Home

‘De grootste weerstand ondervond ik van mijn ego’

‘Achteraf bezien heb ik me te veel laten leiden door wat de maatschappij als belangrijk bestempelt.’ Na een carrière in het bedrijfsleven stortte Marcel Belt zich op duurzame zeep en creëerde Marcel’s Green Soap. De activist kwam bij hem boven.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Achteraf bezien heb ik me te veel laten leiden door wat de maatschappij als belangrijk bestempelt.’ Na een carrière in het bedrijfsleven stortte Marcel Belt zich op duurzame zeep en creëerde Marcel’s Green Soap. De activist kwam bij hem boven.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Ik heb geen idee wat ik met mijn leven ga doen, maar één ding word ik in ieder geval niet: slachtoffer. Als het tegenzit, ga ik me niet beklagen over mijn pech, hoe zwaar ik het ook ga krijgen.’

Als jongste in een gezin met zeven kinderen, wonend in de Achterhoek, neemt Marcel Belt dat zich heilig voor. Aanleiding vormt het gedrag van zijn vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekamp Dachau chronisch ziek is geworden. Wanneer de jonge Marcel begin jaren zeventig vriendjes mee naar huis neemt, kijkt hij met lede ogen naar zijn vader: ‘Hij zat voorovergebogen aan de keukentafel, omringd door potjes met pillen. Dan zei hij tegen zo’n vriendje: ‘Jij wilt zeker weten waar die voor nodig zijn?’ Waarna hij zijn verhaal afstak. Ik schaamde me kapot.’

Zijn besluit zichzelf nooit als ‘slachtoffer’ te gaan zien, wordt zwaar op de proef gesteld wanneer Belt als 41-jarige, succesvolle manager in Mexico woont. Hij werkt er voor een Brits consumentenproductenconcern, na eerder bij Unilever carrière te hebben gemaakt. Belt is vader van drie dochters van dan 6, 4 en 2 jaar oud. Hij is getrouwd met een Amerikaans-Hongaarse vrouw. Zij krijgt een infectieziekte, waaraan ze in een mum van tijd overlijdt. ‘Het ging zo snel, het leek wel een verkeersongeluk.’

Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Enkele weken huilt hij ‘erg hard en veel’, terwijl hij zich afvraagt: ‘Hoe ga ik dit in godsnaam doen?’ Denkend aan zijn vader neemt hij zich voor dat zijn kinderen ‘in ieder geval geen slachtoffer als vader mogen krijgen’. ‘Hoe klein ze ook waren, ik heb tegen ze gezegd: ‘We gaan dit met z’n vieren rooien, we maken er een hartstikke mooi leven van, ook al is ons gezin anders dan andere gezinnen.’

Terug in Nederland weet hij, geholpen door au-pairs, zijn vaderrol te combineren met een succesvolle carrière. Totdat zijn dochters in de puberteit komen en het voor de au-pairs steeds lastiger wordt. ‘Toen heb ik besloten mijn loopbaan af te breken en vijf jaar huisman te worden, tot de jongste het huis uit zou zijn. Als manager had ik genoeg verdiend om die jaren te overbruggen.’

Een periode van reflectie breekt aan. ‘Ik verdiepte me in het klimaatprobleem. Het werd me steeds duidelijker: we zijn niet rationeel bezig. We zitten in een bus en rijden met 100 kilometer per uur op een muur af, terwijl we collectief doen alsof er niks aan de hand is.’

In de branche waarin hij carrière heeft gemaakt, die van de schoonmaakmiddelen, ergert hij zich aan het gebruik van petrochemische ingrediënten en niet-gerecycled plastic voor de verpakkingen. In 2015 brengt hem dat tot de oprichting van Marcel’s Green Soap, een bedrijf dat plantaardige producten als handzeep, toiletreiniger en afwasmiddel in gerecyclede plastic flessen gaat verkopen.

Met vallen en opstaan wordt dat een enorm succes: negen jaar na de start maakt het bedrijf een miljoenenwinst bij een omzet van 25 miljoen euro. Een geschikt moment om te verkopen, vond hij. Het werd de Franse Altaïr Groupe: ‘Die hadden wel de middelen om het bedrijf internationaal verder te brengen.’ Inmiddels liggen de producten in 4.500 Nederlandse en ruim vijfduizend Franse winkels.

Dankzij de verkoop kan hij nu de financier zijn achter het videoplatform Happy Activists, bestemd voor ‘positief activisme’ op het vlak van duurzaamheid en andere maatschappelijke vraagstukken. Ook is de 62-jarige Belt de geldschieter van de door hemzelf bedachte Nationale Klimaatprijs, die jaarlijks wordt uitgereikt aan het meest baanbrekende klimaatinitiatief. ‘Ik dacht: als het Nobelcomité het niet doet, dan doe ik het zelf wel.’

Gaat uw maatschappelijk engagement terug tot uw jeugd, of is het pas later gekomen?

‘Dat vind ik een lastige vraag. Ik weet in ieder geval dat ik nooit tegen onrecht heb gekund. Op de basisschool zat een geestelijk minderbegaafd jongetje in mijn klas. Ik speelde met hem, omdat ik vond dat hij er ook bij hoorde. Op een gegeven moment pakten klasgenootjes zijn bril af en gooiden die weg. Ik ben toen boven op een van die jongens gaan zitten, ik was vrij groot en stevig, en heb diens hoofd hard tegen een tegel geslagen. Dat was niet fraai, maar mijn boosheid over dat onrecht was zo intens. Dat heb ik nog steeds: als ik op straat onrecht zie, wil ik me ermee bemoeien. Ik voel ook altijd sympathie voor immigranten en vluchtelingen. Mensen zouden zich eens moeten afvragen hoe het is aan de andere kant te zitten. Dat doe ik automatisch.’

Hoe komt dat, denkt u?

‘Wellicht heeft het ermee te maken dat ons gezin vanwege de gezondheid van mijn vader van Den Haag naar de Achterhoek verhuisde, toen ik 5 jaar oud was. Wij werden gezien als import. ‘Die moeten we hier niet’, was de houding. Ik werd een soort immigrant in eigen land. Ik was een lief, blond jochie, maar had wel een Haagse tongval. Van het Achterhoeks bakte ik niks. Bovendien kwam ik op een protestants-christelijke school terecht, terwijl ons gezin katholiek was. Dus werd ik buitengesloten. Toen ik voor een verjaardag twaalf jongens uitnodigde, kwam er eentje opdagen.’

U ging in de jaren tachtig bedrijfskunde studeren in Twente. Raakte u toen maatschappelijk betrokken?

‘Ja, ik richtte me op de rol van multinationale ondernemingen in derdewereldlanden. Mijn scriptie ging over de vraag hoe Unilever het merk Blue Band in Indonesië aan de man wilde brengen. Ik ben dat daar gaan bekijken, een geweldige tijd. Aanvankelijk zag ik mezelf nooit bij Unilever werken, omdat het me een bolwerk van het najagen van eigen belang leek. Een bedrijf dat geen rekening met de lokale bevolking hield. Maar ter plekke zag ik dat het genuanceerder lag. Weliswaar ging het er paternalistisch aan toe en werden er missers gemaakt, maar Unilever hielp ook de hygiëne voor de bevolking te verbeteren dankzij kwalitatief goede producten, het deed aan sociale projecten zoals betere riolering en hield zich ver van corruptiepraktijken, anders dan lokale bedrijven. Na mijn studie ben ik er als 25-jarige toch gaan solliciteren.’

Tussen uw 25ste en 50ste is uw idealisme niet aan bod gekomen. Hoe kijkt u daarop terug?

‘Ik ben in die periode met andere dingen in het leven bezig geweest. Achteraf vind ik dat ik me in die jaren te veel heb laten leiden door wat mijn omgeving en de maatschappij als belangrijk bestempelen. Zelf heb ik aan geld nooit veel waarde toegekend, maar ik verdiende wel steeds meer en woonde in steeds grotere huizen. Ik was vooral met de mensen om me heen bezig. Ons gezin heeft lang de plek van mijn idealisme ingenomen, zeker na de dood van mijn vrouw.’

Vanaf 2015 komt uw idealisme met Marcel’s Green Soap wel aan bod. Welke weerstanden kwam u tegen?

‘De grootste weerstand ondervond ik van mijn ego. Ik had bij grote bedrijven gewerkt met enorme marketingbudgetten en teams die naar me luisterden. Nu zat ik in een kamertje thuis en reed ik naar winkels om mijn producten aan te prijzen. Vrienden keken me meewarig aan wanneer ze op een zaterdag zagen hoe ik in Marqt of Blokker voor 2,99 euro mijn zeepflesjes aan klanten probeerde te slijten. Maar het lukte me over mijn eigen ego heen te stappen. Opnieuw: ik wilde mezelf niet zielig vinden. Ik ga hier een succes van maken, hield ik mezelf voor. Uit de verkopen in die winkels putte ik telkens kracht en energie, hoe bescheiden die in het begin ook waren. Na zo’n negen maanden ontstond er momentum toen het merk door mensen echt gewaardeerd ging worden.’

Waarom heeft u het naar uzelf vernoemd?

‘Ik zag dat dat goed had gewerkt bij andere duurzame merken, zoals Ben & Jerry’s (Ben Cohen en Jerry Greenfield, oprichters van dit ijsmerk, red.) en Tony’s Chocolonely (chocolademerk, vernoemd naar medeoprichter Teun van der Keuken, red.). Je moet het zo persoonlijk mogelijk maken, zodat mensen begrijpen dat het niet van een anoniem concern komt, maar van iemand van vlees en bloed; in dit geval van een vader die een duurzame wereld voor zijn drie dochters wil. Het moet vooral positief zijn. Bij duurzaamheid moet je niet roepen dat het milieu naar de verdoemenis gaat. Dan denken mensen al snel: het zal wel.’

Hoe positief stonden grootmachten als Albert Heijn en Jumbo tegenover uw bedrijf bij onderhandelingen over uw plek in hun schappen?

‘In het begin heb ik me daarin vergist. Ik dacht dat ze zo’n sympathiek bedrijf wel leuk zouden vinden en dat ze hun winsten bij grote merken als Ariel en Robijn zouden kunnen halen. Voor mijn ego waren die onderhandelingen wel slikken. Zat ik als vijftiger met al mijn ervaring tegenover zo’n inkopertje van 30, die me ging vertellen: ‘We zien de markt toch echt anders, meneer Belt.’ Ik moest leren dat zo’n inkoper vooral kijkt naar zijn target voor winstmarges en naar een groter marktaandeel voor zijn concern. Dus is het eerder omgekeerd: met hun marktmacht dwingen ze je in een hoek, een klein bedrijf kunnen ze gemakkelijker bedreigen met van het schap gooien. Dat wordt anders wanneer je merk zo geliefd bij consumenten wordt dat die er speciaal voor naar de supermarkt gaan. Dat is ons gelukt.’

Waarom maakt een bedrijf als Unilever niet al zijn verpakkingen van gerecycled plastic?

‘Toen ik via mijn oude contacten een Unilever-baas erop aansprak, zei ze: ik snap het ook niet. Een maand later vertelde ze dat haar financiële mensen hadden gezegd dat het iets duurder zou worden en dat de fabriek had aangegeven dat de vorm van gerecyclede flessen niet altijd identiek is, waardoor ze niet altijd goed over de productielijnen liepen. Zo’n organisatie werpt allerlei drempels op. Dus heb je een overheid nodig die het gebruik van nieuw plastic simpelweg verbiedt.’

Met de verkoop van het bedrijf heeft u aan uw idealisme flink verdiend, een zeldzaamheid. Hoe reageerde de buitenwereld?

‘Over het algemeen positief. Mensen die met de financiële kant niet veel ophebben, vinden het verhaal en onze producten sympathiek en zien vooral dat we iets goeds voor de wereld doen. De zakenvrienden die me eerder meewarig aankeken toen ik op mijn 53ste flesjes zeep stond te verkopen, hebben vooral respect voor het eigenhandig opzetten van een business. Zij weten hoeveel daarbij komt kijken. Nu verwachten ze dat ik een tweede huis in Spanje en een grote boot koop. Niet dus. Ik rijd in een vijftien jaar oude auto.’

U steekt uw geld wel in Happy Activist. Wat hoopt u daarmee te bereiken?

‘Het biedt een podium voor al die duizenden, hoopgevende initiatieven die er in Nederland zijn om ons land socialer en duurzamer te maken. Mijn hoop is dat het bedrijfsleven en vervolgens ook de overheid die initiatieven gaan omarmen. Te veel verwachten mensen nog dat politici het voortouw wel nemen. Maar die zijn vooral volgend, terwijl het zakenleven vooral naar de politiek kijkt voor de regelgeving. Dus we zullen de verandering niet van hen moeten verwachten. Mijn hoop is gevestigd op de consumenten, de burgers. De Happy Activist-gemeenschap biedt daarvan vele mooie voorbeelden. Hopelijk kunnen mensen door al die positieve verhalen worden geïnspireerd om zelf ook iets te ondernemen.’

Boektip:

In onze tijd van Tim Fransen

‘Tim Fransen beschrijft op een toegankelijke manier de grote problemen waarmee we te kampen hebben. Goed vind ik dat hij voor de oplossing vooral kijkt naar ons, de burgers. Hij doet niet aan vingerwijzen of simpel wij-zij-denken, maar geeft aan hoe we samen aan de slag kunnen gaan.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next