Biologie Met hogesnelheidscamera’s en aanraakschermen hebben biologen onderzocht welke vlinders het moeilijkst te vangen zijn.
Een koninginnepage (Papilio machaon), een van de vlindersoorten die voor het onderzoek gebruikt zijn.
Motion dazzle wordt het wel genoemd, vrij vertaald ‘bewegingsbegoocheling’: de aanwezigheid van opvallende patronen bij bijvoorbeeld zebra’s, slangen, vissen en reptielen. Een vaak genoemde hypothese is dat die strepen, in combinatie met beweging, voor verwarring zorgen bij de vijand – die weet dan niet meer waar en wanneer toe te happen, waardoor de beoogde prooi kan ontsnappen. Hard bewijs voor die theorie is nooit geleverd, maar in Nature staat nu onderbouwend onderzoek uit onverwachte hoek: bij vlinders lijkt motion dazzle een belangrijke rol te spelen. Britse biologen beschrijven hoe strepen, sterk contrasterende kleuren en vleugelversieringen misleidende bewegingen suggereren.
Vaak gaat het bij vlinderpatronen algauw over mimicry: een verdedigingstruc waarbij een dier een andere diersoort imiteert om groter, giftiger of anderszins afschrikwekkender te lijken dan eigenlijk het geval is. Denk aan de ‘ogen’ op de vleugels van de dagpauwoog, of aan de geel-zwarte, wespachtige rupsen van de jakobsvlinder. Maar specifiek bij Europese vlinders is mimicry relatief zeldzaam, en tóch zijn ze voorzien van allerlei patronen, schrijven de auteurs. Bovendien vangen vogels zelden rondfladderende dagvlinders. Nachtvlinders vangen ze wel al fladderend, maar die hebben vrijwel geen sterk contrasterende patronen. Dus: zou er bij de dagvlinders geen motion dazzle in het spel kunnen zijn?
Om die aanname te testen, vergeleken ze hogesnelheidsfilmbeelden van echte vlindervleugels met computersimulaties van patroonrijke en patroonloze vlindervleugels. Zo ontdekten ze dat vooral verticale strepen, contrasterende kleurbanden en ‘vleugelstaarten’ (dunne uitlopers aan de achtervleugels) motion dazzle creëren. Vervolgens onderwierpen ze honderd proefpersonen aan 3.000 virtuele vlindervangexperimenten: deelnemers moesten op een scherm vlinders vangen door ze aan te klikken. Bij vlinders met bovengenoemde patronen zaten de proefpersonen er vaker naast en was de afstand tussen de vlinder en de plek waar geklikt werd groter.
Doekele Stavenga, emeritus hoogleraar biofysica aan de Rijksuniversiteit Groningen en niet bij de huidige Nature-publicatie betrokken, noemt het onderzoek een interessante ontwikkeling. „Vlinderkleuren en -patronen zijn tot nu toe voornamelijk bestudeerd aan statische, ‘opgeprikte’ vlinders. Om de patronen vanuit de optiek van bewegingsverwarring te bekijken is een belangrijke toevoeging.” Zelf publiceerde Stavenga in 2023 een artikel in het tijdschrift Insects waarbij hij keek naar de rol van doorschijnendheid in vlindervleugels. Daarin haalt hij onder andere een onderzoek aan naar Morpho-vlinders, die suggereert dat de blauwgekleurde, halfdoorschijnende schubben het voor roofdieren moeilijker maken om een vlinder te vangen.
Overigens zijn patronen en kleuren niet de enige manier waarop fladderende vlinders kunnen ontsnappen aan een vijandige vogel. Ook het vlieggedrag zelf – onregelmatig, onvoorspelbaar – bemoeilijkt de vangst. Dat vlieggedrag en de motion dazzle zouden samen voor extra veel verwarring kunnen zorgen, aldus de auteurs. Al met al lijken hun bevindingen in sterke mate de ‘bewegingsbegoochelinghypothese’ te ondersteunen. Het wachten is nu op aanvullend onderzoek naar zwart-witgestreepte zebrakuddes en kronkelende slangen vol zigzagpatronen.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie