Franse literatuur Christophe Bigot schreef een wrede en ontluisterende roman over de laatste levensjaren van de Franse schrijver Marguerite Yourcenar, die haar van haar zwakste kant laat zien.
De Franse schrijfster Marguerite Yourcenar in 1984, op 81-jarige leeftijd.
Christophe Bigot: Elders wacht een ander op me. De laatste liefde van Marguerite Yourcenar. (Un autre m’attend ailleurs. Le dernier amour de Marguerite Yourcenar). Vert. Carlijn Brouwer. De Arbeiderspers, 256 blz. € 23,99
„Lees mijn werk, en je weet wie ik ben.” Hoe vaak heb ik het Hella S. Haasse niet horen zeggen. Zij die zo vaak werd gekarakteriseerd als de Nederlandse Marguerite Yourcenar was niet de enige die er zo over dacht. Toen Yourcenar, auteur van beroemde titels als Hadrianus’ gedenkschriften en Het hermetisch zwart, als eerste vrouw werd gekozen als een van de onsterfelijken van de Académie Française, werd ze toegesproken door Jean d’Ormesson, die voor haar toelating had gelobbyd. „Ik weet alles van u, omdat ik u gelezen heb”, zei hij onder de immense koepel van het prestigieuze instituut, „en eenieder hoeft u enkel te lezen om alles of bijna alles van u te weten.” Een biografie, met andere woorden, zou niets toevoegen.
Natuurlijk verschenen er na het overlijden van de wereldberoemde schrijver, in 1987, biografieën; in 1991 een van de hand van de critica Josyane Savigneau, vier jaar later een volgende van Michèle Sarde. Aan het begin van haar boek memoreert Savigneau dat Yourcenar, in haar essay over Yukio Mishima, schreef dat de tijd dat je van Hamlet kon genieten zonder je om Shakespeare te bekommeren voorbij was. Ze besefte dat mensen „onbeschaamd nieuwsgierig” waren naar een schrijversleven. Maar die drukte zich „versnipperd, tegenstrijdig en wispelturig” uit in zijn werk, beschermde zich, verhulde zich, zodat de werkelijke mens verborgen bleef in „het ondoordringbare geheim dat elk leven is”. Een biografie, anders gezegd, zou dat geheim nooit kunnen openbaren.
Dat mag dan zo zijn, het heeft Christophe Bigot (1976) er niet van weerhouden een nieuwe poging te doen – als romanschrijver. Op de eerste bladzijde neemt hij je mee naar de plechtige inauguratie van Yourcenar in de Académie Française, naar haar saaie speech, die volgens de regels een ode aan haar voorganger moest zijn. Met zijn oren luister je naar wat Yourcenar, enigszins neerbuigend, zegt over vrouwelijke auteurs voor haar, die deze eer aan zich voorbij hebben zien gaan. Je kijkt door zijn ogen naar die zevenenzeventigjarige sfinx, doorgaans gehuld in capes en sjaals, voor de gelegenheid in een creatie van Yves Saint-Laurent, „een mengeling van Vlaamse boerin en precieuze zeventiende-eeuwer. Van Romeins keizer en hindoegodin. Van Tibetaanse monnik en middeleeuwse heks.”
Bigot werpt zich op de laatste levensjaren van Yourcenar, die ze deels doorbrengt aan de zijde van Jerry Wilson, een Amerikaanse homoseksuele fotograaf, die 46 jaar jonger is dan zij. Na de officiële plechtigheid onder de beroemde koepel laat ze de Franse president en haar eerbiedwaardige confrères voor wat ze zijn en vertrekt ze met Jerry en zijn gay-vrienden naar een restaurant in de Marais.
Voor een romanschrijver zijn de laatste jaren van de oude Yourcenar gefundenes Fressen. Biografe Savigneau liet al zien hoe de bejaarde schrijver ernaar snakte weer op reis te gaan na de dood van haar Amerikaanse levensgezellin Grace Frick. Haar ziekbed had Yourcenar lang gebonden aan haar huis op Mount Desert Island, in Maine. Maar toen ze Jerry ontmoette, voor wie ze viel als een blok, lag de wereld weer open. Ze nam hem aan als haar secretaris, chauffeur, reisde met hem de wereld rond: Amerika, Europa, Egypte, Thailand. Ze liet Jerry de bekendste plekken zien uit haar oeuvre, dat hij nauwelijks kende. Ze wijdde hem in in kunst en geschiedenis, stelde hem voor aan haar literaire of machtige vrienden. Ze bewonderde Jerry, maakt Bigot zijn lezer duidelijk, ze vond alles wat hij deed magnifiek, raakte in zijn ban, ze hervond haar energie, de tijd was opgeheven, leeftijd deed er niet toe. De sfinx werd een vuurvogel, die herrees uit zijn as.
Bigot laat zijn verbeelding los op de smeuïgste en pijnlijkste momenten uit deze jaren. Het is allemaal waar gebeurd, schrijft hij, maar gesprekken, gedachten en scènes heeft hij verzonnen. Dus laat hij Marguerite het in- en inkoud krijgen na de eerste kennismaking met haar „faun” en maken zijn blauwe ogen iets los „zo diep van binnen” dat ze „weigert erin te duiken”. Ze wil hartstochtelijk in de smaak vallen bij de schone jongeling, en oh wat is ze bang als „een bejaarde kletstante” over te komen.
Haar rijkdom maakt gelukkig veel goed. Kort na het overlijden van Grace Frick vertrekt ze met Jerry op een cruise door de Caraïben; hij is een geweldige touroperator. Vol hervonden levenslust werkt ze in de zomermaanden aan haar oeuvre, nieuwe personages smelten soms samen met oude, haar nieuwe reisgezel schemert erdoorheen. Ze heeft hem „in haar hol gelokt, dat prachtige dier met ogen als helder water”. Met verholen lust en begeerte laat Bigot Yourcenar naar Jerry kijken als hij ligt te slapen.
Jerry’s homoseksuele partner Maurice ziet het allemaal met lede ogen aan, evenals veel vrienden en verzorgers van Yourcenar, beducht voor de fratsen van het wespennest waarin ze zich heeft begeven. Niet ten onrechte. Intussen is de aids-epidemie uitgebroken, Bigot geeft het in zijn boek ruim aandacht. Er gaan geruchten rond, is Jerry haar gigolo? Jerry wordt agressief, gewelddadig. In Venetië slaat hij haar, scheldt hij haar uit: „Get up, dirty old bitch. Ugly witch. You piece of shit.” Op een reis naar Japan loopt het opnieuw uit de hand: „Mind your own business, old bitch. Or I’ll beat your ass up.”
Als Jerry „engel des doods” Daniel ontmoet, is het einde in zicht. Daniel is aan de cocaïne („wat als oma afhaakt, wie gaat de dope dan betalen?”), ze melken haar uit, Jerry drijft van haar weg. Tenenkrommend is de scène in een hotel in India, die Bigot in geuren en kleuren uit de doeken doet. Daniel is opgepakt, politie is onderweg voor een huiszoeking van hun hotelkamer. Op bevel van Jerry spoelt Yourcenar in allerijl in de kamer verstopte pillen, spuiten en poeders door de wc.
In interviews vertelt Bigot dat hij al jong door Yourcenars werk gegrepen werd, dat hij alles van haar las en lesgaf over haar oeuvre. In zijn roman laat hij zijn wilde fantasie los op wat Savigneau al, neutraal en feitelijk, in haar biografie vertelde. Bigot maakte van Yourcenar een personage. Maar wel een personage in een wrede en ontluisterende roman, niet gespeend van onbeschaamde nieuwsgierigheid, die de grote schrijver op hoge leeftijd van haar zwakste kant laat zien.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie