Vermogensbelastingen Toen box 3 in 2001 werd ingevoerd leek het niemand een slecht idee. Inmiddels wordt hier al meer dan tien jaar over gediscussieerd. De argumenten voor en tegen lopen door elkaar heen, stelt Joop van Lunteren. „Het is goed je te realiseren dat het over drie verschillende belastingen gaat.”
In het melodrama dat nu al een paar jaar onder de titel ‘box 3’ wordt opgevoerd, lijken de spelers niet meer te weten waarover het stuk eigenlijk gaat en hoe het zo gekomen is. Toch is het voor de acceptatie van een belasting door de betalers erg belangrijk dat zij begrijpen waarom die belasting geheven wordt en dat dat misschien niet leuk is, maar wel redelijk. En het is goed je te realiseren dat de box-3-discussie over drie wezenlijk verschillende belastingen gaat. Nu rollen de argumenten voor en tegen die belastingen in een grote kluwen door elkaar.
Joop van Lunteren was tussen 1993-2000 directeur-generaal van de Belastingdienst.
Met de inkomstenbelasting belast de fiscus periodieke opbrengsten zoals loon uit arbeid, winst uit onderneming, rente en dividend en de huuropbrengsten van particuliere verhuurders. Daarnaast is al heel lang aanvaard dat er goede redenen zijn om ook het enkele bezit van vermogen te belasten. Iemand met vermogen heeft nu eenmaal meer draagkracht dan wie dat niet bezit. Dat merk je vooral als je fiets gestolen wordt en de ijskast en de wasmachine het tegelijk begeven. En dus hadden we vanaf 1964 een aparte vermogensbelasting van 0,7 procent tot 0,8 procent over de waarde van het vermogen. Laag genoeg om niet heel Laren, Wassenaar en Bloemendaal naar de Bahama’s te laten verkassen en toch met een opbrengst van enkele miljarden.
Nederland heeft heel lang de opbrengsten uit vermogen (rente, dividend) gewoon opgeteld bij de opbrengst van arbeid en dat progressief belast. Dat ging overigens moeizaam, enerzijds doordat de Belastingdienst van banken geen informatie kreeg over die inkomsten (maar dat werd rond 1990 opgelost), anderzijds doordat het te makkelijk was belaste inkomsten (rente, dividend) om te katten in onbelaste vermogenswinst. Want wat wij, anders dan andere landen, niet deden, was het belasten van vermogenswinst.
En ziedaar, box 3. Op het moment van invoering in 2001 helemaal niet zo’n slecht idee. De wetgever ging uit van een fictief rendement van 4 procent van de waarde van het vermogen (dat was slim, want aan de lage kant), waarover een gematigd tarief van 30 procent werd geheven. Je hoorde niemand klagen. En heel stilletjes ging het ineens niet meer alleen over periodieke opbrengsten, maar over ‘rendement’ en dus óók over vermogenswinst.
Dat ging goed tot in de bankencrisis de rente structureel daalde en het niet meer zo makkelijk was die 4 procent te realiseren. Geleidelijk nam het gemor toe. De Hoge Raad sprak uit dat het fictief rendement niet deugde. Tegelijkertijd zei onze hoogste rechter dat het niet aan hem was dit te repareren. De wetgever moest aan de slag. De politiek kon het niet eens worden over een oplossing waarna voor de Hoge Raad de maat vol was en zij uitsprak dat box 3 in de toenmalige vorm in strijd was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat noopte tot pleisters plakken en de nu nog lopende zoektocht naar een definitieve oplossing.
Nu kun je een hele fundamentele boom opzetten over de vraag of vermogenswinst hetzelfde is als rente, dividend of huur. Gerenommeerde economen als Bas Jacobs en Sijbren Cnossen hangen die opvatting aan. Zelf denk ik dat vermogenswinst (onzeker mét kans op verlies) voor mensen een wezenlijk andere functie heeft dan rente, dividend of huur (regelmatige inkomstenstromen). Wat daar ook van zij, ik vermoed dat niettemin vrij onomstreden is dat het redelijk is ook vermogenswinst te belasten. Dus dóé dat dan ook.
Belast allereerst de werkelijke periodieke opbrengsten in de inkomstenbelasting. Daar is geen apart tarief voor nodig, deze opbrengsten kunnen gewoon bij ander inkomen worden opgeteld en progressief worden belast.
Ga daarnaast terug naar een gematigde afzonderlijke belasting op het enkele bezit van vermogen met een tarief van rond de 1 procent per jaar. Ik vermoed dat zo’n belasting vrij snel kan worden ingevoerd. Belast ten slotte gerealiseerde vermogenswinst in een aparte belasting en laat vermogensverliezen verrekenen. Een vermogensaanwasbelasting, die jaarlijks ook papieren winst belast, kan wel degelijk mensen in grote problemen brengen. En dat zijn echt niet alleen de ‘allerrijksten’, wie dat ook mogen zijn.
Ja, dat kan de eerste jaren voor een boekhoudkundig probleem zorgen, maar los dat niet op door weer een valse start te maken met een op zich redelijke heffing. Verwar rechtsgronden als redelijkheid en billijkheid voor het heffen van vermogensbelastingen niet met de discussie over de boekhoudkundige verwerking. Als er ooit iets is waarvan de minister van Financiën mag zeggen ”dit mogen we lenen, want dat komt terug” is het dit wel. Maar roer die drie wezenlijk verschillende belastingen niet door elkaar want dat wordt een onverteerbare soep.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie