Filosofie Wat is waarheid en wat is kennis? Drie recente boeken buigen zich over die vraag.
Wat kun je nog geloven of zeker weten, in een tijd die bol staat van desinformatie, propaganda, complottheorieën en ‘alternatief’ denken? En waarin experts en wetenschap aan gezag hebben ingeboet – met dank aan corona. Drie recente boeken buigen zich, op hun eigen manier, over de vraag wat waarheid en kennis nu eigenlijk zijn: een scepticus en een wetenschapsjournalist zetten zich af tegen modern bijgeloof, een gereputeerde esoterisme-onderzoeker breekt juist een lans voor „verworpen kennis” en „dekolonisatie” van het dominante westerse weten.
Michael Shermer: Truth. What It Is, How to Find It, and Why It Still Matters. Johns Hopkins University Press, 384 blz.
Michael Shermer, de scepticus en oprichter van het tijdschrift Skeptic, doet in Truth een poging licht te scheppen in de duisternis. Hij geeft een overzichtelijke inleiding in waarheid en kennis en waarom die begrippen ertoe doen.
Dat doet hij met een blik vanuit de wetenschap: rationeel, empirisch, gebaseerd op logica en verificatie. In drie delen loopt Shermer langs de known knowns (wat we weten), de known unknowns (wat we nog niet weten) en de known unknowables (de diepe vragen waar misschien geen sluitend antwoord op gevonden kan worden, zoals die naar het bewustzijn, de vrije wil, het bestaan van God en de vraag – als het dat is – waarom er iets is en niet niets.
Op die vragen geeft Shermer geen originele kijk, wel zet hij de argumenten voor en tegen netjes op een rij. Zoals bij het nu onder theologen populaire fine tuning argument (het idee dat het universum natuurkundig zo secuur is afgesteld dat het wel bedoeld moet zijn om leven voort te brengen). Dat geldt misschien voor het universum zoals het nu bestaat, aldus Shermer, zeker niet voor de chaos waaruit het is voortgekomen. Ook wijst hij erop dat de fysische variabelen die volgens verdedigers van fine tuning precies afgesteld moeten zijn, anders kunnen worden berekend, waardoor de bodem uit het argument valt.
Uiteindelijk is dit zijn sobere conclusie: „Geloven dat het universum speciaal is gecreëerd voor één onder tientallen miljoenen soorten op één planeet rond één van honderden miljarden sterren in één van honderden miljarden sterrenstelsels in wie weet een oneindig aantal universums, zou al te provinciaals zijn. Alles draait niet om ons.”
We geloven dat natuurlijk liever wél. Mensen zoeken een plaats in de kosmos, altijd en overal. Shermer laat zien hoe makkelijk we daarbij ten prooi kunnen vallen aan cognitieve vooroordelen die onze kennis van de werkelijkheid sturen en vervormen. Zoals confirmation bias (enkel waarnemen wat al strookt met een eerder gevormde overtuiging) en de neiging opzettelijkheid te zien waar sprake is van toeval. Of de misvatting dat iets wat geen toeval kan zijn een bedoeling móét hebben.
Er is een keerzijde. Shermer pleit voor de goede zaak, maar filosofisch is zijn boek onder de maat. Hij gaat niet in op actuele filosofische theorieën over waarheid – ondanks de titel van zijn boek – en zeker voor een scepticus twijfelt hij te weinig aan zijn eigen overtuigingen. Dat wreekt zich ook bij de vraag wat kennis eigenlijk is. Shermer gaat uit van de gevestigde definitie: kennis is justified true belief. Een overtuiging (belief) die niet alleen waar is (true) maar waar we ook bewijs voor hebben (justified). Je kunt tenslotte volkomen ongegrond ware overtuigingen hebben, bijvoorbeeld door iets goed te raden.
Dat lijkt helder, maar ook over die definitie is nog altijd veel te doen. De Amerikaan Edmund Gettier kwam al in 1963 met voorbeelden van situaties die voldoen aan de criteria maar waarin je toch niet kunt spreken van kennis. Eén ervan: je zegt dat het twaalf uur is, met een blik op een klok die dat aangeeft. Het ís ook echt twaalf uur. Alleen is de klok stuk en staat die toevallig op het juiste tijdstip. Je hebt dus een overtuiging die waar is, waar je een reden voor hebt, maar die toch – volgens Gettier – geen kennis is.
Andere filosofen wijzen op basic beliefs, basale overtuigingen – zoals dat ik wéét dat ik nu dit stuk aan het schrijven ben – waar je geen bewijzen voor kunt aandragen die zwaarder wegen dan de overtuiging zelf. De vraag is dan, opnieuw, of je wel kunt spreken van kennis. Tot slot zijn er nog nog andere ontwikkelingen in de epistemologie (kennisleer) waar Shermer evenmin afdoende op ingaat. Volgens filosofen als Habermas, Latour en Foucault is ‘kennisproductie’ altijd ingebed in een sociale en historische context, wat absolute waarheidsclaims problematisch maakt. Een recent populair begrip is ‘epistemisch onrecht’, het marginaliseren van kennis van achtergestelde groepen of minderheden.
Wouter J. Hanegraaff: Esotericism in Western Culture. Counter-Normativity and Rejected Knowledge. Bloomsbury, 336 blz.
De Amsterdamse hoogleraar Wouter Hanegraaff gaat nog vele stappen verder. In Esotericism in Western Culture pleit deze historicus voor (academische en culturele) herwaardering van „verworpen” kennis, van mystiek tot astrologie, magie en alchemie. Esoterische kennis – een mozaïek van spirituele theorieën en praktijken – maakte deel uit van premoderne wetenschap, maar is sindsdien naar de marge gedrukt door het christendom – dat er ketterij of bijgeloof in zag –, de moderne wetenschap en de Verlichting. In een onttoverde wereld is geen plek meer voor engelen, elfen, magiërs, alchemisten of astrologen.
Hanegraaff, die al decennia baanbrekend onderzoek doet naar westers esoterisme, verwerpt die verwerping. Volgens hem maakt esoterisch denken en doen deel uit van de westerse cultuur en is het „een vitale dimensie van het heden”. New age, de belangstelling voor spiritualiteit en de renaissance van psychedelica wijzen daar zeker op. Maar behalve historicus is Hanegraaff ook een apologeet van verworpen kennis: hij meent dat erkenning ervan een broodnodige correctie is op het huidige zelfbeeld van de westerse cultuur. Op wereldschaal kan dit bijdragen aan „dekolonisatie” van inheemse, niet-westerse kennis, lang afgedaan als primitief voorstadium van ‘echte’ wetenschap.
Dat is een ambitieus programma, maar Hanegraaff werkt het erudiet uit in een beknopt historisch overzicht van westers esoterisme en het idee van kennis dat erin besloten ligt. Dat behelsde een driedeling in geloof, ratio en ‘ultiem’ inzicht, dat boven alles uitging. Bij die ‘hogere kennis’ gaat het volgens Hanegraaff niet zozeer, op zijn Duits, om wissen (weten) maar om kennen (kennis hebben aan of van, zoals je een goede vriend of geliefde kent). Zoals het bij esoterische kennis ook vaak gaat om een vorm van hermeneutiek, het interpreteren van de wereld zoals in het ‘lezen van het boek der natuur’ of van de sterrenhemel.
Er knaagt wel een cruciale vraag. Als onderzoeker wil Hanegraaff niet oordelen over het waarheidsgehalte van esoterische ideeën (hij noemt zich een „agnost met een open geest”). Dat is prudent, maar daarmee sluit hij wel bij voorbaat de mogelijkheid uit dat zulke benaderingen van de werkelijkheid kennis niet alleen maar zijn verworpen uit religieus of rationalistisch dogmatisme maar omdat ze niet langer voldeden, of niet waar bleken te zijn. Dat knelt temeer, omdat Hanegraaff niet alleen geschiedenis beschrijft en analyseert maar ook een lans breekt voor esoterisme. Hij is historicus maar ook apologeet van ‘verworpen kennis’.
Kan dat zonder de vraag te beantwoorden naar effectiviteit, waarde of waarheid ervan? En waarom zou mondiale „dekolonisatie” zich juist richten op esoterisme en niet vooral op de lang miskende kennis van wiskunde, grammatica, sociologie, psychologie en biologie in de niet-westerse wereld? Hanegraaff laat overtuigend zien dat esoterisme net zo goed bij het Westen hoort als wetenschap, maar je zou dekolonisatie kunnen opvatten als het spiegelbeeld daarvan: erkennen dat het zoeken naar ‘harde’, niet verborgen kennis en wetenschap er in de islamitische, Indiase, Chinese of andere niet-westerse culturen evenzeer bij hoorde als mystiek en esoterisme.
Neem astrologie, één van de ‘occulte wetenschappen’. Die archaïsche praktijk pretendeert vaste ‘correspondenties’ te zien tussen hemel en aarde: op microniveau in horoscopen, macro gezien in kosmische cycli. De vraag is dus relevant of het ook wáár is wat astrologen beweren. Het antwoord is: nee, volgens What Science Says About Astrology, het eerste deeltje in een nieuwe reeks van Columbia University Press.
Carlos Orsi: What Science Says About Astrology. Columbia University Press, 213 blz.
In dat korte publieksboek voert wetenschapsjournalist Carlos Orsi een karrevracht bekende en minder bekende onderzoeken aan die laten zien dat astrologen niet beter zijn in het ‘lezen’ van mensen, voorspellen van individuele lotgevallen of wereldgebeurtenissen dan anderen, of het toeval. Astrologie, de overtuiging dat wat op aarde gebeurt hemelse bewegingen of krachten weerspiegelt, is gebaseerd op een geocentrisch universum – dan springen er al snel barsten in de spiegel. Huidige astrologen maken gebruik van NASA-data en computers om precieze berekeningen uit te voeren, maar hun beeld van de kosmos blijft deels gebaseerd op schijnbare bewegingen, gezien vanaf de aarde.
Astrologen zullen van dat bezwaar niet onder de indruk zijn. Het gaat hen immers niet om causaliteit in modern-wetenschappelijke zin, maar om symbolische ‘trillingen’, ‘resonanties’ of ‘correspondenties’: zoals ‘boven’, zo ook ‘beneden’. Astrologie is „als het ware de psychologie van de astronomie”, aldus C.Aq. Libra (pseudoniem van de Groningse veearts en theosoof Roelf Takens, 1862-1930) in Astrologie. Haar techniek en ethiek 1914, nog herdrukt in 1986). Maar dat verweer wringt met de pretentie dat hemelse constellaties dienen als gids bij beslissingen (wel of niet vandaag vliegen?) of het duiden van wereldpolitiek (als de sterren in deze constellatie staan breekt oorlog uit op aarde). Je kunt dat ‘occulte correspondenties’ noemen, maar het veronderstelt een gereguleerde samenhang, die te toetsen moet zijn. En uit zulke toetsen blijkt keer op keer, aldus Orsi: het werkt niet.
Waarom blijft astrologie dan toch aanspreken? Alleen al in de VS is deze ‘verworpen kennis’ een ware industrie is met een omzet van zo’n 13 miljard per jaar (een ontwikkeling tot „winstgevend beroep” die C.Aq. Libra in 1914 al betreurde). Omdat we graag leven in een bezield universum dat om ons draait en orde en regelmaat kent waarin wij zijn opgenomen. Symbolische gelijkvormigheid doet bovendien een beroep op verbeelding en intuïtie, zoals mensen ook graag ‘opgaan’ in films, literatuur of fantasie. De geest kan er vrijuit in waaien, de kosmos in zich laten ‘resoneren’, ongehinderd door de ‘beperkingen’ van de ratio.
Je kunt ook zeggen: de cognitieve vooroordelen die Shermer aanhaalde krijgen er ruim baan. Selectieve waarneming, illusies, ongeloof in toeval, negeren van kansberekening, en uiteraard het Barnum-effect, naar de Amerikaanse showman P.T. Barnum (1810-1891) die zijn publiek van allerlei verzinsels wist te overtuigen. Orsi haalt ook de psycholoog Bertram Forer aan, die zijn studenten een persoonlijkheidstest afnam en hen daarna ieder van hen een karakterschets gaf. 90 procent was verbluft door de treffende gelijkenis. Alleen: Forer had alle studenten precies hetzelfde rapport gegeven. Als je het vaag genoeg houdt (en voldoende complimenteus), schiet je altijd raak.
Orsi laat ook zien dat afkeer van astrologie niet voorbehouden is aan onze ‘verwetenschappelijkte’ tijd. Cicero hekelde sterrenwichelaars, de Romeinse keizers probeerden astrologie uit te bannen (maar maakten er privé graag gebruik van, want je weet nooit). De kerkvader Augustinus presenteerde het tegenvoorbeeld van tweelingen (identieke horoscoop, andere karakters). Mozes verbood het Joodse volk te luisteren naar „wolkenduiders en waarzeggers” en voor de sterren „neer te buigen en hen te dienen”. De profeet Jeremia hekelde de wijsheid van astrologen als „een stuk hout”, opgesmukt met zilver en goud en vastgespijkerd zodat het niet blijft wiebelen. Niet dat het veel uitmaakte. Mensen willen zich thuis voelen in een raadselachtige kosmos – dat blijft de verlokking van ‘occulte wetenschap’.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie