Home

Achthonderd jaar lang worstelen met de heilige Franciscus

Geschiedenis Franciscus van Assisi is misschien wel „de meest populaire heilige”, ná Maria. Op 4 oktober viert de katholieke kerk zijn 800ste sterfdag. Wie was dit ‘arme kereltje’?

Preekte de beroemde heilige Franciscus van Assisi (ca. 1182-1226) werkelijk tot de vogels? En heeft hij echt vriendschap gesloten met een woeste wolf in Gubbio, zoals een standbeeld in dat mooie Umbrische stadje nog altijd trots uitbeeldt? De achthonderdste sterfdag van de dertiende-eeuwse heilige wordt dit jaar groots gevierd in de katholieke kerk. En vooral aan de verhalen over vogels en de wolf heeft Franciscus te danken dat in 1929 zijn officiële feestdag, 4 oktober, is uitgeroepen tot Werelddierendag. Maar het antwoord is toch: nee. Geen preek, geen wolvenvriendschap.

En daarmee zijn we direct bij ‘de Franciscaanse kwestie’, die sinds de 19de eeuw het historisch onderzoek naar de heilige lijkt te beheersen. Wat is er waar van al de verhalen over hem, die in de eeuw na zijn leven in groten getale werden opgeschreven? Er is geen middeleeuwer van wie we zoveel weten, maar de vraag is wat er klopt.

Eerst de dieren. De heilige Franciscus had wél een band met vogels, hij vond bijvoorbeeld dat iedereen met Kerstmis voedsel voor vogels zou moeten neerleggen. Maar kennelijk alleen met Kerstmis. En op reis door de vallei van Spoleto begroette hij ooit een grote zwerm vogels in een akker met zijn standaardgroet: „Moge de Heer u vrede geven.” En toen de vogels niet wegvlogen terwijl hij tussen hen door liep, prees hij God. Hij vroeg de vogels om óók God te prijzen, waarop ze inderdaad begonnen te zingen. Dát verhaal is volgens de historicus (en dominicaan) Augustine Thompson in zijn Francis of Assisi, A New Biography (2019) de historische betrouwbare kern, die later is verfraaid tot ware preek tot de vogels.

En die wolf van Gubbio is écht een vroom verzinsel dat pas honderd jaar na Franciscus’ dood opduikt in een tekst. Een woeste wolf zou door Franciscus met een kruisteken getemd zijn. Het beest zou daarna op Franciscus’ voorspraak nog jarenlang als brave hond hebben geleefd in de stad Gubbio, gevoed door de inwoners.

Er is enige rechtvaardiging voor een dierendag op de naamdag van Franciscus. Hij heeft wél bijvoorbeeld de eerste kerststal gemaakt, mét ezel en os. En dat hij in zijn kloosterregel zijn broeders verbood om een huisdier te nemen, kan het beste worden uitgelegd als een afkeer van het bezítten van dieren, niet een afwijzing van vriendschap met de natuur. Maar in Franciscus’ beroemde Zonnelied (overigens een van de oudste bewaard gebleven literaire werken in het Italiaans) komen juist weer géén dieren voor. Wel worden daarin door hem geprezen ‘heer broeder zon’ (messor lo frate sole), ‘zuster maan’, ‘broeder wind’, ‘zuster aarde, onze moeder’ en ook ‘kleurige bloemen’ (coloriti flori), dus toch zo ongeveer de hele natuurlijke schepping. Zijn lichaam noemde Franciscus ‘broeder ezel’, vooral omdat dat lijf moest gehoorzamen aan de ontberingen die Franciscus zichzelf oplegde om uit de wereld te treden, in imitatie van het lijden van Christus.

Nationale feestdag in Italië

Franciscus is hoe dan ook een van van de bekendste en ook een van de meest vereerde heiligen van de katholieke kerk geworden. Ter ere van de 800ste sterfdag wordt 4 oktober zelfs weer een nationale feestdag in Italië, een vrije dag die in de jaren zeventig wegens bezuinigingen werd afgeschaft. En eerder dit jaar werden in de crypte van de grote Franciscus-kerk in Assisi een maand lang de beenderen van de heilige getoond die daar al bijna 800 jaar bewaard worden, een uiterst zeldzame vertoning waar bijna een half miljoen pelgrims op afkwamen.

Maar ook met gesloten kist maakt de kerk op het hoogste punt van Assisi een serene indruk, zoals de meeste bezoekers zullen kunnen beamen. En niet alleen door de schitterende renaissance-fresco’s van Giotto in de bovenkerk, maar ook omdat vooral in eenvoudige crypte nog altijd de intrigerende geest van ‘il poverello’ lijkt rond te waren, zoals Franciscus al bij zijn leven liefkozend werd genoemd, ‘het arme kereltje’.

„Ik denk dat ná Maria, de moeder van Christus, Franciscus van Assisi een heel goede kans maakt de meest populaire heilige te zijn binnen én buiten de Rooms-Katholieke Kerk – ná Maria dus”, oordeelt Frank Bosman telefonisch. Hij is cultuurtheoloog aan de Universiteit van Tilburg. „En dat komt omdat hij zo lekker aansluit bij wat wij nu aan het begin van de 21ste eeuw nog altijd leuk vinden. Franciscus is de heilige van de armoede en van de ascese [zelfontzegging]. Iemand die al zijn rijkdom weggeeft, een antikapitalistisch mannetje dus, in deze tijd van kritiek op het hyperkapitalisme.” Maar er is meer. Franciscus spreekt ook nog altijd aan „omdat hij een mysticus was”, aldus Bosman, „over wie mooie verhalen bestaan”.

Ook is Franciscus op het schild gehesen van de ecologie, niet eens zozeer door Werelddierendag, als wel door zijn verbondenheid met de schepping. Bosman: „En dat wordt vaak verbonden aan het Zonnelied, waarin Franciscus broeder Zon en zuster Maan eert, met de hele schepping als één groot gebed voor de schepper.” Bosman ziet nog een vierde reden voor Franciscus’ populariteit. Omdat Franciscus tijdens de vijfde kruistocht te midden van al dat geweld op vredige wijze de sultan van Egypte bezocht, geldt hij ook als held van de interreligieuze dialoog. „Hij zou daar een diep religieus gesprek hebben gehad met de sultan. En hij werd er ook met alle egards ontvangen.”

De Franciscaanse kwestie – ‘wat wilde Franciscus écht?’ – brak uit aan het eind van de negentiende eeuw. Toen zette de protestantse historicus Paul Sabatier de populaire heilige neer als een religieuze vernieuwer in de beste ketterse tradities, los van de kerk. Franciscus’ leven wordt dan verteld als een lange strijd met machtsbeluste pausen, kardinalen en bisschoppen, die de man in een katholieke mal willen persen. Daartegenover werd door katholieke historici al snel een heel vrome en diepkerkelijke Franciscus gepresenteerd, in weer nét een andere interpretatie van de beschikbare bronnen. Die twee scholen zijn nog altijd terug te vinden in veel populaire beschrijvingen. De moderne wetenschappelijke biografieën geven een veel genuanceerder beeld.

Zoals Thompson opmerkt is uit de meest betrouwbare bronnen bijvoorbeeld nergens op te maken dat Franciscus zich ooit keerde tégen de kerk. Hij was vooral bezig met zijn eigen opgave: leven in armoede in imitatie van Christus. De kerk lijkt verder niet veel meer dan een decor voor Franciscus’ innerlijke preoccupaties met Christus en armoede. En ondanks zijn eigen extreme boetedoening (vasten, lange waken, urenlang bidden) was Franciscus daarin vaak mild voor anderen, bijvoorbeeld in conflicten over toegestane voedingsmiddelen. „Eet wat je wordt voorgezet”, was dan Franciscus’ praktische advies, met een evangeliecitaat (Lucas 10:8).

„Voor mij is het grote verhaal van Franciscus dat hij binnen de kerk bleef, maar van daaruit búíten het systeem trad”, zegt Willem Marie Speelman, in zijn woonkamer. Speelman is hoogleraar Franciscaanse spiritualiteit aan de Universiteit van Tilburg en nauw verbonden met de Franciscaanse beweging in Nederland. „Centraal in zijn leven staat zijn verbondenheid met mensen in de marge. En dat komt voort uit zijn radicale keuze voor nederigheid en armoede. Briljant! Vanuit die positie kan je veel beter de waarde inschatten van ontmoetingen. Als de premier of een minister je een hand geeft, heb je dan een echte ontmoeting? Maar wat gebeurt er als je praat met een Syrische vluchteling? Precies. Daar gaat het om, de betrekking met andere mensen. De grote aandacht voor alles wat er zich afspeelt in de marges. Vanuit nederigheid.”

En dat is precies wat ook Franciscus zelf zegt in zijn testament, dat hij vlak voor zijn dood opmaakte. Het spirituele draaipunt in Franciscus’ leven, schrijft hijzelf, was een ongewilde ontmoeting met de meest marginale mensen in de middeleeuwse samenleving, de melaatsen, op een moment dat hijzelf in diepe crisis was. „Wat ik eerst zo afschuwelijk vond, werd zoet voor mij in lichaam en ziel.” En daarna beschrijft Franciscus – echt middeleeuws – hoe de kerk voor hem vooral het toneel is voor de eucharistie. Dat is het door Franciscus diep beleefde wonder dat Christus aanwezig is in de door de priester gezegende brood en wijn tijdens de mis. „Ik zie lichamelijk in de wereld niets van de allerhoogste Zoon van God zelf dan zijn allerheiligst lichaam en allerheiligst bloed dat zij [de priesters] ontvangen.”

En in tegenstelling tot veel middeleeuwse ketters en zeker ook de latere protestanten accepteert Franciscus ook volledig dat het magische vermogen om de mis te kunnen opdragen is voorbehouden aan de kerkelijk gewijde priesters. Precies dáárom wil Franciscus de priesters eren en gehoorzamen, schrijft hij, „zelfs als zij mij zouden vervolgen”. Zelf wilde Franciscus nooit priester worden. Hij probeerde zelfs te voorkomen dat zijn minderbroeders priester werden. Want dan werden ze te veel boven de anderen gesteld, in strijd met de nederigheid.

De ware vreugde volgens Franciscus

Alles draait om nederigheid. In een volgens velen min of meer authentiek tekstfragment (de ‘Ware Vreugde’) vertelt Franciscus wat voor hém de ware vreugde is. Dat is als hij in de vrieskou, midden in de nacht, met bloedende benen door de hagel, aanklopt bij zijn eigen broederhuis, en dat dan na lang wachten een broeder vraagt: wie is daar? Antwoord: broeder Franciscus! „En de broeder zegt: ga weg, je bent maar een eenvoudig en ongeletterd man, ga maar naar het huis van de Kruisdragers”, vertelt Franciscus verder. „Als ik dan mijn geduld bewaar, en me niet opwind, ik zeg je dat daarin de echte vreugde is en de echte deugd en het heil van de ziel.”

Vooral door de intensieve bronnenkritiek en analyses van de laatste decennia wordt door de leidende biografen de ‘Franciscaanse kwestie’ meestal als beëindigd beschouwd. De waarheid – voor zo ver te achterhalen – ligt in het midden. Vanuit de kerk treedt Franciscus naar buiten, maar zonder program of doel. Allemaal in het moment, zoals een echte mysticus betaamt.

Zoals Thompson schrijft: „Franciscus heeft nooit een sociaal of religieus hervormingsprogramma voorgesteld. Zijn oproep om de wereld te verlaten, was zo intens en zo persoonlijk dat hij het zelfs nooit volledig kon uitleggen, laat staan dat hij er een praktisch of concreet programma van kon maken.” Zelfs als hij al eens preekte, draaide het bij Franciscus nog niet om woorden, maar verviel hij vaak in gezang (van Franse liederen) en dans. En één keer zou hij zelfs in zo’n preek niets gezegd hebben. Hij ging op de grond zitten en hij strooide as over zijn hoofd, als symbool van rouw en eenvoud.

De Franse Franciscus-kenner Jacques Dalarun zegt het in zijn standaardwerk François d’Assise en questions uit 2016 zo: „Laten we goed begrijpen dat Franciscus geen gecompliceerd mens was. Iedereen kan zijn woorden begrijpen, zijn motieven snappen, zijn geschriften lezen. Dit is geen Dante of Mallarmé. En zelfs de spanningen waaraan hij blootgestaan heeft, zijn op zichzelf ook simpel.” Maar, schrijft Dalarun, tezamen genomen zijn die spanningen complex. „En de grootste spanning waaraan Franciscus blootstond, is een spanning die zindert door de hele geschiedenis van het westerse christendom: de paradox van de ‘christelijke samenleving’.” Die paradox is de moeilijkheid om de existentiële idealen die Franciscus nastreeft (compromisloze naastenliefde en intense nederigheid), in stabiele structuren en vormen vast te leggen. Franciscus zelf heeft dat nooit echt geprobeerd. Ja, hij geldt als stichter van een orde, maar dat ging zeker niet van harte.

Door de vele bronnen en alle wetenschappelijk onderzoek is het basisverhaal van Franciscus vrij duidelijk. Rond 1182 werd Franciscus geboren in het Italiaanse Assisi als zoon van een rijke lakenhandelaar. Zijn doopnaam was waarschijnlijk Johannes. Francesco was een bijnaam, gebaseerd op de vele contacten met Frankrijk van zijn vader en ook zijn eigen fascinatie met de Franse taal (in de Provençaalse variant, de Langue d’Oc). ‘Fransje’ was koopman in het bedrijf van zijn vader. En als chef van de lokale ‘jeunesse dorée’ leidde hij een vrolijk leven, met veel interesse in feesten en hoofse cultuur.

Maar doordat hij ging meevechten in een oorlog tegen het naburige Perugia, waar hij ook nog ruim een jaar krijgsgevangene was, raakte Franciscus in verwarring. Een oorlogstrauma ligt voor de hand, als moderne diagnose. Hij keerde zich af van iedere rijkdom en werd een leken-penitent, met een leven in armoede en nederigheid in imitatie van Christus. Een eenzame kluizenaar, die ook zorgde voor melaatsen en vervallen kerken.

Zijn levenswijze en onmiskenbare charisma trok volgelingen aan. „Ze waren tevreden met één habijt, van binnen en van buiten opgelapt”, schrijft Franciscus daarover in zijn testament. „Meer wilden we niet hebben, ongeletterd en aan iedereen ondergeschikt.” Omdat gehoorzaamheid aan de kerk onderdeel was van zijn diepe nederigheid, en waarschijnlijk ook omdat zo’n erkenning belangrijk was voor de stabiliteit en continuïteit van hun leefwijze, vroeg Franciscus aan de paus toestemming voor zijn levenswijze. Die erkenning kreeg hij en zijn groepje groeide uit tot honderden en zelfs duizenden ‘minderbroeders’.

Die groei was een last die hij niet kon dragen. Leiderschap was in strijd met Franciscus’ streven naar nederigheid en anderen gingen de orde leiden. Franciscus schreef wel mee aan de kloosterregel die zijn naam kreeg – overigens in twee versies, wat later weer aanleiding gaf tot veel ruzie in de orde. Geteisterd door ziekte kreeg il poverello een jaar voor zijn dood stigmata, vergroeiingen op zijn handen en voeten in imitatie van de wonden van Christus. Een volkomen nieuw fenomeen toen, een moderne psychiater zou het ‘conversie’ kunnen noemen, een lichamelijke uiting van geestelijke strijd. Later kwamen er meer heiligen met stigmata, tot aan padre Pio in de twintigste eeuw.

Na Franciscus’ dood en snelle heiligverklaring zette de enorme groei van zijn broederschap van de Fratres Minores door, met al tienduizenden broeders rond 1250. Overal in West-Europa verschenen huizen met ‘minderbroeders’ die probeerden te leven naar de regels van Franciscus. Die kleine stedelijke kloostertjes, open aan de wereld, vormden een ware revolutie in de middeleeuwse zielzorg, die nog weinig was aangepast aan het leven in de nieuwe steden.

Franciscus en zijn beweging vormden op die manier integraal onderdeel van een grote vernieuwingsbeweging die al tijdens de economische opleving in de elfde eeuw begon, vooral in de snelgroeiende steden. In contrast met de sterk rituele en hiërarchische kerk uit de vroege Middeleeuwen werd persoonlijke beleving van het geloof belangrijker en ook de groeiende verschillen in rijkdom werden ter discussie gesteld. Het is in deze tijd dat het beeld van Christus als onbewogen Pantokrator (heerser van het heelal) plaatsmaakte voor dat van een lijdende, menselijke Christus aan het kruis.

Grotere macht van de paus

Veel van de ‘armoedebewegingen’ raakten in conflict met de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten. Zoals die van de Waldenzen, gesticht door Pierre Waldes (ca.1140-1218) uit Lyon, ook aanvankelijk een rijke koopman, die vaak met Franciscus vergeleken wordt. Diens tot ketters verklaarde beweging overleefde tot aan de reformatie met grote moeite in afgelegen valleien in de Alpen. Maar met steun van Rome stroomden Franciscus’ broeders uit over Europa, in een grote drang om de armen te helpen (net als overigens de ongeveer gelijktijdig opgerichte en vergelijkbare ‘bedelorde’ van de Dominicanen, de ‘predikheren’). Dat was niet alleen religieuze politiek, die verspreiding leidde ook tot grotere macht van de paus. De nieuwe ordes waren alleen aan hem verantwoording schuldig, niet aan de lokale bisschoppen en priesters.

Zo sterk richtten deze bedelordes zich op de steden dat – in een beroemd woord van de Franse historicus Jacques Le Goff – in de veertiende eeuw een stad pas een stad was als er een van hun kloostertjes gevestigd was. Binnen een paar jaar na Franciscus’ dood was de orde ook al gevestigd in de Lage Landen, in Den Bosch, Brussel, Leuven en Valenciennes. Dordrecht volgde rond 1250, als eerste stad in het graafschap Holland. In het Friese Bolsward verschenen ze mogelijk al in 1253 en zeker in 1270.

Deze ongetwijfeld onbedoelde bijdrage aan de vernieuwing van de kerk is waarschijnlijk de grootste historische erfenis van de arme man uit het dal van Spoleto. Zoals ooit de Franse historicus George Duby vol vuur zei: „De persoonlijkheid van Franciscus speelt een fundamentele rol in de grote veranderingen tijdens de overgang van de twaalfde naar de dertiende eeuw. Voor een deel is hij nog onderdeel van de oude riddercultuur, maar hij staat ook aan de basis van alles wat er nog aan christelijks over is in onze huidige beschaving. Na Jezus is Franciscus de belangrijkste figuur in de ontwikkeling van het christendom.”

De paradox van de christelijke samenleving, waaraan Franciscus zo’n belangrijke bijdrage leverde, en vooral de praktische onbereikbaarheid ervan, bleef ook in zijn eigen orde gelden. Want die Ordo Fratrum Minorum werd al snel na zijn dood verscheurd door twisten over juiste leefregels en vooral over hoe armoedig precies de broeders dan eigenlijk moesten leven. Iedere partij in die strijd beriep zich daarbij op Franciscus zelf. De felste twisten duurden tot ver in de veertiende en vijftiende eeuw, waarbij zelfs een deel van zijn volgelingen die absolute armoede nastreefden (de ‘spirituelen’ en de ‘fraticelli’) als ketters werden vervolgd en verbrand. Een bittere strijd, die wordt beschreven in Umberto Eco’s beroemde roman De naam van de roos. Die twisten zijn ook de reden waarom de Franciscaner orde tot op de dag van vandaag is verdeeld is tussen ‘observanten’, ‘kapucijnen’ en ‘conventuelen’, met allemaal net andere leefregels en habijten.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Religie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next