is televisierecensent voor de Volkskrant.
Joe Hammond (28) heeft veel gemeen met zijn vader. Zijn liefde voor de band Joy Division en het boek De vreemdeling van Albert Camus, bijvoorbeeld. Maar ook zijn ondeugende ogen en het vermogen om zelfverzekerd over te komen als hij dat niet is. En dan is er nog dat voortdurende gevoel van onrust, dat gepaard gaat met diepe dalen en hoge pieken.
Die overeenkomsten jagen hem angst aan. Zijn vader is zeven jaar geleden overleden aan een overdosis heroïne, ergens in Engeland. Hammond, die met zijn moeder opgroeide in Nederland, heeft hem amper gekend. Verder dan wat Facebookberichtjes en telefoontjes ging hun contact niet.
In de documentaire De dode junk in mij (EO), sinds deze week online te zien op npodoc.nl en het Youtubekanaal van NPO 3Lab, probeert Hammond erachter te komen wie zijn vader nou eigenlijk was, en wat er in zijn leven is misgegaan.
Dat doet hij in de eerste plaats voor zichzelf. Lang heeft hij zo min mogelijk over zijn vader nagedacht, om het verdriet uit de weg te gaan. Maar dat verdriet kwam toch, tegelijk met de vrees dat er iets in hem zit waardoor hij zijn vader achterna zal gaan. ‘Dat is een reden waarom ik er een documentaire over wil maken: dan moet ik er wel over praten’, legt hij uit aan zijn vrienden.
Hammond houdt De dode junk in mij klein. Qua duur, met slechts een dik halfuur. Maar ook in zijn voice-overs: grote overdenkingen over het concept erfelijkheid houdt hij achterwege. We horen vooral telefoongesprekken, waarin Hammond zijn vrienden soms stamelend bijpraat over zijn onderzoek.
Het camerawerk draagt bij aan die kwetsbaarheid. De kijker zit vaak bijna ongemakkelijk dicht op de huid van Hammond en ziet hoe zijn kaken zich aanspannen als hij hoort dat zijn vader ooit crack rookte op dezelfde boomstam waarop hij nu zit. Of als zijn oma hem op het hart drukt dat hij niet nog meer op haar zoon moet gaan lijken dan hij nu al doet.
De zoektocht eindigt in Salisbury, bij een rijtjeshuis van rode baksteen, waarop nog een smiley staat die zijn vader met stoepkrijt heeft getekend. Na even twijfelen klopt Hammond aan. Hij belandt in een ruimte met kale muren en een matrasje op de grond, waar zijn vader ooit zijn laatste momenten heeft doorgebracht.
Daar ziet hij in hoezeer hij en zijn vader van elkaar verschillen, ook al heeft hij zijn onrust geërfd. Zijn vader gebruikte drugs om daaraan te ontsnappen. ‘Maar door het maken van deze documentaire ben ik niet meer aan het vluchten. Ik denk dat ik het onder ogen kom’, concludeert Hammond.
Op zichzelf is dat al waardevol genoeg. Dat daar ook nog eens een sterke film uit voortkomt, is slechts een mooie bijvangst.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant