo Tarenskeen (1981), die naast een toneelopleiding ook filosofie en politieke wetenschappen studeerde, is de echte hoofdrol doorgaans gereserveerd voor het denken zelf. Schuchter, quasi-improviserend nemen zijn personages – niet altijd even onverdeeld deugdzame figuren – het woord om zichzelf te verklaren, in zoekende maar glasheldere taal, steeds behept met een denken waar niets op af te dingen valt. Als je het redeneren goed genoeg onder de knie hebt, dan kun je wat scheef is recht breien, laten die voorstellingen zien. Denkvoorstellingen zijn het, waarin, via al dat geredeneer, geestig en gevat, in de eerste plaats de ratio zelf wordt bevraagd.
Ook in Soekarno gebeurt dat. Zo laat Tarenskeen zijn hoofdpersonage opmerken hoe hij vier jaar de gevangenis in moet, zonder dat daar een proces aan vooraf is gegaan. En hoe dat laat zien „hoe macht zijn eigen bestaansrecht vormt” en hoe het recht zich, als het erop aankomt, laat overrulen door de belangen van een machthebber. Daarin horen we ook politiek-filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmitt meevibreren, over wie Tarenskeen vorig seizoen het vlijmscherpe Tegen de wet maakte. Hij benoemt de ironie van het feit dat je je afhankelijk moet maken van bondgenoten, als je onafhankelijk wilt zijn; hoe je als het ware de ander nodig hebt, om jezelf te worden.
Scène uit Soekarno.
Hij bejubelt het nationalisme, dat een volk, met alle onderlinge verschillen, als rijgdraad bij elkaar zou houden (en nee, je kunt misschien niet uitleggen wat nationale identiteit inhoudt, maar je voelt wel degelijk wat het is, „als er op jouw pleintje steeds meer blanken rondhangen / die nooit teruggroeten als je ze hallo zegt / Hangblanken”.) Hij legt uit hoe het zijn vaderlijke liefde voor de staat was, die hem ertoe bracht de parlementaire democratie af te schaffen – want al die partijtjes zorgden maar voor verdeeldheid. Steeds schampen de formuleringen van het personage kwesties uit de hedendaagse politiek.
Maar in het centrum van dit knap geschreven stuk, verstopt in terloops gebrachte zinnetjes, bevindt zich de ‘Indo’, de Indische Nederlander, van meet af aan door Indonesiër noch Nederlander erkend. Soevereiniteit, het stellen van grenzen, en hoe je, door die grenzen aan te geven, automatisch ‘zelf iemand wordt’ – gaandeweg hechten zich de thema’s van de voorstelling aan het lot van de Indo. Aangrijpend is het, hoe de twee acteurs, beiden met een Indische achtergrond, tussen de regels door voelbaar maken hoe groot de nood is aan een verhaal, een idee, een omlijsting, waarbinnen zij die nergens bij plachten te horen voluit en ongeschonden kunnen bestaan.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie