Home

Paul Scheffer: ‘Ik wilde met een pen de wereld in trekken’

Paul Scheffer Aan de hand van zijn eigen ervaringen schreef hij een ideeëngeschiedenis van Europa na de Tweede Wereldoorlog. Van de begrafenis van Sartre tot het begin van de oorlog in Oekraïne. „Ik heb geprobeerd tegen mezelf in te denken.”

Paul Scheffer

Het is bijna dertig jaar geleden, maar Paul Scheffer herinnert het zich nog goed. 1 mei 1997, of eigenlijk 2 mei, want de zon kwam al op. De dag waarop de 43-jarige Tony Blair met een landslide een einde maakte aan achttien jaar conservatieve heerschappij in het Verenigd Koninkrijk. Met zijn New Labour beloofde hij een nieuw evenwicht tussen het liberale kapitalisme en de verzorgingsstaat, een Derde Weg. „Een nieuwe ochtendstond is aangebroken”, zei Blair op het dak van de Royal Festival Hall in Londen.

„Een ongelooflijk moment”, zegt Scheffer. „De balkons van de omliggende flatgebouwen liepen vol. Een halfuur sprak Blair, uit het hoofd, maar in drukklare zinnen. Ja, ik was onder de indruk.”

Paul Scheffer: De dag na de bevrijding. Een drieluik over Europa. Prometheus, 558 blz. € 39,99

Paul Scheffer is officieel misschien geen historicus – hij studeerde filosofie, psychologie en politieke wetenschappen – maar hij was er wel vaak bij als er geschiedenis werd geschreven in de afgelopen decennia. In zijn kloeke nieuwe boek, het ruim vijfhonderd pagina’s dikke De dag na de bevrijding, doet hij daarvan verslag. Hij liep mee in de begrafenisstoet van filosoof Jean-Paul Sartre, werd als lid van een internationale delegatie ontvangen door de Cubaanse leider Castro, zag bij de Potsdamer Platz in Berlijn hoe de eerste segmenten van de Muur werden weggehaald, en was er getuige van hoe Václav Havel, dan nog dissident, later president van Tsjechoslowakije, in 1988 werd afgevoerd door de geheime dienst tijdens een ontmoeting met westerse wetenschappers. 

Maar De dag na de bevrijding is geen borstklopperige opsomming van persoonlijke avonturen, veeleer is het een ideeëngeschiedenis van Europa na de Tweede Wereldoorlog. Een enorme stoet denkers en schrijvers komt aan bod in de drie delen waaruit het boek bestaat: Baruch de Spinoza, Albert Camus, Isaiah Berlin, Günter Grass, Francis Fukuyama, Ryszard Kapuscinski. In het eerste deel, over de ‘herinneringsgemeenschap’, beschrijft Scheffer hoe verschillende Europese landen omgaan met de zwarte bladzijden in hun geschiedenis. Deel twee, de ‘vrijheidsgemeenschap’, gaat over de ontwikkeling van de democratie. En deel drie, de ‘veiligheidsgemeenschap’, over de geopolitieke conflicten.

Het boek begint en eindigt met Oekraïne. In het voorwoord beschrijft Scheffer een ontmoeting in Parijs in 1980 met de Oekraïense dissident Léonid Pliouchtch, wiens verhaal „alles [had] van een afdaling in de hel op klaarlichte dag”. Pliouchtch vertelt hoe hij voor straf werd opgesloten in een psychiatrische inrichting en onder dwang behandeld met antipsychotica. In het laatste hoofdstuk doet Scheffer verslag van een bezoek aan Kyiv in februari 2026. Bij een energiecentrale ziet hij de ravage die Russische bommen hebben aangericht.

In het nawoord schrijft u iets opmerkelijks: „Een eerste versie van dit boek stond in de aanbieding van uitgeverij Bert Bakker in 1996. Soms duurt het allemaal wat langer.” Wat was destijds uw idee?

„Min of meer hetzelfde als nu. Ik wilde een omweg maken langs literatuur, geschiedenis en filosofie om het moment te begrijpen waar we toen, een paar jaar na de val van de Muur, waren gekomen. Er staan ook een paar stukken in dit boek, bijvoorbeeld over Midden-Europa, die ik toen heb geschreven. Wel herschreven natuurlijk. Maar het is uit dezelfde behoefte voortgekomen. De vraag die mij voortdurend bezighoudt bij alles wat ik doe is: hoe kun je afstand winnen ten opzichte van de actualiteit die ons dag in dag uit gijzelt?”

En waarom kwam dat boek er toen niet?

„Ik had niet echt een vorm gevonden. En er zijn in de tussentijd wel een paar andere boeken verschenen. Laat ik maar zeggen dat ik hoop dat mensen wel zien dat ik dit niet echt op een achternamiddag heb geschreven.”

Er staat zo veel in het boek dat ook opvalt wat er niet in staat: een verwijzing naar Het multiculturele drama, het essay dat Scheffer in 2000 publiceerde in NRC waarin hij stelde dat de integratie van migranten in Nederland grotendeels was mislukt. Het leidde tot heftige politieke debatten. We zitten ruim tweeënhalf uur te praten aan de eettafel van zijn Amsterdamse woning als ik het toch maar ter sprake breng. „Ik ben blij dat we het er tot nu toe niet over hebben gehad”, zegt hij. „De afgelopen 26 jaar is er geen dag geweest dat ik er niet op werd aangesproken. Ik heb daar al zoveel over gezegd. Ik heb daarvan geleerd dat iets zich helemaal los kan zingen van jezelf. Op een gegeven moment word je een krabpaal waaraan iedereen zijn nagels scherpt.”

Dit boek is géén autobiografie, zegt Scheffer. „Er zit een aantal herinneringen in, maar ten dienste van de verhalen van anderen. Ik heb vijftig jaar lang over Europa nagedacht en geschreven, rondgereisd, dát wilde ik zichtbaar maken. In de hoop iets aan te reiken waar mensen wat aan zouden hebben.”

Polariserend is De dag na de bevrijding niet. Aan het begin van het gesprek verzucht Scheffer al: „Iedereen is bezig met voor of tegen iets zijn. Veel gesprekken nemen daardoor de vorm aan van een spiegelgevecht.”

U was correspondent in Parijs en Warschau. Maar soms nam u ook deel aan debatten als lid van een delegatie. Hoe ziet u eigenlijk uw positie?

„Je vormt je leven natuurlijk aan de hand van mensen die je inspireren. Sartre was natuurlijk wel echt een voorbeeld. Toen ik opgroeide, was hij alomtegenwoordig, met radioactieve zinnen als: ‘De mens is veroordeeld om vrij te zijn.’ Dat resoneerde met mijn opstandige levensgevoel. Ik wilde met een pen de wereld in trekken en dat is eigenlijk wat ik heb gedaan al die tijd. Soms in de hoedanigheid van journalist, soms met één been op de universiteit, soms half leunend tegen de politiek. Maar vooral proberend van het niemandsland daartussen een eigen plek te maken, dat vond ik het mooiste.”

Heeft u daar nooit over getwijfeld?

„Ik ben nooit echt de politiek in gegaan, maar ik heb daar wel over nagedacht. In 1993 stond ik op de kandidatenlijst van de PvdA voor de Tweede Kamerverkiezingen, maar toen heb ik mij op het laatst teruggetrokken. Het woord fractiediscipline hing als een zwaard van Damocles boven mijn gekrulde hoofd. Sindsdien heb ik wel meer respect voor het ambacht van de politiek.”

In de jaren zestig trok het marxisme u aan. Over die periode schrijft u: „Samenscholingen van mensen die hun gelijkgezindheid vieren heb ik sindsdien zoveel mogelijk gemeden.”

„Ja, dat kun je wel zeggen. Maar eigenlijk is het zinnetje dat daarna komt belangrijker: ‘Ik heb geprobeerd tegen mezelf in te denken.’ Want dat is wat ik heb geleerd in die jaren. Er wordt altijd gezegd dat je je moet wapenen tegen kritiek. Maar ik heb juist altijd het gevoel gehad dat je je moet ontwapenen. Dat is natuurlijk moeilijk. Als je scherpe kritiek ontmoet, heb je de neiging om je in te graven en je eigen gelijk te ommuren. De essentie van schrijven is misschien wel dat je op niemand kunt terugvallen. Je bent altijd zelf de zwakste schakel. Maar als mensen zich scherp over je uitlaten, moet jezelf voortdurend de vraag stellen: wat kan ik daarvan leren? Niet anderen de maat nemen, maar jezelf bevragen. Ik heb helemaal geen aanleg voor polemiek, al ben ik daar wel vaak in terechtgekomen. Au fond ben ik iemand die probeert tegenstellingen te overbruggen.”

Wordt uw verhaal daardoor niet heel diffuus?

„Dat moeten anderen beoordelen, maar ik hoop het niet. Ik begin met te zeggen dat we het vooruitgangsgeloof moeten loslaten – het idee dat de geschiedenis zich beweegt in de richting meer democratie, meer vrijheid. Ik neem als uitgangspunt dat de geschiedenis geen richting kent, dat de opkomst van autocratieën en de erosie van onze eigen democratieën laten zien dat de we het einde van de naoorlogse tijd meemaken. Dat is geen knieval voor een cultuurpessimisme dat ook denkt de richting van de geschiedenis te kennen, maar dan overal alleen verval ziet. Ik haal de dichter Gerrit Kouwenaar aan, die ooit schreef: ‘De tijd staat open.’ Dat is niet diffuus, maar zegt iets over de onzekerheid van deze tijd.”

„Kijk, de neiging om met volle overgave een stelling in te nemen is natuurlijk groot, dat is wat veel mensen nu doen. Ik denk niet dat we zo verder komen.”

Geef eens een voorbeeld van hoe het dan wel zou moeten?

„Neem de herinnering van de Tweede Wereldoorlog. Je kunt doordrongen zijn van wat die heeft betekend voor de Joodse gemeenschap. En daar schrijf ik uitvoerig over, ook over de pogroms in Polen na de oorlog. Tegelijkertijd kun je proberen woorden te vinden voor de slachtoffers aan Duitse kant, de mensen die omkwamen bij geallieerde luchtbombardementen of werden verdreven uit hun woonplaats. Ik heb nooit begrepen waarom het niet mogelijk zou zijn om beide waarheden – natuurlijk zonder ze te vergelijken – naast elkaar te laten bestaan.

„In de jaren negentig schreef ik kritische stukken over ons koloniale verleden, onder andere omdat we nog steeds niet erkenden dat Indonesië op 17 augustus 1945 onafhankelijk was geworden. Ik moest spreken voor een zaal met 300 Indiëveteranen en werd gewaarschuwd dat dat heftige emoties op zou roepen. Ik zei precies wat ik dacht, maar benadrukte dat ze op hun manier ook het slachtoffer waren van een ‘falen der generaties’, zoals koningin Juliana het later noemde. Mensen reageerden rustig. Omdat ze voelden dat het ook een erkenning was van hun grieven, hun lijden. Je kunt dingen heel goed naast elkaar zetten. Het onvermogen van deze tijd is dat dat te weinig gebeurt.

„Ik ga uitvoerig in op het Nederlandse slavernijverleden. Dat moeten we echt tot ons door laten dringen: het zelfbeeld van ons land als hoofdstad van het internationale recht schiet ernstig tekort. En tegelijkertijd kun je vragen stellen bij een VN-resolutie waarin het slavernijverleden als ‘ergste misdaad tegen de mensheid’ wordt gepresenteerd. Dan krijg je een heilloos spiegelgevecht tussen degenen die zeggen: ‘Het absolute dieptepunt van de beschaving was de ondergang van de Joodse gemeenschap in Europa’, en degenen die zeggen: ‘Nee, het dieptepunt was de transatlantische slavernij’. Het gaat erom ál die geschiedenissen een plek te geven.”

Hoe doen we het wat herinneren betreft nu in Nederland?

„Beter dan vijfentwintig jaar geleden. Als 4 mei, de Dodenherdenking, en 1 juli, Keti Koti, naast en vooral met elkaar kunnen bestaan, dan hebben we al veel gewonnen. Maar er zitten nog wel wat blinde vlekken in het beeld van onze geschiedenis. Bijvoorbeeld de periode van neutraliteit in de jaren dertig. Daar heb ik veel aandacht aan besteed, omdat we die een beetje zijn vergeten.”

Kunnen we daar wat uit leren voor het heden? 

„Dat afzijdigheid overliep in zelfcensuur. Ik citeer ergens Churchill, die in januari 1940, als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk al in oorlog zijn met Duitsland, over neutrale landen als Nederland en België zegt: ‘Iedereen hoopt dat als hij de krokodil maar genoeg te eten geeft, de krokodil hem als laatste opeet. Ze hopen allemaal dat de storm zal overwaaien voordat het hun beurt is om te worden verslonden.’ Het Algemeen Handelsblad reageerde daar zeer afwijzend op.”

U schrijft dat we dissidenten in Oost-Europa in de jaren tachtig in de kou hebben laten staan, omdat we de goede vrede wilden bewaren met de Sovjet-Unie. Het is verleidelijk om daarin een parallel te zien met Oekraïne nu en de conclusie te trekken dat we dat land meer moeten steunen. Maar dat schrijft u niet met zoveel woorden.

„Ik ben niet zo bezig geweest met de gedachte of er iets te leren is van de geschiedenis. Ik heb geen boek willen schrijven met twintig lessen voor het komend decennium. Ik wilde mensen de ruimte laten om zelf verbanden te leggen en conclusies te trekken.”

Maar stiekem hoop je toch dat mensen lessen trekken uit wat ze lezen. Waar doe je het anders voor?

„Omdat iets voor mij intrinsieke betekenis kan hebben. Ik was opnieuw geraakt bij herlezing van De ondergang van Jacques Presser. Dat is een epos dat iedereen zou moeten willen lezen, een monument in de Nederlandse literatuur. Hetzelfde geldt voor Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. Zulke historische getuigen hebben betekenis in zichzelf. Dat is ook mijn gevoel bij herdenken. Ik wilde in mijn boek stilstaan bij de doden, niet vooruitlopen. Ik vind dat je de doden niet moet belasten met een polemiek waar ze nooit deel aan kunnen hebben.”

Aan het einde van het gesprek, nadat we tal van zijpaden zijn ingeslagen en Paul Scheffer even heeft staan rommelen in de keuken om koffie en thee te zetten, komt hij zelf nog een keer op terug op die laatste vraag. „Kan iets alleen maar nut hebben als het in het hier en nu tot iets leidt?”, zegt hij peinzend. „Misschien wel niet. Misschien is het betekenisvol om te vertellen over George Orwell. Dat Animal Farm ging over het verraad van de revolutie. En 1984 over de revolutie als verraad. Welke ontwikkeling hij heeft doorgemaakt. En welke rol, in beide boeken, het uitwissen van de geschiedenis speelt. Dat is misschien wel het betere antwoord: er is een verleiding om de geschiedenis voortdurend langs een meetlat van het hier en nu te leggen. Maar het verleden heeft zijn eigen zeggingskracht.”

Hij lijkt te twijfelen of zijn antwoord goed genoeg is. Ter geruststelling zeg ik dat je als interviewer soms honderd vragen stelt, maar uiteindelijk vooral probeert te begrijpen wat iemand drijft. Scheffer denkt nog even na, en zegt dan: „Ik zag op een gegeven moment een foto van mezelf als kind voor een verzameling blokken. Mijn vader en mijn grootvader waren allebei stedenbouwkundige. Het is mooi om een groter geheel te bouwen. Je probeert van de dingen die je verzameld hebt en route – mensen die je ontmoet hebt, ervaringen die je hebt opgedaan – een geheel te maken. Dat helpt om de tijd, om jezelf te begrijpen. Als je vraagt: wat geeft mij rust? Dát geeft mij rust. Geen berusting, maar wel rust. Overzicht.” 

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next