Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Achter me valt de glazen deur dicht met een bevestigende klik. Alle houten banken zijn leeg. Er is weinig lekkerder dan een sauna binnengaan en erachter komen dat je de enige bent. De vorige keer dat ik dacht dat ik alleen in de sauna was, schreeuwde ik: ‘Joepie!’ Toen bleek er toch nog iemand te liggen, verstopt op de bovenste verdieping. Noodgedwongen zette ik daarna nog heel even de act van ‘ik ben gewoon iemand die in zichzelf praat’ door.
Dit keer ontwaar ik echt niemand. Voordat ik ga liggen, draai ik de zandloper naast de deur om. Er hangt ook een zandloper vlak boven de bank waar ik ga liggen, maar vanaf mijn ligplek is het makkelijker om richting de deur te kijken dan naar boven (dit is relevante informatie).
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De deur gaat open en er komen een paar mensen binnen. Ze nemen plaats, wisselen een paar woorden en zwijgen daarna. Weer een paar minuten later komen er nog drie mensen binnen. Een van hen, een vrouw van mijn leeftijd, heeft behoorlijk grote borsten (ook dit is relevante informatie). Ze legt haar doek neer en speurt de houten wanden van de sauna af. Haar ogen blijven hangen op de muur boven mij.
Ze loopt op me af en gaat op de bank onder me staan. ‘Sorry’, zegt ze, ‘maar…’ en ze maakt aanstalten om zich over me heen te buigen, zodat ze bij de zandloper boven me aan de muur kan. Als de situatie andersom was geweest en ik over haar heen had moeten hangen, met mijn hele hebben en houden, had ik me behoorlijk ongemakkelijk gevoeld: ik wil mijn naakte lijf aan niemand opdringen.
In mijn ooghoek zie ik al één borst bungelen. Als ik nu niets doe, worden dat er twee, vlak boven mijn gezicht. Dat wil ik niet. Ik bedoel: zelf heb ik weinig bezwaar tegen borsten in mijn gezicht, be my guest. Maar ik ga ervan uit dat deze vrouw het wel vervelend vindt om haar borsten boven mijn gezicht te laten bungelen. Vooral omdat ze zich daar waarschijnlijk toe genoodzaakt voelt, want ze durft me niet lastig te vallen met de vraag of ik de zandloper even kan omdraaien.
‘Nee, nee’, zeg ik, en ik schiet overeind. ‘Laat mij maar even.’ Ik draai snel de zandloper om. Misschien iets te snel, waardoor ik denk dat zij nu weer denkt dat ik niet wilde dat ze met haar lijf in mijn buurt kwam en zij zich nu gekwetst en afgewezen voelt. Dat was niet zo. Ik wilde, verdomme, alleen maar helpen. Maar leg dat maar eens uit.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant