Home

Laat postume hebzucht nooit groter worden dan respect voor de artiest

Deze week werd heel Nederland weer eens geconfronteerd met de doffe pijn van het verlies van iemand die jou weliswaar nooit heeft gekend, maar wier werk jarenlang je leven in sloop en het een stukje draaglijker of grappiger maakte.

We zullen Paulien Cornelisse ongelofelijk missen, en er daarom alles aan doen om een stukje van haar bij ons te houden. Gelukkig liet ze veel na: een hele stapel columns, een paar boeken en cabaretregistraties, een andere manier van naar zaken kijken.

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Els de Grefte, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof of Anna van Leeuwen stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.

Maar de honger naar meer blijft. Zeker bij iemand die veel te vroeg gaat, blijft het bij liefhebbers altijd knagen: is er niet nog een klein stukje extra van deze geweldige schrijver, schilder of muzikant?

Die honger is het resultaat van een geslaagde carrière, maar leidt soms tot potsierlijke beslissingen die diezelfde carrière minachten. Twee weken geleden nog, voelde ik twee dingen heel sterk tegelijk toen David Bowie: The Shel Talmy Recordings uitkwam, met daarop een handjevol oude, niet eerder uitgebrachte (en niet afgemaakte) David Bowie-liedjes.

Ik hou van David Bowie en vind het een groot onrecht om het grootste gedeelte van mijn leven zonder hem op één aarde te moeten doorbrengen, dus voel ik die typische trekkende behoefte naar zo veel mogelijk Bowie.

Tegelijkertijd, en dit gevoel nam sterk toe bij het beluisteren van de collectie liedjes, was ik woest. Ik kan natuurlijk niet spreken voor een dode rockster die ik nooit in de ogen heb gekeken. Maar de opnamen zijn duidelijk probeersels van iemand die muziek net echt serieus begint te nemen, en staan heel ver af van de artiest die Bowie later zou worden.

Wat geeft ons het recht om dat te horen? Dezelfde vraag dringt zich op bij de (vele) postume albums van Prince, waarvoor hij bij leven nooit expliciet toestemming heeft gegeven. Of wat te denken van Aaliyah, na wiens tragische dood een album onder haar naam verscheen met daarop zes liedjes die ze niet goed genoeg had gevonden voor haar vorige album? Waar halen we, sorry hoor, het gore lef vandaan?

De onvolprezen zanger en drummer Anderson Paak neemt het zekere voor het onzekere. Een paar jaar geleden liet hij, in de bloei van zijn leven, vrij groot op zijn arm tatoeëren: ‘Als ik er niet meer ben, breng dan alsjeblieft geen postume albums of nummers uit waar mijn naam op staat. Dat waren slechts demo’s en het was nooit de bedoeling dat het publiek ze zou horen.’

Anderson Paak en ik delen een angst: dat een artiest die dood is de zeggenschap verliest over diens werk. Hoe pijnlijk, dat we iemand die we bij leven zo hoog hadden zitten en ontegenzeglijk accepteerden als de enige met zeggenschap over de eigen kunst (hoe vaak staan fans niet te juichen bij een artiest die zich vrijvecht van het juk van een al te bemoeizuchtig platenlabel), bij dood plots al die zeggenschap uit handen nemen?

Je houdt immers van Bowie om de artistieke keuzes die hij maakte. Ga die dan niet vervormen na zijn dood, om je eigen hebzucht te stillen.

Van Paulien Cornelisse zouden zelfs haar boodschappenlijstjes waarschijnlijk interessant zijn, maar in godsnaam, blijf ervan af.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next