Paulien Cornelisse was ervan overtuigd dat taal meer verwarring brengt dan duidelijkheid schept. Van ‘dikke doei’ tot ‘zeg maar’: haar ‘afwijking met woorden’ ontmaskerde de mens, ons allemaal en soms zichzelf.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Nooit stond een observatie van haar op de wekelijkse taalpagina van de Volkskrant. Dat was ook niet nodig: Paulien Cornelisse was – naast veel meer – een taalrubriek op zichzelf. Een instituut, opgetrokken uit haar eigen fundamenten.
Een bouwtekening was er niet, bleek uit een interview dat de Volkskrant in 2009 met haar had. Toen ze in de zomer van 2005 lusteloos op bed had liggen bedenken wat ze eens zou gaan doen na een periode van stand-upcomedy, had ze op een briefje geschreven: ‘Iets over taal schrijven’ en: ‘Iets op de radio’.
Ze belde omroepen en niet veel later sprak ze wekelijks over taal op de Wereldomroep. Later schreef ze er verrassende stukjes over in NRC Next. De bundeling van die observaties vormde de basis voor haar doorbraak. Van ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ uit 2009 zijn inmiddels meer dan 700 duizend exemplaren verkocht.
Daarmee had ze volgens haar alles wel zo’n beetje gezegd, zei ze in dat interview. ‘Ik geloof niet dat ik nog iets wezenlijks heb toe te voegen.’ Al hoopte ze ook dat ze daar later anders over zou gaan denken.
Zo geschiedde, gelukkig. Paulien Cornelisse had nog lang niet alles gezegd, en de mode in taal en communicatie veranderde ook voortdurend. Het woordje ‘duh’ valt nog steeds weleens te beluisteren in de spraak van alledag, maar haar registratie van de toevoeging ‘punt nl’ achter een zin (‘Ik ben echt chagrijnig punt nl’) was tot haar opluchting bij verschijning van haar boekje alweer uit de mode geraakt.
Met het beschrijven van zulk alledaags taalgebruik trad ze min of meer in de voetsporen van de oervader van het genre: Jan Kuitenbrouwer, die in de jaren tachtig in zijn bestseller Turbotaal de toenmalige neiging naar afkortingen (‘afko’s’) beschreef.
Cornelisse was eigenzinniger. Dat bleek alleen al uit de titel die ze voor haar eerste boek had bedacht: Een wc-boek met kwaliteit, godverdomme. Haar toenmalige uitgever Atlas behoedde haar voor die weinig commerciële titel, die mede voortkwam uit haar eigen ‘wc-obsessie’, maar het tekent de speelse geest. Ze nam de vormgeving van haar boeken (vaak wat onbeholpen ogende illustraties met pen op papier) in eigen hand; later werd ze haar eigen uitgever. Dat laatste slaagde vooral omdat haar stukjes zo mateloos populair waren.
Dat lag mede aan haar humor. Die was scherp, maar nooit vinnig. Cornelisse hield de lezer een spiegel voor die weliswaar een raak beeld gaf, maar de lelijke kantjes altijd met een lichte mildheid toonde. Beschreef ze het menstype dat inademend ‘ja’ zegt (‘een bepaald type ‘vage’ vrouw met een paars gewaad en misschien wel een ketting van hout of vilt’), dan was dat in haar cabaretshow wel een herkenbare observatie die was voortgekomen uit ergernis, maar uit het latere essay dat ze voor de Volkskrant schreef over deze ‘ingressieve spraak’ sprak vooral oprechte en serieuze interesse.
Die fascinatie zat er al vroeg in: Cornelisse had van kinds af aan al ‘een soort afwijking met woorden’. ‘Zo heb ik lang gedacht dat het ‘baxinelichtje’ was, in plaats van ‘waxinelichtje’.’ Die ‘afwijking’ was bij haar nooit meer overgegaan, verklaarde ze haar fascinatie. Met haar verkenningen betrad ze een gebied waar de taalkunde, in elk geval naar buiten toe, onvoldoende oog voor had: de zone van ‘typisch Nederlandse’ tussenwoordjes en schijnbaar betekenisloze vulsels als ‘hè’ of ‘gewoon’, ‘even’ of ‘eventjes’. Ze was de heerseres van het domein van ‘gut, gut’, ‘poe, poe’ en ‘ho, ho’.
Ze was geen schoolmeester. ‘Dat de ene persoon ‘hun hebben’ zegt en de andere persoon niet, dat is mij eerlijk gezegd worst’, schreef ze in haar tweede boek En dan nog iets (2012). (De uitdrukking ‘worst wezen’ had ook makkelijk voer voor Cornelisse kunnen wezen.) Zoals ze schreef: ‘Ik ben geen taalpurist. Ik vind taal juist leuk.’
Dat plezier was de sleutel van haar succes. Ze kon niet alleen feilloos observeren en verwonderen (is het ‘papprika’ of ‘paaprika’?), ze wist haar vragen en bevindingen ook zo te presenteren dat iedere lezer onmiddellijk zichzelf of een goede bekende herkende. Je kon – al dan niet betrapt – niet anders dan instemmen met haar verwondering, om je daarna onvermijdelijk af te vragen waarom je je dat in hemelsnaam nooit zelf had afgevraagd. Van de ‘dikke doei’ tot ‘zeg maar’ of het woordje ‘eerlijk’ als voorbode van een nare mededeling.
Ze was ervan overtuigd dat taal meer verwarring brengt dan duidelijkheid schept, schreef ze al in haar eerste boek. ‘Hoe meer ik erop let, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat mensen bijna altijd iets anders zeggen dan ze bedoelen.’ Zegt een presentator op televisie ‘Ik ga je bedanken’, dan dacht zij: doe dat dan ook – maar dat gebeurde nooit. Vintage Cornelisse: ‘Ik ben daar gek’, onder het kopje ‘Waar dan?’
Zo maakte ze het kleine groot. Daarmee ontmaskerde ze de mens, ons allemaal en soms zelfs zichzelf. Zoals ze al schreef in haar debuut: ‘Taal maakt alles onduidelijk, maar als je heel goed luistert hoor je wat mensen eigenlijk liever niet willen zeggen: wie ze zijn.’
Ook dat had ze feilloos in de gaten. Al zou Paulien Cornelisse zich ongetwijfeld afvragen in welke gaten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant