Nederlandse literatuur Huismannen die in Tunesië Kinderen voor Kinderen draaien terwijl hun vrouw werkt – zet Merijn de Boer ze nou voor gek in zijn nieuwe roman? Of heeft hij iets anders voor ogen?
Een medina in Kairouan, Tunesië.
Waarom heb ik me toch zo zitten opwinden om Rollende stenen van Merijn de Boer? Is het omdat ik me buitensporig ergerde aan de verteller, die lapzwans van een hoofdpersoon? Maar waarom ergerde ik me dan zo?
Merijn de Boer: Rollende stenen. Querido, 191 blz.€ 21,99
Op zich is deze Ole namelijk een goede vondst van Merijn de Boer (1982), die hem op de eerste pagina laat verkondigen: „Ik vond het woord ‘lapzwans’ uitstekend van toepassing op mij, zonder dat ik er een negatieve connotatie aan verleende.” Ole heeft ervoor gekozen, zegt hij, „om mijn levensgeluk, voldoening of eigenliefde niet uit werken te halen”. Best een gezond uitgangspunt, in onze ratracewereld (waarin hij zich kennelijk ambitieloosheid kan veroorloven), maar ook fris, voor een roman, omdat de ondraaglijke lichtheid van het bestaan dan misschien toch wel op de loer ligt: is dit vervullend genoeg? Daarmee kan deze ontsnapping aan de heersende normen nog twee kanten op.
Ole begint te vertellen over hoe verliefd hij is geworden, in scènes aan het begin van de roman, hoteldebotel op de fiets door de duinen, scènes die zo heerlijk tintelen dat je onmiddellijk denkt: ja, dat is het echte leven, veel belangrijker en waardevoller dan werk en succes. Zijn geliefde kent overigens wél ambitie, namelijk om diplomaat te worden, waardoor hij ervoor kan kiezen om haar ‘nummer twee’ te worden, hij reist mee en wordt lanterfantende expat-huisman: ideaal. Hij hoeft zijn eigen keuzes niet meer te maken. „Getuigde het niet van een vrije, onbelemmerde geest als je dat uitgangspunt losliet? Of was het eerder een beetje treurig en moest je geringschattend over me denken?”
Dat is de vraag, als we hem zien belanden in een Tunesisch wereldje van thuisblijvende partners, die elkaar opzoeken om hun ledige levens te vullen. Allemaal mannen – een leuke omdraaiing van het cliché van de diplomatenvrouw. Veelbelovend ook, want het beeld van housewives die champagne nippend aan zwembaden liggen kennen we, maar als mánnen zich van koffieochtenden naar boodschappen bewegen wringt het meteen een beetje. Misschien omdat dat op hun mannelijkheid botst en die met een omweg ook weer benadrukt. De één maakt zich druk over efficiënte looproutes door supermarktgangpaden, de ander deelt complimentjes uit over een nieuw model vaatwasser, mansplaint de knopjes en verbetert nog wat „inruimfoutjes” – wat verdacht veel op een masculien-opschepperige manier van huishouden lijkt.
Is dit een beetje treurig? Of grappig? Een beetje geringschattend is Ole in elk geval wel – die zich, als een typisch Merijn de Boer-personage, de boel met een lichte frons laat aanleunen en overkomen, maar er niet in mee kan gaan. Hij is nadrukkelijk de normaalste van het stel, en dat is veelzeggend voor het verhaal dat De Boer vertelt. Ole omringt zich met mannen die Engelbert, Vastert, Feike en Taco heten, en die aanstellerig, tuttebellerig of infantiel bij hem afsteken. Ze doorrijgen hun zinnen met Engels en Frans en zeggen dat niet in de gaten te hebben. Ze maken groot drama om een hek dat eventjes openstond waardoor een kruipende baby wel dóód had kunnen zijn. Ze draaien muziek van Kinderen voor Kinderen, ook zonder kinderen in huis, en noemen zichzelf „pappiedepappie” („Ook in het bijzijn van andere volwassenen. Hij scheen er geen enkele schaamte bij te voelen”).
Dat is natuurlijk allemaal wel eigenaardig, ja, maar ik voelde er ook ergernis bij. Erger ik me aan de grapjes? Vind ik ze niet leuk, of niet leuk genoeg? Kan ik misschien niet goed plaatsen waarom De Boer deze grappen maakt? Dit klinkt als het type satire dat de eigenaardige mens voor gek zet vanuit een moreel verheven positie, maar zou dat het zijn? Nee, De Boer kennende mikt hij op een niveautje slimmer, zoals hij ook deed met de geitenwollensokkenidealisten in zijn uitstekende roman De Saamhorigheidsgroep (2020) en het buitenissige reisgezelschap in zijn vorige roman Het Surinamedagboek (2023). Hen zette hij neer met gevoel voor absurditeit, maar toch ook coulant, menselijk, niet neerbuigend. Ditmaal werkt dat niet zo goed, omdat belachelijkheid de overhand houdt. In zijn observaties, zoals dat ‘pappiedepappie’-commentaar, toont Ole zijn moraal, waarmee hij de norm hanteert en schaamte dicteert.
Oké, het is niet volledig uitlacherig, bijvoorbeeld als Ole koffiezet en we ineens lezen: „Terwijl ik ondertussen zijn mok vulde, dacht ik: schoonmaken is voor Engelbert ook maar gewoon een manier om de leegte te bestrijden. […] Ieder zijn ding. Whatever works.” Maar die empathie wordt toch niet echt geloofwaardig, omdat Ole even later weer bespiegelt over de malle sportgewoonten van Taco en de „Albert Heijn-kamer” vol Nederlandse producten van Vastert. Je krijgt de indruk dat Ole niet écht onsympathiek is, zo zal de schrijver hem althans niet bedoeld hebben, eerder als een naïeve, goedmoedige kwast/dweil/zoutzak, maar dan heeft De Boer hem wel onhandig neergezet.
Bespiegelen – dat is wat Ole steeds vaker doet in de loop van Rollende stenen, en daarin zit een deel van het probleem. Hij schakelt naar een vertelmodus waarin hij voorvallen achteraf probeert te analyseren, waardoor er van een grappige situatie niets overblijft. Bij Vasterts vrouw Liesbeth „had ik op borrels altijd het idee dat ik met mijn leidinggevende aan het praten was”, aldus Ole; tja, als we dat meemaken, in een scène, kan dat grappig zijn, zo klinkt het alleen maar vervelend. Een vertelkeuze om narrig van te worden, vooral als je tegen het einde van de roman merkt hoe goed scènes werken, in het bijzonder een specifieke sequentie van scènes. Een achtervolgingsscène is het, waarin Ole opgaat in het moment, of misschien tenminste even herinnerd wordt aan dat tintelende echte leven van vroeger.
Het weet de roman niet te redden, ook omdat Ole’s concluderende besef – dat het toch niet bevredigend is om al je keuzes uit handen te geven, dat enig verlangen toch cruciaal is, dat een rollende steen geen mos vergaart – wel erg dun is. „En trouwens, bedacht ik ineens, wás het eigenlijk wel de bestemming van ons leven om onszelf tot nummer twee te maken […]?” Voor het antwoord denk ik even aan alle onvrijwillige huisvrouwen uit de wereldgeschiedenis. Misschien moeten we Ole dat geven: dat hij wereldvreemd is.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie