Energieprijzen Oliebedrijven Eni en IP begrenzen sinds maandag vrijwillig de prijzen van benzine en diesel in Italië. De maatregel moet gezinnen en bedrijven meer ademruimte geven en wordt toegejuicht door de regering-Meloni. Maar kleinere pomphouders vrezen oneerlijke concurrentie.
Italianen protesteerden afgelopen zaterdag in Napels tegen onder andere de hoge gasprijzen.
Energieconcern Eni heeft vanaf maandag 28 september een prijsplafond ingevoerd voor benzine en diesel bij zijn ongeveer vierduizend Eni-tankstations. Benzine mag er maximaal 1,99 euro per liter kosten en diesel maximaal 2,19 euro. Dat is ongeveer 17 cent minder dan de gemiddelde prijzen bij de aankondiging. Het plafond geldt dertig dagen en kan, afhankelijk van de markt en bevoorrading, worden verlengd tot het einde van het jaar.
Eni presenteert de ingreep als een gebaar van solidariteit met Italië, consumenten en zijn klanten en zegt dat het eerdere kostenstijgingen al niet volledig had doorgerekend.
Daarop heeft ook IP dat voorbeeld gevolgd. Het bedrijf is sinds mei in handen van Socar, het staatsenergiebedrijf van Azerbeidzjan. Anders dan Eni legt IP geen uniforme maximumprijs vast. Wel voert het geleidelijk prijsgrenzen in die rekening moeten houden met de verschillende situaties binnen zijn distributienetwerk. Socar onderzoekt ook of het systeem kan worden uitgebreid naar Esso-stations en andere uitbaters die door IP worden bevoorraad.
Eni en IP zijn twee grote spelers. Samen hebben ze ongeveer 8.500 tankstations, bijna 39 procent van de ongeveer 22.000 Italiaanse verkooppunten. Hun ingreep kan een aanzienlijk deel van de markt beïnvloeden en de druk op concurrenten vergroten om op hun beurt prijsverlagingen door te voeren.
Volgens Eni zijn de hoge energieprijzen vooral te wijten aan internationale oorzaken, zoals minder beschikbaarheid aan geraffineerde producten door de geopolitieke crises en een structureel gebrek aan raffinagecapaciteit in Europa. Het energiebedrijf erkent dat de hoge prijzen aan de pomp „een extreem hoge last vormen voor Italiaanse gezinnen en bedrijven”. De Italiaanse centrale bank waarschuwde dit voorjaar al dat hogere energieprijzen via de inflatie de koopkracht van gezinnen aantasten, waardoor zij minder kunnen consumeren. Banca d’Italia raamde in juni de economische groei voor 2026 op 0,5 procent en de inflatie op 3,1 procent, vooral door hogere energieprijzen. Die cijfers zijn intussen wel deels ingehaald door recentere ontwikkelingen: de OESO verhoogde vorige week haar groeiverwachting voor Italië tot 0,9 procent.
Vooral de hoge dieselprijs weegt zwaar. Die voelen consumenten rechtstreeks wanneer ze tanken, maar ook indirect doordat vrachtvervoer, landbouw en bedrijven zo duurder worden. Hogere transportkosten kunnen vervolgens in de winkelprijzen terechtkomen.
Voor de doorsnee automobilist blijft het voordeel van het prijsplafond beperkt. Vergeleken met de gemiddelde prijzen van zondag scheelt het Eni-plafond volgens consumentenorganisatie Adusbef, toegepast op een tankbeurt van 50 liter, ongeveer 8,45 euro voor benzine en 9,35 euro voor diesel. De maatregel zal dus vooral zwaarder doorwegen voor transportbedrijven en voor wie echt veel kilometers maakt.
De regering heeft Eni en IP niet verplicht een prijsplafond in te voeren, maar de accijnsverlagingen op brandstof van de voorbije maanden maakten wel duidelijk dat Rome lagere prijzen aan de pomp belangrijk vindt. Bij IP is de politieke aansporing wel duidelijk. Vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken Antonio Tajani (van het rechts-liberale Forza Italia) zegt dat hij Socar-voorzitter Rovshan Najaf begin september persoonlijk vroeg de Italiaanse brandstofprijzen te temperen.
Eni presenteert de ingreep dan weer als een eigen initiatief. Het oliebedrijf staat wel onder de feitelijke controle van de Italiaanse overheid, dat met 33 procent van de aandelen de grootste aandeelhouder is.
Eni en IP stellen hun maatregelen voor als steun voor gezinnen en bedrijven, al kunnen ze hierbij ook commercieel voordeel hebben. Lagere prijzen kunnen klanten naar hen lokken, terwijl een vrijwillige maatregel ook goede publiciteit oplevert bij de consument én bovendien goodwill oplevert bij de Italiaanse regering.
Voor Italië is de omvang van deze ingreep behoorlijk uitzonderlijk. In de zomer van 2012 voerde Eni weliswaar weekendkortingen in, maar deze maatregel is ingrijpender, omdat hij minstens een maand duurt en een maximumprijs vastlegt, op een moment dat de marktprijs veel hoger ligt. Tegelijk is het Italiaanse initiatief geen ongezien experiment. In Frankrijk gebruikt TotalEnergies al sinds februari 2023 een vergelijkbaar vrijwillig prijsplafond.
Terwijl in Frankrijk en Italië de bedrijven zelf ingrijpen in de brandstofprijs, kiezen andere Europese landen voor overheidsregulering. Zo hanteert België al sinds 1974, na de oliecrisis een jaar eerder, maximumprijzen voor brandstof die meebewegen met de internationale marktprijzen. In Kroatië en Slovenië legt de overheid maximumprijzen op, vooral om sterke prijsstijgingen af te remmen.
Er klinkt ook kritiek. Vooral onafhankelijke pomphouders vrezen dat zij bij een mogelijke prijzenslag niet kunnen volgen. Volgens de Italiaanse federatie van pomphouders Figisc kunnen grote energieconcerns zoals Eni een prijsverlaging makkelijker opvangen. Zelfstandige uitbaters moeten de brandstof tegen een bepaalde prijs inkopen en hebben doorgaans slechts enkele centen marge per liter.
Prijzen aan de pomp in Napels op 26 september, voordat Eni de prijsverlagingen doorvoerde.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie