Overzichtstentoonstelling De beroemde Duitse kunstenaar Sigmar Polke wilde de beschouwer bewust maken van de uitputting van levensbronnen en radioactieve dreiging. Kijken, zo laat de kunstenaar zien, verandert het kunstwerk en alle dingen waarop je de aandacht richt, zoals het kunstwerk en de waargenomen dingen ook jou veranderen.
‘Farbtafeln 1-8’ (1986-1987/1992)
Een dieproze kleurruimte van het De Pont Museum in Tilburg wordt verlicht door felle explosies, als kometen of vallende sterren in het zwarte heelal. Op 21 computerprints (ieder 59 x 45 cm) ontvouwt zich een theatraal schouwspel en pas naderhand dringt het tot je door waar je naar kijkt. Sigmar Polke (1941-2010) legde gedurende langere tijd brokken uraniumerts op films in cassettes en liet zo de films bestralen door het erts. Met de aldus ontwikkelde film maakt hij kleurenafdrukken, de kleur ontstond door gebruik van de kleurmengkop van het vergrotingsapparaat.
T/m 28/2/27 in De Pont Museum, Tilburg. Info: depont.nl
Urangestein (Rosa) (1992) laat zien hoe de Duitse kunstenaar Sigmar Polke op zoek was naar een uiterste grens, daar waar gevaar en schoonheid, angst en extase samenkomen. Polke was gefascineerd door onzichtbare krachten van de natuur, zoals aardmagnetisme en de straling van metalen en mineralen. Juist de meest briljante kleuren, de kleuren waar Polke naar op zoek was, zijn zwaar giftig. Zo deden gif en allerlei hallucinerende stoffen hun intrede in het werk van Polke.
In 1981 maakte Polke samen met zijn toenmalige partner Britta Zoellner een reis van ruim een jaar naar Zuidoost-Azië en Oceanië. Tijdens deze reis observeerde hij hoe inheemse volkeren kleuren gebruiken, bijvoorbeeld als lichaamsdecoratie of voor de beschildering van religieuze architectuur, en leerde hij welke betekenissen aan kleur worden toegekend. In Australië bijvoorbeeld symboliseert rode oker, gewonnen in de okermijnen ten noorden van Perth, energie en bloed – het is de heiligste van alle kleuren.
Na deze reis zou kleur als materie, als symbool en als sociale markering een centrale rol spelen in het werk van Polke. De afscheidstentoonstelling van Martijn van Nieuwenhuyzen als directeur van het De Pont Museum is gewijd aan deze zoektocht van Polke naar de werking en de betekenis van kleur.
In de jaren zeventig had Polke bekendheid gekregen met dadaïstisch-conceptuele objecten, installaties en films en met tekeningen en collages van politieke leuzen en reclameteksten. De omslag in het werk na 1981 was groot. Na zijn terugkeer verdiepte hij zich aanvankelijk in één kleur, het blauwpaarse dioxazine violet, dat overigens niet uit aarde of planten is vervaardigd maar een industrieel vervaardigd product is. Deze krachtige kleur grenst in het kleurspectrum aan het voor ons onzichtbare ultraviolette licht en creëert changeant effecten van warm donkerrood naar goud.
‘Urangestein’ (1992) en ‘Goldklumpen’ (1982)
In enkele jaren ontwikkelde Polke nieuwe schilderkunst, waarbij de materialen – niet alleen kleurpigmenten, maar ook laklagen, kunsthars en andere materialen zoals bijvoorbeeld slakkenslijm – zo veel mogelijk zelf het beeld bepalen en waarin hij veel overliet aan het toeval. Polke was niet geïnteresseerd in kleur voor het afbeelden van landschappen of taferelen of wat ook, maar in de stoffelijke eigenschappen van kleurpigmenten. Hij onderzocht hoe ze worden gewonnen, hun precieze chemische samenstelling en verdiepte zich ook in de sociale geschiedenis van kleur in de West-Europese cultuur.
Hiertoe bestudeerde hij historische bronnen als de Naturalis historia van Plinius de Oudere (ca. 50 na Chr.), met name waar het gaat over kunstenaars en over stenen, anorganische en organische kleurstoffen en hun vindplekken. In The Book of Kells, een 9de-eeuws rijk geïllustreerd evangeliarium gemaakt door Keltische monniken (en in 1975 gepubliceerd door Françoise Henry) vond hij veel informatie over kleurgebruik en schildersmiddelen.
Sigmar Polke in zijn studio in Keulen in 1988, werkend aan The Spirits That Lend Strength Are Invisible (1988), een reeks van vier schilderijen. Het materiaal waarmee hij hiervoor werkte is kunsthars, wat hij veel gebruikte in de tijd van Athanor.
De Farbproben – kleurproeven – maken Polkes werkwijze zichtbaar. Hij experimenteerde met van alles en nog wat: hars, lak en vernis, met chemische en natuurlijke oplosmiddelen, in poedervorm, granulaat en als pigment. Hij strooide de stoffen uit over de ondergrond, blies ze over het oppervlak, wreef ze uit, stelde de proeven bloot aan regen en wind om kleurvastheid te bepalen, of liet ze bedekken door een laag stof. In 1986 bracht Polke op de Biënnale van Venetië in een allesomvattende installatie werken samen die het resultaat waren van deze proeven en van zijn zoektocht naar de transformatie van materie. Ook toonde hij objecten als een grote meteoriet en een bergkristal. Hij noemde de installatie Athanor, naar de smeltoven van alchemisten. De tentoonstelling sloeg in als een bom.
Met Athanor was de geest uit de fles, want vanaf nu zou Polke zich niet meer kunnen bevrijden van het etiket „alchemist”, dat hij een oppervlakkige karakterisering van zijn werk vond. Oppervlakkig of niet, Polke had veel gemeen met de alchemisten, middeleeuwse wetenschappers die zich baseerden op oude Chinese en Griekse kennis en op zoek waren naar de transformatie van ruwe materie naar een zuivere substantie, bijvoorbeeld van lood naar goud, en naar de ontwikkeling van een onsterfelijkheidselixer. Het vierluik Hermes Trismegistos (1995) gaat over de gelijknamige mythische figuur die de grondlegger van het alchemisme en van de hermetische, esoterische leer zou zijn geweest.
‘Amerikanisch-Mexikanische Grenze’ (American-Mexican Border) (1984).
Drie schilderijen uit het vierluik ‘Hermes Trismegistos’.
Een van zijn meest monumentale werken is de Werkgroep van acht pigmentschilderijen, (1986/87 en 1992, elk 300 x 224 cm). De kleuren rood lood, lapis lazuli, vermiljoen, azuriet, realgar, malachiet en goudpigment ontleende Polke aan het Book of Kells. Ze zijn vrijwel onverdund toegepast, sommige zijn niet stabiel en zullen blijven veranderen. Dit was voor Polke, die stelde dat een kunstwerk nooit af is en dat alles zich in een constante flux bevindt, geen enkel probleem.Goldklumpen (1982) schilderde hij met het giftige zwavelmineraal arsenicum rubrum en met Schweinfurtergroen, een zeer giftig, lichtend diepgroen pigment dat koper, arsenicum en azijnzuur bevat en sinds de 19de eeuw verboden is. De amorfe goudklomp, afgebeeld tegen een inktzwarte achtergrond, rust zwaar op het groen dat inmiddels naar blauw is verbleekt. De keuze van materialen maakt voelbaar dat het goud met zijn lichtende aantrekkingskracht niet alleen zuiverheid en spirituele schoonheid symboliseert, maar evenzeer grenzeloze hebzucht en meedogenloosheid.
Polke was niet geïnteresseerd in onschadelijke kunst. Hij wilde de beschouwer besmetten en bewust maken van de uitputting van levensbronnen, van de uitbuiting van mensen die in goudmijnen werken, de uitroeiing van oude gemeenschappen en culturen, van radioactieve dreiging. Sommige werken hebben een expliciet politieke of maatschappijkritische lading, zoals het gerasterde beeld van mannen op een fosforescerend gele ondergrond die de Amerikaans-Mexicaanse grens proberen over te steken (1984), of het schilderij Radioaktiver Abfall (1992).
De verleidelijke en giftige schilderijen van Polke maken de beschouwer medeplichtig aan wat hij ziet. Kijken, zo laat de kunstenaar zien, verandert het kunstwerk en alle dingen waarop je de aandacht richt, zoals het kunstwerk en de waargenomen dingen ook jou veranderen.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie