Na een nogal uit de hand gelopen renovatie is de Keulse opera eindelijk weer open. Afgelopen zondag werd dat gevierd met Der Rosenkavalier van Richard Strauss, en de Volkskrant was erbij. Werd het lange wachten beloond?
schrijft voor de Volkskrant over klassieke muziek.
‘Als er geen boe is geroepen, heb je het niet goed gedaan’, zegt Hein Mulders, de Nederlandse intendant van de Keulse opera, met een brede lach en vermoeide pretogen. Hij heeft net de allereerste première achter de rug sinds de nogal uit de hand gelopen renovatie van het gebouw.
Zijn toestand omschrijft hij als ‘opgelucht, maar nog niet stressvrij’ na de eerste uitvoering van Richard Strauss’ Der Rosenkavalier in de regie van de Française Marie-Ève Signeyrole. De productie, nog tot in december te zien, kreeg terecht gemengde reacties in de zaal.
Na een volle week van festiviteiten is de kop er nu echt af in en rond de Bühnen Köln, de verzamelnaam voor de opera, de kinderoperazaal (de enige ter wereld) en het theater voor toneel in de stad. De verbouwing van onder andere de Keulse opera duurde maar liefst veertien jaar. Voor de ongeveer 130 voorstellingen per jaar moest de opera uitwijken naar andere locaties, zoals het Staatenhaus.
Het door Wilhelm Riphahn ontworpen wederopbouwmonument uit 1957 was zowel van binnen als van buiten totaal vervallen. Tijdens de sanering die het gebouw in ere moest herstellen, ging vervolgens van alles mis: er werd langs elkaar heen gewerkt, waardoor installaties van luchtkanalen en bekabeling in de knoop raakten; bouwbedrijven gingen failliet, en de bouw lag lange tijd stil. Uiteindelijk liepen de kosten op tot ongeveer 1,5 miljard euro.
Mulders: ‘Deze première was symbolisch gezien belangrijk. Maar we zijn er nog niet.’ Hij doelt op de haperende toneeltechniek van afgelopen week: de machinerie onder het podium voor bewegende decorstukken weigerde dienst. ‘Ik heb hierdoor producties in de nabije toekomst moeten afzeggen.’
‘Nadat het plein (de Offenbachplatz waaraan de opera ligt, red.) al die jaren één grote bouwput was met overal hekken en containers, hebben we ook afgelopen week zo veel gezeik gehad. Er ging ineens een lamp aan waarvan niemand wist hoe die uit moest. Het brandalarm ging vier keer af. Je weet dat het niets is; één keer had iemand op zolder een sjekkie zitten roken. Toch moet je alles stilleggen en naar buiten gaan.’
Hij vindt het trouwens overdreven dat er negatieve geluiden klinken over Signeyroles regie van Der Rosenkavalier. ‘Mensen willen graag vermaakt worden zonder al te veel te moeten nadenken. Maar wat is daar mis mee?’
Regisseur Signeyrole heeft van het personage Marschallin, een oudere adellijke dame, een filmregisseur gemaakt die zelf ook acteert. Gaandeweg vindt het filmscript zijn weg in het oorspronkelijke operaverhaal, waarin de Marschallin de macht over een jonge acteur (haar minnaar) wil hebben, maar hem uiteindelijk de ruimte geeft voor een relatie met het meisje Sophie.
Zo gecompliceerd is het niet, maar alle verkleedpartijen, de batterij aan wild fladderende figuranten en die extra cinematografische laag maken het geheel log en rommelig.
Belangrijker is de vraag: hoe klinkt de opera na de verbouwing? Met voorzichtige aanpassingen zou de akoestiek aan warmte hebben gewonnen, echo’s zijn verminderd en het contact tussen zangers en orkest is verbeterd.
Toch verdrinken sommige minder goed projecterende zangers in de obese klank van het Gürzenich-Orchester onder leiding van Andrés Orozco-Estrada. Het gerenommeerde orkest speelt op momenten weelderig, maar sensueel en etherisch zoals Strauss moet klinken, wordt het nergens. Subtiliteiten gaan verloren, de iets droge akoestiek helpt niet.
Nederlander Jan Meulendijks is er ook met zijn echtgenoot Bart Schuil. De voormalige bedenkers van krantenpuzzels zijn fervente operaliefhebbers. Meulendijks: ‘Van de veertig Rosenkavaliers die we gezien hebben, was dit de slechtste. Het orkest speelde als een stelletje houthakkers.’ Schuil: ‘Ik had ook best graag boe willen roepen, maar ik wilde mijn fatsoen houden.’
Tijdens de pauze staan we op een van de vijf balkons die uitnodigend boven de ingangen uitsteken. Hanna, medewerker van het operahuis, steekt een sigaret op en zegt: ‘Niemand durfde ooit de balkons op te gaan, ze stonden echt op instorten. Ik ben zo blij dat het nu wel weer kan. Kijk nou hoe het plein erbij ligt, wie schön.’
‘Ik vind de originele ‘democratische’ ingangen ook zo mooi, vijf deuren op de begane grond. Niemand hoeft een trap op en niemand heeft een speciale deur. Kunst is voor iedereen. Je kunt hier vanaf 5 euro al een voorstelling zien.’
Wie in de Oper Köln is, zullen misschien de schitterende lampen in de foyer opvallen. Ook die zijn origineel en horen bij het ontwerp van Riphahn: grote peren van glas die in kokerformaties de ruimte nog hoger lijken te maken. Enorme raampartijen maken het hoekige gebouw prettig licht en luchtig.
Het tapijt is van een helder blauwgrijs dat beeldschoon past bij de zachte, roereigele muren. Mevrouw Müller – vriendelijke ogen onder een zwarte hoed, Chanel-ketting – is voor deze opening speciaal vanuit haar huidige woonplaats Baden-Baden naar Keulen gekomen.
‘Ik herinner me nog dat alles witgeverfd was, dat was nogal sfeerloos’, zegt ze. ‘Nu hebben ze alle oorspronkelijke kleuren op de muren gedaan, prachtig. Ik ben blij dat ik dit nog kan meemaken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant