Home

‘Ik wilde een goede opleiding, geld verdienen, een auto en een huis. Ik wist zeker: er zit veel meer in mij’

Boubker Kourbit (68) verstopte zijn spaargeld in zijn schoenen en waagde het erop: op zijn 19de verliet hij Marokko om aan de armoede te ontsnappen. ‘Ik snap heel goed dat migranten onlangs naar Ceuta zijn gaan zwemmen.’

is verslaggever en schrijft over cultuur en maatschappij.

Op zijn 12de sloot Boubker Kourbit een pact met zichzelf: op een dag zou hij vertrekken. Weg uit Fez, ver weg uit Marokko. ‘Ik wilde een goede opleiding, geld verdienen, een auto en een huis. Ik wist zeker: er zit veel meer in mij. Als ik blijf, komt dat er niet uit.’

Boubker ‘noem me maar Bob’ Kourbit (68) zet verse muntthee in de matzwarte keuken van zijn rijtjeshuis in Voorburg. Hij serveert er Marokkaanse zoetigheden bij. Later zal hij nog koken voor zijn gast, daar staat hij op.

U was nog heel jong toen u dat besluit nam.

‘Ik was oud genoeg om te begrijpen wat armoede was. Ik liep naar school met schoenen zonder zolen, alleen de bovenkant was nog heel. Dat was om te kunnen laten zien dat ik schoenen aanhad, maar in feite liep ik op blote voeten.

‘Ik ben de jongste van vijf kinderen; ik heb nog vier zussen. Mijn vader was militair en verdiende omgerekend 25 euro per maand. Hij stierf toen ik 9 was. Na zijn overlijden was er geen financieel vangnet. Mijn moeder zag ik daarna nog maar een paar keer per jaar. Ze ging op het platteland werken, om nog iets te kunnen verdienen aan de olijfbomen die haar familie bezat. Ik neem het haar niet kwalijk, maar het waren moeilijke jaren. Mijn zussen waren getrouwd en het huis uit. Ik leefde vrijwel alleen.

‘Gelukkig had mijn vader ons appartement ooit gekocht, dus kon ik er blijven wonen. En er was genoeg olijfolie. Maar wat heb je aan olijfolie zonder brood? Ik stal weleens brood. Maar vaak genoeg ging ik slapen zonder iets te hebben gegeten.

In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?

‘Mijn een paar jaar oudere vriend Abdullah ontfermde zich een beetje over me. Hij stopte me soms een brood of wat eieren toe, nam me mee naar de kapper of een badhuis. Hij was goudsmid, zijn handen konden echt alles maken, maar hij verdiende maar 3,50 euro per week. Samen maakten we plannen om naar Europa te gaan.

‘Ik probeerde van alles. Zo verkocht ik peulvruchten op het schoolplein. Dan liep ik met twee emmers gekookte kikkererwten, 10 kilo aan elke hand, langs scholen. Later werkte ik in de bouw, funderingen leggen. Moet je je voorstellen, een klein mannetje van nog geen 60 kilo en een pikhouweel. De hele dag graven in 40 graden voor 1 euro per dag.

‘Ik ben wel altijd naar school blijven gaan, dat had ik mijn vader moeten beloven op zijn sterfbed.’

Hoe bent u weggekomen?

‘Ik wilde naar Nederland. Ik voetbalde veel en was gek op Nederlands voetbal: Johan Cruijff, Johnny Rep, Rob Rensenbrink. Mijn zus woonde daar al met haar man. Toen ze in 1976 op vakantie waren in Marokko, ben ik met ze mee teruggegaan in de auto. Ik was 17, nog een kind. Mijn zus stond voor mij in.

‘Mijn zwager werkte bij de loodfabriek aan de Delftse Vliet in Rijswijk. Via hem kreeg ik daar een zwart vakantiebaantje. Ik verdiende goed geld, 700 euro per maand. Na mijn dienst ging ik de stad in, Delft of Den Haag. Ik vond de gebouwen prachtig en het land zo groen. De mensen waren vriendelijk. Ik vond Nederland het paradijs op aarde.

‘Vanuit Marokko kreeg ik het bericht dat ik mijn examen voor de studie verpleegkunde – die ik voor mijn vertrek had afgelegd – had gehaald en dat ik in september aan mijn ziekenhuisstage van twee jaar kon beginnen. De wens van mijn vader echode in mijn hoofd. Ik vond dat ik de kans moest pakken en ging terug.’

Er lag in Marokko een baan in de verpleegkunde voor u in het verschiet.

‘Ja, maar voor 25 euro per maand, want dat was wat je in die tijd ongeveer verdiende met een baan bij de overheid. En intussen had ik al geproefd van een ander leven.

‘Mijn moeder heeft me nog proberen te koppelen aan mijn nichtje op het platteland. Tijdens een bezoek aan mijn moeder werd ik uitgenodigd voor de lunch bij mijn oom. Ik had niets door, totdat m’n moeder me maande het woord te nemen en de hand van mijn nichtje te vragen aan mijn oom. Ik fluisterde: ‘Ben je gek geworden?’ Gelukkig klonk de oproep voor het middaggebed. Ik zei dat ik even ging bidden en ben niet meer teruggekomen.

‘Mijn moeder zei later: ‘Je nichtje is trouw en kent elke olijfboom die van jou is. Als ik er straks niet meer ben, wie kan het je dan vertellen?’

‘Na een jaar stage in een ziekenhuis wilde ik terug naar Nederland. Dit keer moest ik alleen in Europa zien te komen. Ik was inmiddels 19. Veel Marokkaanse jongens probeerden in die tijd onder het mom van vakantie Europa in te komen. (Begin jaren zeventig leven er zo’n twintigduizend illegale arbeidsmigranten in Nederland, red.) Je moest een retourticket hebben en een goed verhaal. Er werd streng gecontroleerd op het traject Spanje-Frankrijk-België.

‘Het gelazer begon al bij de boottocht van Tanger naar Algeciras. Zo mocht je maar 100 dirham, zo’n 10 euro, uitvoeren, niets dus. Terwijl je bij de grensovergang van Spanje omgerekend 250 euro bij je moest hebben, anders werd je teruggestuurd. Ik had mijn stagegeld opgespaard en in mijn schoenzolen gelijmd. Ik had een baard laten staan en deed me voor als analfabete boer die vanzelfsprekend zijn schoenen uitdoet bij de drempel van de kamer waar hij werd gefouilleerd. Ik riskeerde een gevangenisstraf voor het geld smokkelen en – nog erger – een rood kruis in mijn paspoort als ik werd gesnapt. Dan kon ik het nooit meer proberen.

‘De schoenen werden tijdens het fouilleren niet aangeraakt. Op de boot heb ik de dirham omgewisseld voor Spaanse peseta’s en ik liet het vereiste bedrag vrolijk zien bij de douane. Ik had het gered. Ik denk er nog vaak aan terug, verbaasd dat ik dat toen durfde. Maar ik had niets te verliezen.

‘Na aankomst in Nederland heb ik eerst een maand bij mijn zus en zwager in Leidschendam gezeten. Stom toevallig kwam ik op straat een vriend uit Fez tegen. Hij woonde in een groot herenhuis tegenover het Kurhaus met zo’n dertig migranten: Surinamers, Marokkanen, Kaapverdianen. Grotendeels illegalen, net als ik. Tussen de stapelbedden mocht ik op de grond slapen.’

Dat was beter dan bij uw zus?

‘Ja, natuurlijk, want ik kwam nieuwe mensen tegen. Er lagen kansen om verder te komen. Via een van die jongens kreeg ik een baantje als schoonmaker bij een bar in Den Haag. ‘Schoonmaken is mijn specialiteit’, zei ik tegen de eigenaar. Ik had al snel door hoe ik Nederlanders kon inpakken: op tijd komen, verzorgd zijn, dingen uit jezelf doen en welwillend zijn om te leren.

‘Bij een chic restaurant in Den Haag kreeg ik nog een schoonmaakbaan. In de bar mocht ik sateetjes grillen in de keuken. Zo had ik de hele dag werk, van ’s ochtends tot ’s avonds. Ik heb geen moment verspild.

‘Al gauw verdiende ik zo’n 25 euro per dag en kon ik de zolderkamer in het herenhuis huren. Een kamer van ongeveer 2 bij 2 meter waarin je bukkend moest binnenkomen. Er was een bed, een wastafel en een klein raampje. In de zomer ging ik in het kozijn zitten, met mijn benen naar buiten, om even te zonnen. Het leven begon echt lekker te lopen.

‘Op een keer, om 3 uur ’s nachts, hoorde ik sirenes. Kort daarna deed de politie een inval in het pand. Ik hoorde hoe elke kamer werd uitgekamd. Trillend zat ik op de rand van mijn bed met mijn sporttas op schoot die ik altijd ingepakt had klaarstaan. Zo wachtte ik mijn beurt af. Maar ze kwamen niet naar zolder. Na een tijdje keek ik uit het raampje en zag ik hoe alle jongens in auto’s en bussen werden geduwd, en de stoet wegreed.

‘De eigenaar van de bar kende een makelaar en via hem kon ik een kamertje huren in Voorburg. Daar leerde ik weer een beetje ontspannen. Ook kreeg ik een leuke baan als barman in de lokale bar.’

Hoe heeft u uw verblijfsvergunning gekregen?

‘Ik werd verliefd op een Nederlandse vrouw uit Leidschendam. In 1983 zijn we getrouwd. We hadden een buurvrouw en haar man opgetrommeld als getuigen. We kregen een prachtige dochter.

‘Mijn leven zat weer in de lift. Door te trouwen kreeg ik een verblijfsvergunning en kon ik solliciteren op een vaste baan bij een hotel in Den Haag, waar ik uiteindelijk twintig jaar heb gewerkt. Ik begon als bagagist en later leidde ik de bar.

‘Ook haalde ik alle horecadiploma’s. Ik ben de eerste Marokkaanse vinoloog van Nederland.’ Kourbit laat een knipsel zien uit 1996 uit de lokale krant. Op de foto houdt hij stralend zijn diploma van de wijnacademie omhoog.

Zijn huwelijk hield geen stand, vertelt Kourbit. Een paar jaar na de scheiding ontmoette hij Sandra, met wie hij nog drie kinderen kreeg en met wie hij nu 35 jaar samen is. Tot zijn pensioen vorig jaar heeft Kourbit in de horeca gewerkt. Nu rijdt hij vijf dagen per week een zorgtaxi.

Het is tijd voor de lunch, vindt Kourbit, en hij doet een schort om. Geroutineerd giet hij grote scheuten olijfolie in de pan, olie van de bomen van zijn moeder, die sinds haar overlijden in 1999 worden beheerd door een neef. ‘Ik neem er even een roseetje bij’, zegt hij. ‘Marokko is een geweldig wijnland. Ik ken een paar heel goede wijnhuizen, maar Europa kent ze niet.’

Deze maand gaat Kourbit weer naar Marokko, vertelt hij, onder meer voor zijn stichting die arme kinderen en jongeren helpt met spullen of een opleiding. ‘Ik heb in Fez iemand die alles uitdeelt wat ik hier verzamel. Hij weet precies wie wat nodig heeft. Ik kan Marokko niet de rug toekeren. Dat kan ik niet maken. Als ik door Fez loop en zo’n magere jongen zie, komt alles van vroeger weer terug. Dan geef ik hem geld, eten of kleding. Het appartement van mijn vader heb ik op naam laten zetten van zo’n jongen. Hij had geen dak boven zijn hoofd. Nu wel.

‘Als ik in Fez ben, verblijf ik altijd in vijfsterrenhotel Les Mérinides. Ik heb het hotel als kind gebouwd zien worden. Dan keken mijn vriend Abdullah en ik naar de steigers en dachten we: als we daar toch ooit een nacht zouden kunnen doorbrengen, maar dat zal nooit lukken. Ik was Abdullah uit het oog verloren. Vorig jaar kwam ik erachter dat hij in Frankrijk woont.’

In juli staken tienduizenden migranten de grens over van Marokko naar de Spaanse exclave Ceuta, veelal zwemmend. Tientallen zijn om het leven gekomen. Begrijpt u waarom ze dat deden?

‘Die jongens willen een bestaan opbouwen. Dat willen we toch allemaal? Het vooruitzicht geen vooruitzicht te hebben, zit heel diep bij ze. Ik snap heel goed dat ze zijn gaan zwemmen. Eigenlijk heb ik bijna vijftig jaar geleden precies dezelfde sprong gewaagd.’

Source: Volkskrant

Previous

Next