Op 2 oktober 2026 bestaat de televisie in Nederland 75 jaar. In die driekwart eeuw is veelvuldig gewezen op de verderfelijke invloed van het medium. Maar televisie is óók goed gezelschap: ‘Wie televisie kijkt, checkt in met de rest van de wereld.’
is cultuurverslaggever bij de Volkskrant.
‘Met enige schroom kom ik uw huiskamer binnen’, sprak staatssecretaris Jo Cals van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen op de avond van 2 oktober 1951. Hij klonk bekommerd. Of hij ook bekommerd kéék kunnen we niet checken, er zijn geen bewegende beelden van die allereerste televisieavond in de Nederlandse geschiedenis bewaard gebleven.
Van de regering had die hele televisie niet gehoeven, maar het geldbeluste Philips zag grote mogelijkheden en had zich suf gelobbyd. ‘Dit is het moment waarop we ons moeten bezinnen of deze verworvenheid inderdaad een overwinning des geestes is’, zei Cals met een grafstem. ‘Wij zullen ervoor moeten zorgen, dat de techniek middel blijft en niet een doel op zichzelf wordt, anders zou het de dood van de cultuur betekenen.’
Na Cals sprak Kors de verse kijkers toe, pater-dominicaan alsmede voorzitter van de NTS (de voorloper van de NPO) en van de KRO, die zo mogelijk nog minder met het nieuwe medium op had dan Cals. Op die allereerste televisieavond wist hij zijn weerzin nog enigszins te bedwingen, maar toen zijn omroep twee weken later een hele televisieavond mocht vullen en hij als ‘veurzitter’ een kort ‘weurd’ mocht zeggen, ging Kors met trillende stem los: ‘Est nobis colluctatio contra spiritualia nequitiae in celestibus! Wij hebben te strijden tegen de boze geesten in de lucht, van daaruit worden dwaling, ongeloof, verkeerde zedelijke opvatting uw huizen binnen gevoerd.’
Recht in de camera kijkend (hier zijn wel beelden van): ‘Daarom moet onze Katholieke Radio Omroep voor u allen zijn en blijven: een vriend en een huisgenoot.’
Op 2 oktober 2026 bestaat de televisie in Nederland 75 jaar. Talloze types drongen in die driekwart eeuw de beslotenheid van talloze huiskamers binnen. Niemand leek gebukt te gaan onder de schroom die staatssecretaris Cals in 1951 zo had gekweld, toen Nederland nog maar 500 toestellen telde die één Nederlands net konden ontvangen – mits ze niet te ver van zendmast Lopik stonden en de antenne goed was afgesteld. In 1964 kwam het tweede net, in 1988 het derde en in 1989 deed de commerciële omroep zijn intrede. Begin jaren zeventig had elk huishouden in Nederland een televisie.
De nieuwe indringers sloegen onzin uit, jutten mensen op en trokken hun kleren uit; ze deden kortom alles waarvoor de dominees en pastoors begin jaren vijftig hadden gevreesd. Zorgen over televisie zijn in de afgelopen driekwart eeuw dan ook veelvuldig herhaald, door vrome gelovigen maar nog vaker door ongelovige wetenschappers.
De beroemdste waarschuwing voor de verderfelijke invloed van het medium kwam van de Amerikaanse communicatiewetenschapper Neil Postman, die in 1985 in Amusing Ourselves to Death min of meer stelde dat televisie mensen hersendood maakt, met als onvermijdelijk gevolg de lamgeslagen samenleving die schrijver Aldous Huxley begin jaren dertig had voorspeld in zijn dystopische roman Brave New World.
In zijn voorwoord bij de Nederlandse vertaling (Wij amuseren ons kapot – De geestdodende werking van de beeldbuis, 1986) viel schrijver en tv-criticus Gerrit Komrij, bedenker van het woord ‘treurbuis’, Postman bij. Televisie was bepalend geworden voor zo’n beetje álles wat in Nederland gebeurde, aldus Komrij. ‘Niet wat er aan de hand is speelt een rol bij de beslissingen en voorkeuren van de mensen, maar wat de tv suggereert dat er aan de hand is.’
Eveneens beroemd zijn de twee colleges die de Franse cultuurhistoricus Pierre Bourdieu in 1996 in het hol van de leeuw afstak, op televisie dus, en die werden gebundeld in Over televisie. Televisie heeft, zei Bourdieu, als massamedium bij uitstek de mogelijkheid iedereen te bereiken en zal dat ook altijd proberen. Omdat ze per definitie jaagt op het grootst mogelijke publiek, is ze bedreigend voor beeldende kunst, literatuur, wetenschap, filosofie, het recht, het politieke leven en de democratie.
Televisie legt de nadruk op sensatie, vult de tijd met leegte en is gevaarlijk, concludeerde Bourdieu. Ook de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam kan niet onvermeld blijven, die in zijn essay en latere boek Bowling Alone (2000) de televisie aanwees als een van de oorzaken van de verschraling van het sociale leven in Amerika.
Maar de televisie trok zich van de kritiek niets aan. In 2026 kunnen Nederlanders elke seconde van de dag honderden zenders, streamingplatforms en apps bekijken, op een groot scherm, de laptop, een iPad of de telefoon. 65-plussers kijken gemiddeld 5 uur en 41 minuten per dag ‘lineair’ televisie, dat wil zeggen dat ze programma’s zien op het moment dat ze worden uitgezonden. Voor jongeren is dat 1 uur en 17 minuten. De gemiddelde kijktijd naar traditionele tv-zenders neemt al jaren af.
Je zou denken dat met name de generatie die de komst van de televisie bewust heeft meegemaakt en dus de meeste uren televisie over zich heen heeft gekregen, inmiddels wel volkomen afgestompt in de touwen moet hangen. Maar dat is niet zo. Ouderen zijn de afgelopen decennia alleen maar gelukkiger geworden, toonde de in 2024 overleden geluksprofessor Ruut Veenhoven aan.
Mijn eigen moeder, 83, is lid van die televisiepioniersgeneratie. Een paar maanden geleden heeft ze haar twintig jaar oude televisietoestel vervangen voor een gloednieuw exemplaar. Elke ochtend streept ze op de tv-pagina’s van de krant de dingen aan die haar interessant lijken. Podium klassiek. Vroege Vogels. Twee voor twaalf.
Op dat soort programma’s kan ze zich echt verheugen, zegt ze. Meestal bekijkt ze zo’n aangestreept programma samen met haar kat, en als het is afgelopen zet ze de tv weer uit en pakt ze een boek. Zonder televisie zou haar dagelijks leven een stuk stiller en leger zijn, en dat van veel van haar oudere vrienden en kennissen ook.
Want de televisie is misschien een smerig loeder, ze is ook een topwijf. Ze brengt de hele wereld in beeld, ze legt de ingewikkeldste kwesties uit, ze toont kunst, ze amuseert en ontspant, ze levert gespreksstof. Het is maar hoe je naar haar kijkt. Én televisie biedt dus gezelschap, een belangrijk punt dat nog weleens onderbelicht blijft. Het woord ‘vriend’ dat pater Kors in 1951 hoopvol in de mond nam gaat wellicht te ver; maar een huisgenoot is televisie in die driekwart eeuw van haar bestaan beslist gebleken.
Ook in verschijningsvorm was de televisie vanaf het prille begin een zeer aanwezige huisgenoot; in de woning nam ze meteen een centrale plek in. ‘Aan de allereerste exemplaren zie je goed af dat ontwerpers nog geen idee hadden hoe een mooie, elegante televisie eruit moest zien’, zegt Timo de Rijk, directeur van het Design Museum in Den Bosch. ‘Meestal waren ze uitgerust als meubel. Beroemd is het toestel van Philips dat de bijnaam ‘het hondenhok’ kreeg; die bijnaam zegt alles over hoe het eruitzag.’
De massale entree van tv in de huiskamers, in de jaren zestig en zeventig, valt min of meer samen met de komst van de centrale verwarming en het vertrek van de plattebuiskachel, kolenkachel of open haard. De Rijk. ‘Op dat centrale punt in de huiskamer kwam de televisie te staan, met daarvoor het bankstel. De komst van het bankstel is weliswaar niet veroorzaakt maar wel aangejaagd door de introductie van het tv-toestel, voor 1960 bestond het woord bankstel nog helemaal niet.’
Waar de televisie er in de jaren zestig best ‘mocht zijn’ – toestellen waren duur, wie zich er een kon veroorloven wilde er graag mee pronken – verdween ze in de jaren zeventig in veel huishoudens in de kast. Uiteraard bij strenge gelovigen die stiekem keken hoewel ze van hun broeders en zusters geen toestel mochten hebben, maar ook in quasiverlichte kringen.
De Rijk: ‘Nieuwe technieken worden soms gevierd, zo van ‘moet je kijken hoe modern we zijn’, maar vaker weggestopt in een meubeltje. Mijn oma had in haar eikenhouten kast de grootste Philips-televisie gezet die ze kon vinden en daar zat ze dan heerlijk voor, afstandsbediening bij de hand, pantoffeltjes op tafel. Maar na de voorstelling ging de kast weer dicht.
‘In de jaren zeventig, toen iedereen in een rustiek en nostalgisch boerderijtje wilde wonen, kon je in tijdschrift VTWonen lezen hoe je een antieke dekenkist kon ombouwen tot televisiemeubel, compleet met liftmechaniek. En onder progressieve linkse VPRO-types was het op zeker moment een statussymbool om een zo klein mogelijke televisie te hebben, of helemaal geen.’
Een beauty werd de huisvriend nooit, hoe hard ontwerpers ook hun best deden. In de jaren negentig sprak Timo de Rijk voor een Teleac-reeks met Stefano Marzano, destijds het hoofd van de designafdeling van Philips. ‘Ik herinner me nog hoe hij met zijn Italiaanse accent riep: die televisie moet je vriendje in huis worden!
‘De afdeling van Marzano werkte samen met Italiaanse ontwerpers en probeerde televisies te maken die aaibaar en gezellig waren, lékkere producten. Maar als de tv uit is, blijft het hoe dan ook een groot, zwart oog dat je aankijkt: een lelijk ding. Wij hebben thuis de muur waaraan hij hangt heel donker geschilderd, dan valt het scherm minder op.’
Want zo zien de meeste televisies er nu uit, plat en hangend. Nog tot 31 december is op de vierde verdieping van mediamuseum Beeld & Geluid in Hilversum een mooie installatie te zien, waar 75 televisies uit elk jaar van het tv-tijdperk gezellig in een kring staan. Alle toestellen tonen flarden van uitzendingen uit hun eigen jaar.
Uit 1953 is er de Watersnoodramp, destijds niet live uitgezonden, maar wel de aanleiding voor de allereerste landelijke tv-inzamelingsactie Beurzen open, dijken dicht. De tv uit 1969 toont hoe ‘Apollo Henkie’ Terlingen de kijkers door de maanlanding van 21 juli loodst, die van 1988 laat Marco van Basten zien die zijn winnende EK-doelpunt scoort en op het scherm uit 2021 begint Mark Rutte maar weer eens aan een coronapersconferentie.
Drie vrouwen stoten elkaar ontroerd aan als ze Willem Duys zien, die op 1 november 1963 zijn eerste Voor de vuist weg presenteerde en daarmee de talkshow in Nederland introduceerde. Ze reageren op het beeld alsof ze een oude vriend ontmoeten.
En in zekere zin is dat ook zo. Als één televisiegenre een huisgenoteneffect kan teweegbrengen is het de talkshow wel, uitgezonden vanuit een gemoedelijke huiskamersetting, drank en nootjes erbij, losjes gepresenteerd. Exemplarisch is de knusse slogan waarmee Sonja Barend in de jaren tachtig en negentig haar talkshow afsloot: ‘Voor straks: lekker slapen, en morgen gezond weer op.’
Mies Bouwman, Koos Postema, Frits Barend en Henk van Dorp, Linda de Mol, Catherine Keyl, Paul de Leeuw, Matthijs van Nieuwkerk: de lijst van Bekende Nederlanders, een fenomeen dat in het kielzog van de televisie ontstond, is eindeloos.
Vooral in de tijd dat programma’s nog miljoenen kijkers trokken, waren die BN’ers zó nadrukkelijk in de huiskamers aanwezig dat mensen soms een persoonlijke band met ze meenden te hebben, een verschijnsel waarvoor de Amerikaanse sociologen Richard Wohl en Donald Horton in 1956 de term ‘parasociale relatie’ muntten.
Dat gebeurt ook met personages uit soaps, drama of reality-tv. Mensen kunnen zwaar in mineur raken als een fictief personage door zijn scenarioschrijver om zeep wordt geholpen, en over de deelnemers aan B&B vol liefde werd afgelopen zomer op sociale media en op feestjes net zo venijnig geroddeld als vroeger over dorpsgenoten.
In haar Amsterdamse woning veert politicoloog Joke Hermes, sinds juni 2025 bijzonder hoogleraar geschiedenis van de Nederlandse radio en televisie aan de Universiteit van Amsterdam, opgetogen op bij het horen van het woord ‘huisgenoot’. ‘Dat is precies wat televisie is. Je hoort weleens dat het tijdperk van de televisie voorbij is, maar daar geloof ik niks van. Volgens mij beleven we zelfs een feniksmomentje: Netflix gaat lineair dingen aanbieden!’
Bewijs voor de stelling dat tv terug is, heeft Hermes niet. ‘Ik ben publieksonderzoeker en mij valt op dat niemand me meer glazig aankijkt als ik tijdens lezingen of onderzoek over televisie begin. Dat was tien jaar geleden wel anders.’ Maar haar definitie van televisie is breed: ‘Voor mij is televisie een sociale technologie die audiovisuele inhoud biedt, en het maakt weinig uit of die inhoud van de streamers komt, van YouTube of voor mijn part van een ouwe videorecorder.’
Hermes promoveerde begin jaren negentig op het lezen van vrouwenbladen. ‘Mij viel op dat de vrouwen die ik interviewde met veel meer plezier over televisie spraken dan over die bladen. Dat plezier komt er niet altijd uit als ‘o, wat ben ik toch ontzettend blij met die televisie’, het kan ook heel goed de vorm aannemen van klagen: ‘Waarom maken ze dat Journaal toch zo slecht?’. Maar daar klinkt dan een zeker mede-eigenaarschap in door: het is wel míjn Journaal.’ Oftewel: mijn huisgenoot.
Goed onderzoek naar het huisgenoteneffect van tv is er niet veel, zegt Hermes. ‘Ik vind vooral Uses of Television uit 1999 van John Hartley interessant, een Australische cultuurwetenschapper die de nadruk legt op televisie als medium van disciplinering. Aan het begin van de 20ste eeuw was er internationaal veel aandacht voor het feit dat mensen moesten worden opgevoed en gedisciplineerd. Als er één medium was dat het huishouden tot een eenheid kon smeden, op wat voor manier ook, was het televisie, schreef hij.’
En wat Hermes betreft is dat nog steeds zo. ‘Televisie socialiseert. Je kunt samen zwijgen of het hebben over wat er te zien is terwijl je kijkt; je kunt het nabespreken met familie en vrienden.’ Zelf is ze vooral een liefhebber van tv-drama. ‘Die afleveringen tellen vijftig minuten, dat is precies goed: je bent even helemaal in een ander leven, maar je hoeft niet twee uur op je achterwerk te zitten, zoals bij film.’
Dat wetenschappers veel vaker de negatieve kanten hebben belicht dan de positieve, heeft volgens Hermes verschillende oorzaken. ‘Nieuwe media worden altijd eng gevonden. En met nieuwe media ontwikkelt zich óók altijd een enorme industrie van mensen die geld krijgen voor gezondheidsgerelateerd onderzoek naar die nieuwe media. Die hebben er natuurlijk nul belang bij om te zeggen dat het allemaal wel meevalt.’
Van de argumenten waarmee de Bourdieu-achtigen televisie hebben afgeserveerd, is Hermes niet onder de indruk. ‘Televisie was jaren de gemakkelijkste zondebok voor allerlei problemen, maar ik denk eigenlijk dat veel van die cultuurpessimisten nauwelijks tv keken. Om de kwaliteit van televisie te kunnen herkennen, moet je wel echt aandacht hebben voor dat medium.’
Wat bij die kritiek ook een rol speelt, volgens Hermes: televisie is het medium van de emancipatie. ‘Daar hebben elites natuurlijk moeite mee. De gewone mensen kregen een podium, iedereen mocht gezien worden. In deze tijd krijgt het populisme ruim baan, misschien is dat een kwestie van doorgeslagen emancipatie. Maar ook nu zou ik geen woorden als ‘gevaarlijk’ gebruiken, dan kom je in de sfeer van die 20ste-eeuwse opvoedingsgedachten, waarbij de een gaat uitmaken wat goed is voor de ander.’
De grootste troef van televisie, volgens Hermes, is dat zij op een prettige manier een blik biedt op wereldbeelden. ‘Wie televisie kijkt, checkt in met de rest van de wereld. Hoe gaat het eraan toe tussen mensen, wat is normaal, wat vind ík? Mensen hebben er lol in zich met anderen te vergelijken. Ik denk dat we allemaal op zoek zijn naar herkenning. Je wilt je onderdeel voelen van wat er gebeurt, en daar levert de televisie al 75 jaar een belangrijke bijdrage aan. Huisgenoot is echt een voortreffelijke typering van wat de televisie is. En ik denk dat ze dat nog wel een tijdje blijft.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant