Biologie Gierzwaluwen scheren hoog boven de daken, zilvermeeuwen bewegen als vliegers in de wind. Genieten ze daarvan? Hoe weet je wat een vogel voelt?
Een luchtballet vormen ze, de miljoenen trekvogels die de komende maanden vanuit of via Nederland naar het zuiden vliegen. De grote sierlijke spreeuwenzwermen, de grauwe ganzen in hun statige V‑formatie, de ooievaars cirkelend op de turbulentie: allemaal zijn ze op weg naar warmere oorden. Ze hebben een reis van honderden, vaak duizenden kilometers voor de boeg; soorten als de grutto vliegen door tot in West-Afrika.
Wie naar al die vogels kijkt, vraagt zich haast als vanzelf af hoe dat vliegen voor hen voelt. Is het pure noodzaak of beleven ze er ook plezier aan? En hoe zit dat met vogels die in de lucht insecten vangen, partners imponeren, soms zelfs paren?
Lange tijd waren het vooral kunstenaars die over het vliegplezier durfden te speculeren. Beroemd is het boek Jonathan Livingston Seagull dat Richard Bach in 1973 schreef, over een zilvermeeuw die in tegenstelling tot zijn soortgenoten een diepe liefde koestert voor het vliegen. Al in 1820 componeerde Franz Schubert Die Vögel, een loflied op het vrije vogelleven in de lucht. Zelfs de mythe van Icarus, die met zijn tijdelijke vleugels de zon te dicht nadert, veronderstelt dat vliegen ten diepste iets heerlijks moet zijn.
Daarentegen zweeg de wetenschap. Ja, Leonardo da Vinci verdiepte zich rond 1500 in zijn Codex over de vlucht van vogels in het vlieggedrag. Ook hij wilde opstijgen naar de zon. Maar zijn interesse in vogels was puur mechanisch: in detail tekende hij hun vleugels na. Over hun gevoelens ging het niet. Die afstandelijke blik hield stand tot ver in de twintigste eeuw. In 1963 benadrukte de Nederlandse gedragsbioloog Niko Tinbergen nog hoe lastig het is om dieren gevoelens toe te kennen. Een sterke focus op emotie werd afgedaan als antropomorfisme: het ten onrechte toekennen van menselijke emoties aan dieren.
Bij het interpreteren van vliegplezier bestaat die valkuil eveneens. Want wat ziet het er aanlokkelijk uit: gierzwaluwen, hoog boven de daken scherend op een strakblauwe lentedag, jan-van-genten die pijlsnel de branding induiken, zilvermeeuwen als vliegers op de westenwind. „Dat vliegen ziet er soms uit als spelen, als zorgeloos buitelen door de lucht”, zegt de Wageningse bioloog en hoogleraar persoonlijkheid bij dieren Kees van Oers van NIOO-KNAW. „Denk ook aan buizerds die rondjes draaien in de lucht na een duikvlucht, of het ondersteboven vliegen van raven. Maar spelen kan wel degelijk een functie hebben – alleen al op sociaal vlak – en om er klakkeloos van uit te gaan dat dieren daar plezier aan beleven is een menselijke interpretatie.”
Aan de andere kant kan ook anthropodenial – de ontkenning van onder andere dierlijke emoties – objectief onderzoek in de weg liggen, benadrukte wijlen primatoloog Frans de Waal al in 1997. De visie dat menselijke emoties in ieder geval ook bij andere zoogdieren voorkomen is de afgelopen decennia steeds algemener geworden. Onderzoek naar vogelemoties neemt toe, zij het met een slag om de arm. Zo is de bekende emeritus hoogleraar Tim Birkhead is in zijn boek Bird Sense – What It’s Like to Be a Bird, uit 2012, voorzichtig met het toekennen van zulke gevoelens. „Naar mijn idee hebben ze die zeker, maar zoals filosoof Thomas Nagel zei dat mensen nooit volledig kunnen begrijpen hoe het is om een vleermuis te zijn, is het ook onmogelijk om te achterhalen of vogels emoties op dezelfde manier ervaren als wij.” Een paar jaar later, in 2015, bediscussieerden biologen in Current Biology of kraaien en andere vogels de capaciteit hebben om plezier te maken. Ja, was de voorzichtige conclusie. Ze hebben bijvoorbeeld net als mensen dopaminereceptoren in hun brein.
De Utrechtse bioloog Jorg Massen benadrukt dat er op het vlak van emotieonderzoek bij vogels veel vooruitgang geboekt is door te focussen op wat wél meetbaar is. Veranderingen in hormoonhuishouding en gedrag kunnen duiden op stress, blijdschap of ontspanning – bij vogels net zo goed als bij de mens. En dus begon Massen samen met diverse collega’s een onderzoek naar het vliegplezier van de roze kaketoe, Eolophus roseicapilla, een soort die van nature in Australië voorkomt. „Ik vraag me al mijn hele leven af of vogels het leuk vinden om te vliegen”, aldus Massen. „Nu hadden we eindelijk de mogelijkheid om dat gecontroleerd te kunnen onderzoeken.” De resultaten verschenen eind juni in tijdschrift Behaviour.
Voor het onderzoek observeerde Massen met de toenmalige masterstudenten Katie Malone en Roos de Vries zeventien roze kaketoes in vogelpark Avifauna in Alphen aan den Rijn. Ze analyseerden of de vogels op dagen dat ze vrij konden rondvliegen andere emoties vertoonden dan op dagen dat ze verplicht in een kooi moesten blijven. In het wild vliegen roze kaketoes tot wel tientallen kilometers per dag om zaden te zoeken waarmee ze zich voeden. Vanwege die aanzienlijke afstand is het aannemelijk dat de papegaaien een intrinsieke motivatie voelen om te vliegen – als een directe beloning ontbreekt, zal een ongemotiveerde vogel moeilijker in beweging komen dan een gemotiveerde vogel.
Heel vaak zijn dingen waar we plezier aan beleven ook goed voor ons, aldus Van Oers. „Dat is een handige evolutionaire bijkomstigheid die bijdraagt aan het overleven van de soort.” Maar dat betekent nog niet dat al het goede gedrag per se plezierig hoeft te zijn, benadrukt hij: „Er kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van energetische motivatie, als een voedselbron ver weg meer energie oplevert dan dichtbij. Bovendien is er een verschil tussen gedrag dat tijdens de bezigheid al voor een prettig gevoel zorgt en gedrag dat dat na afloop doet. Als ik mezelf als voorbeeld neem: dat ik naar de sportschool ga is niet omdat ik het nou zo plezierig vind om daar te sporten. Maar na afloop krijg ik wel een positief gevoel door de vrijgekomen endorfine.”
Om te testen in hoeverre vliegen bij vogels positieve emoties lijkt op te roepen, keken de Utrechtse biologen allereerst naar gedrag. In principe hebben de Avifauna-kaketoes de vrije keuze om te vliegen of niet – ook als ze in een boom blijven zitten tijdens de trainingsvluchten krijgen ze na afloop alsnog te eten. Toch kozen alle geobserveerde vogels er vrijwel altijd voor om te vliegen. En wanneer, in een experiment, kaketoes die wél mochten vliegen werden vergeleken met kaketoes die dat niet mochten, leken de vogels uit de eerste groep zich achteraf beter te voelen. Zo zetten ze na het vliegen vaker hun kuif op: een teken van opwinding. Ook zochten ze na het vliegen langer naar voedsel en krabden ze zichzelf vaker: ‘natuurlijk gedrag’ en daarmee een mogelijk teken van ontspanning (al kan krabben ook juist kan duiden op méér stress, of op een verendek dat door het vliegen in de war is geraakt).
Daarnaast onderzochten de biologen hoe optimistisch of pessimistisch de kaketoes reageren op een ambivalente prikkel: een doosje dat mógelijk eten bevat. Malone: „Als de vogels een paar dagen achter elkaar mochten vliegen, zagen we dat ze optimistischer in hun keuzes waren dan als ze een paar dagen achter elkaar binnen hadden gezeten.” In die gevallen kozen ze vaker voor het doosje waarin ófwel de grootst mogelijke beloning zat (een walnoot) óf niets. Op hun ‘pessimistische dagen’ waren ze behoudender, en kozen ze vaker voor de doosjes met een zonnebloempit: ook lekker, maar minder lonend dan een walnoot.
Uit het bestuderen van de hormoonhuishouding kwamen minder duidelijke resultaten naar voren. Corticosteron, de vogelvariant van het menselijke stresshormoon cortisol, is makkelijk te meten in uitwerpselen; veel minder invasief dan bijvoorbeeld een meting van het ‘knuffelhormoon’ oxytocine waarbij bloed of vocht uit het ruggenmerg wordt afgenomen. De biologen hadden verwacht dat de stress zou afnemen na enkele dagen vliegen, maar de hoeveelheid corticosteron was nog steeds vrij hoog. „Achteraf gezien was dit misschien niet de beste stof om te meten, want fysieke stress, zoals door het vliegen, veroorzaakt ook een toename van deze stof”, aldus Massen. Malone: „Het zou de moeite waard zijn om in de toekomst met een endocrinoloog samen te werken om dit onderwerp verder uit te pluizen.” Toch concluderen de onderzoekers op basis van hun observaties dat vliegen voor positieve emoties zorgt bij roze kaketoes. Maar of ze die emoties ook beléven, dus of ze ook gevoelens ervaren, is moeilijker te achterhalen.
Tot zover de kaketoes. Want zelfs als zíj positieve gevoelens ervaren tijdens het vliegen, dan nog is de ene soort de andere niet. In Bird Sense beschrijft Birkhead hoe hij, op veldwerk in Australië, van dichtbij meemaakte hoe een roze kaketoe in het wild gegrepen werd door een valk: „De gegrepen papegaai liet een afschuwelijk gekrijs horen en zelfs toen beide vogels achter de bomen waren verdwenen hoorde ik nog steeds het jammerlijke geschreeuw van de kaketoe, waardoor ik ervan overtuigd was dat de vogel zowel doodsbang was als pijn leed.” Maar toen hij bij een andere gelegenheid zag hoe een papegaaiduiker werd gegrepen en volkomen stil bleef, begon hij te twijfelen: was die soort gewoonweg minder expressief, of was er helemaal geen sprake van angst? Ook wat de motivatie voor het voedsel zoeken betreft zijn er grote verschillen tussen soorten, zegt Van Oers. „Spreeuwen zijn veel minder selectief en kiezen liever voor veel en dichtbij dan voor exquise en ver weg.” Fastfood versus fine dining. „En zelfs tussen individuele vogels kun je verschillen zien.”
Nog iets dat een eenduidig antwoord bemoeilijkt is de verscheidenheid aan vliegtechnieken. Een winterkoninkje dat van tak naar tak fladdert laat zich moeilijk vergelijken met een snelheidsduivel als de slechtvalk. En dan zijn er nog de trekvogels, met langeafstandskampioenen als de rosse grutto: ruim 13.500 kilometer zonder tussenstop. Stel dat vogels van vliegen genieten, doen ze dat ook nog als ze er duizenden kilometers op hebben zitten, op een vrijwel lege maag? Van Oers: „Aan dat trekgedrag ligt een heel andere motivatie ten grondslag – het is geen individueel besluit, maar een groepsgewijze verplaatsing omwille van veranderende ecologische omstandigheden. Bovendien verandert tijdens de vogeltrek het metabolisme van een vogel ingrijpend. Ook dat zou invloed kunnen hebben op eventuele emoties.” En dan is er nog een groot verschil tussen actief vliegen, dus het daadwerkelijk bewegen van de vleugels (kolibries doen dat tot wel tachtig keer per seconde), en passief vliegen. Zeker is dat zweven minder energie kost – maar of het daardoor ook leuker wordt is lastig te zeggen.
In zijn boek The Screaming Sky – In Pursuit of Swifts schrijft filosoof Charles Foster over gierzwaluwen die een ‘rookbad’ nemen: is er ergens een grote brand, dan duiken de gierzwaluwen in en uit de rook. Niemand weet precies waarom ze het doen, maar vaak wordt ervan uitgegaan dat het helpt tegen vlooien en luizen. „Ik heb een probleem met zulke mechanistische taal. Denkt de vogel dat hij het omwille van parasietbestrijding doet? Of doet hij het voor het plezier dat het ongetwijfeld geeft?”
Misschien is het én-én, oppert Van Oers. „Als een gierzwaluw zoiets doet, dan kan het best zijn dat hij parasieten heeft en er tegelijkertijd plezier aan beleeft.” Soms hangt het er kortom maar net van af welk standpunt je inneemt. Of al die miljoenen trekvogels zin hebben in hun massale migratie blijft voorlopig nog gissen, maar één ding staat vast: ze zorgen voor een hoop plezier bij de talloze vogelliefhebbers op de grond.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie