Woensdagmiddag is columnist, schrijver, cabaretier en televisiemaker Paulien Cornelisse overleden. In 2024 bracht ze zelf naar buiten dat ze ziek was. Erover schrijven wilde ze niet, want: ‘Je mag best over iets vertellen wat erg voor je is, maar als je er nog middenin zit, werkt het niet.’
is kunstredacteur van de Volkskrant.
Het was collega-columnist Ionica Smeets, een scherpe lezer, opgevallen dat een aantal van de recente columns die Paulien Cornelisse sinds 2018 op de voorpagina van de Volkskrant schreef, zich afspeelde in wachtkamers. Ze mailde met de schrijfster: ‘Gaat het wel goed met je?’ Nou nee, niet echt, maar daarmee hield het observeren en het schrijven nog niet op.
Op 21 augustus 2024 bracht de columnist, schrijver, cabaretier, televisiemaker en vaste deskundige bij De slimste mens het slechte nieuws zelf naar buiten. Ze blies haar nieuwe solovoorstelling Komma nog voor de première af: ‘De reden hiervoor is dat er bij mij kanker is geconstateerd.’ En: ‘Ik richt mij ondertussen op herstel en zoek de rust op met mijn gezin.’ Ze meldde dat ze wel doorging met haar stukjes voor de krant, met de toevoeging ‘Zolang het gaat’.
En vanaf dat moment wist haar lezerspubliek ook waarom sommige van haar stukjes uit de wereld van het ziekenhuis kwamen. Voordeel van een onafzienbaar nadeel is dat de wereld waarin ze haar scherpe, gedetailleerde observaties doet zich heeft uitgebreid. Uit haar column van 31 oktober 2024: ‘Ik had aardbeiensokken, en daardoor vertelde de bestralingstechnicus dat zij vandaag ook voor fruit was gegaan bij haar sokkenkeuze. Ze hield haar voet omhoog: sinaasappels.’ Daar blijft het niet bij. De technicus vertelt dat in een professionele wereld waarin iedereen medische kledij draagt de sokken de manier zijn om je te onderscheiden. Sokken zijn ‘echt een ding’ in het ziekenhuiswezen.
De 150 woorden op de voorpagina, die ze drie keer per week voor de Volkskrant schreef, eindigden die dag met de zin: ‘Ik hou van het moment in een gesprek waarop je je realiseert dat er een hele wereld is waarvan jij nooit iets hebt afgeweten.’ Paulien Cornelisse beschreef hier ook tegelijkertijd de niet aflatende nieuwsgierigheid die de motor was achter haar schrijverschap. De observaties sijpelden vervolgens voortdurend door in haar theaterwerk.
De inzichten die ze presenteerde waren van zichzelf niet bescheiden, laat staan triviaal, te noemen, maar de manier waarop ze haar observaties over gedrag en taal verzamelde kwam van onderaf: van de sok naar boven, zeg maar. Het begon met veldwerk, met alledaagse ontmoetingen op schoolpleinen, supermarkten en ja, ook in wachtkamers.
In haar theaterprogramma Aanstalten uit 2022 dook ze onder meer diep in de diffuse betekenis van het woord ‘aanstalten’, zoals in de vaak gehoorde zin ‘zullen we langzamerhand maar eens aanstalten maken?’ Recensent Gidi Heesakkers schreef in de Volkskrant dat Cornelisse hier deed ‘wat ze gelukkig niet laten kon: het maken van aanstalten consciëntieus analyseren als een voorstadium dat dikwijls gedoemd lijkt een voorstadium te blijven.’ Aanstalten dat niet zelden leidde tot iets wat Cornelisse graag ‘afstalten’ noemde.
Haar observaties (en haar soms gortdroge presentatie van alledaagse absurditeit) leidden soms in filosofische hinkstapsprongen naar observaties over haar eigen leven, en waarom niet, de menselijke soort. Maar die observaties begonnen dan bijvoorbeeld bij het gebruik van de komma. Of bij het verschijnsel van ‘ingressieve spraak’ waarbij een kleine groep mensen als ze ‘ja’ zeggen tegelijk inademen.
Herkenbaar en raadselachtig tegelijk, een zogenaamd ‘vagetaalfenomeen’ dat Cornelisse graag van alle kanten bekeek en betastte. In een uitgebreid stuk in de Volkskrant in februari 2021 ging ze op zoek naar een antwoord op de vraag: wat betekent het, als je inademend praat? Een rondgang langs deskundigen leidde niet tot een sluitend antwoord, maar uiteindelijk wel richting de herinnering aan een zinnetje dat ze vaak tegenkwam toen ze psychologie studeerde: ‘More research is needed!’
Hier hield het verhaal niet op, zoals eigenlijk altijd bij Cornelisse, altijd al meer van de komma dan van de punt. Naar aanleiding van het stuk werd ze uitgenodigd in een televisieprogramma om over de ingeademde ja en andere taalfenomenen te praten. Onverwachte bijvangst van dit optreden was dat een chirurg contact met haar opnam, omdat hij via zijn televisiescherm iets in haar nek had gezien dat op problemen met de schildklier wees.
Deze hele episode werd vervolgens een verhaal in haar programma Aanstalten, waarbij ze vertelde hoe een medische ingreep zijn oorsprong vond in een vage irritatie over de spraakgewoonte van een bepaald type vrouw, ‘met een paars gewaad en misschien wel een ketting van hout of vilt’. Niets triviaals aan dit hele traject dat begon met nieuwsgierigheid naar een spraakfenomeen dat nooit serieus onderzocht werd en dat Cornelisse vervolgens op onvermoede plekken bracht.
Uit het interview met de Volkskrant: ‘Voor het leven in het algemeen geldt dat er maar weinig echte conclusies zijn. Of in ieder geval is dat hoe ik naar het leven kijk. Het zetten van een punt, een definitieve punt, dat doe je gedurende je leven toch bijna nooit? Er komt altijd wel weer iets.’
‘Ik denk dat veel mensen graag denken in duidelijke verhalen, in conclusies, in definitieve lessen, in het ronde einde. Ik geloof daar niet zo in. Ik denk meer: er gebeurt van alles, en je kunt aan al die gebeurtenissen tijdelijke conclusies verbinden, voordat je weer een andere conclusie moet trekken.’ Cornelisse zat aan het eind van elk sprookje te denken aan welke garantie dat ‘lang en gelukkig’ eigenlijk geeft: ‘Leuk dat de prins en prinses met elkaar eindigen, maar vervolgens kan de prins alsnog een tia krijgen.’
Paulien Cornelisse werd in 1976 geboren in Amsterdam, op een deel van de Herengracht dat van oudsher de bijnaam Gouden Bocht had, maar er in die jaren niet al te florissant bijlag, een ‘slordige buurt’ noemde ze het, ‘met leegstand en een krakerscultuur’. Het was de tijd van ontruimingen en krakersrellen: ‘Mijn broer speelde thuis ME-tje met de deksel van de rieten wasmand als schild.’
In een interview in geschiedenisblad Ons Amsterdam neemt ze de interviewer (Karin van Munster) mee langs de plekken van haar Amsterdamse leven. Haar basisschool was de Nicolaas Maes in Amsterdam-Zuid, waar ze al verhalen en toneelstukjes schreef. ‘Het begrip ‘de derde wereld’ leefde enorm. Als je later groot was, kon je eigenlijk niet iets doen wat je gewoon leuk vond, nee, het moest ook goed zijn voor de wereld.’
Na het Barlaeus Gymnasium en een jaar in de Verenigde Staten studeerde ze van 1995 tot 2000 psychologie aan de Universiteit van Amsterdam.
In deze periode studeert ze ook eind jaren negentig Japans aan de universiteit van Hiroshima, het startpunt van een levenslange belangstelling voor de Japanse taal en cultuur. Twintig jaar na haar studie in Hiroshima maakt ze samen, met Jelle Brandt Corstius als regisseur, twee seizoenen van het geestige en originele reisprogramma Tokidoki voor de VPRO.
Elke aflevering van Tokidoki (‘Soms’ in het Japans: ‘mijn lievelingswoord’) heeft een Japans begrip als uitgangspunt. Uit het programma: ‘Ik dacht dat als ik de taal maar zou begrijpen, ik ook de Japanners zou begrijpen.’ Maar ook ver van haar eigen taal en cultuur komt ze er achter dat taal maar een deel van het verhaal vertelt. Meedoen is minstens zo belangrijk.
Belangrijker wellicht dan haar studie psychologie was het lidmaatschap van cultureel studentencentrum Crea, dat in die periode op het Binnengasthuisterrein, hartje centrum, was gevestigd. Hier speelde ze viool, volgde ze kleinkunstlessen en trad ze met eigen sketches op in de theaterzaal van Crea. Tegen Ons Amsterdam zei ze: ‘Destijds dacht ik: ik doe dit gewoon omdat het zo leuk is en het doet verder niet ter zake. Maar terugkijkend zijn daar mijn ogen geopend voor wat ik eigenlijk wilde gaan doen: schrijven en optreden.’
Haar aanloop richting de Nederlandse cabaretpodia liep dus niet via de traditionele kleinkunstacademie. Haar leerschool na Crea was het cabaretduo Rots (van 1999 tot 2003, samen met Irene van der Aart) en de Comedytrain, tussen 2001 en 2004. Na een tweede prijs op het Leids Cabaret Festival in 2007 won ze in 2010 de Neerlands Hoop-talentenprijs voor haar eerste avondvullende show Dagbraken.
De jury schreef: ‘(Cornelisse) is tegendraads en vernieuwend en heeft een verrassende geest waaruit eigenzinnige humor rond taal en bizarre vondsten ontspruiten.’ Eerder had de Volkskrant haar naar aanleiding van haar eerste programma ‘een echte belofte’ genoemd: ‘Een intrigerende cabaretière die diepgang op een kolderieke manier kan verkopen.’
In deze periode begon ze met goede vriend en collegacabaretier en columnist Micha Wertheim de podcast Echt gebeurd, waarin mensen hun eigen, waargebeurde verhalen op een klein podium kunnen vertellen. Er zijn inmiddels meer dan 550 afleveringen van deze op het Amerikaanse The Moth gebaseerde podcast gemaakt.
Tussen 2008 en 2018 schreef ze een wekelijkse column over modern taalgebruik in NRC, waarvan in 2009 een eerste verzameling verscheen onder de titel Taal is zeg maar echt mijn ding. Het werd een enorme bestseller, waarvan in het eerste jaar al 300.000 exemplaren werden verkocht. Het boek zou 124 weken in de CPNB-top 60 staan en bekroond worden met een Platina Boek, de prijs voor een half miljoen verkochte exemplaren. Vanaf dit eerste boek was Paulien Cornelisse voortdurend een van de bestverkochte Nederlandse auteurs.
Een verrassende afsplitsing van het succes was de ‘verfilming’ uit 2018 onder dezelfde titel, maar nu als romcom over een journaliste met een fascinatie voor taalkwesties die valt voor een fotograaf.
Verschenen haar eerste taalboeken bij uitgeverij Contact, vanaf het fictiedebuut De verwarde cavia (2015) werd Cornelisse haar eigen uitgever, met een vast team om zich heen. ‘Bij het maken van mijn theatervoorstellingen heb ik al jaren de volledige productie in handen. Ik was benieuwd hoe zoiets zou werken bij het uitbrengen van een boek.’ Er zouden van het boek over het kantoorleven van een cavia 150.000 exemplaren worden verkocht. Na drie keer eerder genomineerd te zijn, won ze in 2025 de NS Publieksprijs voor het vervolg op haar eerste caviaboek: De verwarde cavia – Terug op kantoor.
Bij het verschijnen van haar tweede De verwarde cavia-boek vroeg Het Parool haar of ze overwoog over haar ziekte te schrijven. Ze antwoordde met het advies dat ze als maker van de podcast Echt gebeurd aan de verhalenvertellers geeft: ‘Vertel het vanuit het litteken, niet vanuit de wond. Je mag best over iets vertellen wat erg voor je is, maar als je er nog middenin zit, werkt het niet.’
Eind vorig jaar verscheen In het kort, een verzameling van haar Volkskrant-voorpaginacolumns, dat opent met een observatie over een bijzonder zwart-rood vogeltje dat bij nader inzien de wikkel van een Mars-reep lijkt te zijn. ‘Gelukkig had niemand gezien dat ik zo had staan genieten van mijn diepe contact met de natuur.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant