Home

De koning tobde over het koloniale verleden van zijn familie. ‘Willem-Alexander zei: ik wil weten hoe het zit, punt’

Gert Oostindie leidde het onderzoek naar het koloniale verleden van het Huis Oranje-Nassau, waaraan zo’n zestig auteurs meewerkten. Vrijdag overhandigde hij de vijf boeken waarin de resultaten zijn vervat aan de koning.

is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft onder meer over het koninklijk huis.

Er zijn bibliotheken vol geschreven over het kolonialisme, maar voor de rol van de Oranjes is betrekkelijk weinig aandacht geweest. Waarom nu wel?

Gert Oostindie (71): ‘De koning heeft zelf onder ogen gezien: dit is hoog tijd. Hij is heel erg bezig met het verleden van zijn Huis, ook met de minder fraaie kanten ervan. Over de rol van zijn familie in de koloniale geschiedenis heeft hij letterlijk gezegd: ik wil gewoon weten hoe het zit, punt. Daar was een lacune, en het grappige is, nu die stapel boeken er ligt, dat we beter begrijpen waarom dat zo was. Want de Oranjes waren uiteindelijk in die koloniale geschiedenis niet zo belangrijk als vaak wordt gedacht. Willem I wel, al die anderen niet. Gelijktijdig zijn ze wel de meest prominente familie van het land, en hebben ze aanzien en prestige. Ze hadden zich kritisch kunnen uitlaten over slavernij of kolonialisme, maar dat hebben ze nooit gedaan.’

Wat was voor u de grootste openbaring tijdens het onderzoek?

‘Echt heel bijzonder om te zien is hoe die stadhouders, koningen en koninginnen allemaal zo volkomen, zonder enige terughoudendheid, het hardhandig neerslaan van oorlogen en slavenopstanden steunden. Dat laat zien hoe ze erin stonden. De breuk zit pas tussen Wilhelmina en Juliana. Al meteen in 1948, op het moment dat zij koningin wordt, geeft Juliana heel pacifistische boodschappen af over Indonesië, zo van: dit mag niet, dit moet niet. Na de dekolonisatieoorlog, in 1949, gaat zij ook voorop met te zeggen: mensen, dit is goed zo (een onafhankelijk Indonesië, red.) Terwijl de helft van de bevolking dat dan nog helemaal niet wil.’

Was het voor uw onderzoek nodig om met prinses Beatrix en koning Willem-Alexander te spreken?

‘Beatrix wilde niet met mij praten. Met Willem-Alexander heb ik een keer een gesprek gehad, omdat ik een paar heel specifieke dingen wilde vragen naar aanleiding van mijn archiefonderzoek. Het leek ons beiden beter het daarbij te laten, gelet op de onafhankelijkheid van dit onderzoek.’

U kreeg ook toegang tot archieven die voorlopig nog gesloten blijven. Hoe hebt u de wetenschappelijke controle daarop geregeld?

‘Van alles wat wij hebben uitgezocht, is 95 procent openbaar. Voor de twee hoofdstukken over Juliana en Beatrix had ik toegang tot het Koninklijk Huisarchief en het Kabinet van de Koning. Cees Fasseur had voor zijn Wilhelmina-biografie als enige toegang tot die archieven en dat wilde ik niet. Wij hebben het zo opgelost dat de drie andere leden van de commissie de aantekeningen die ik daar maakte steeds konden controleren. Totale transparantie is dat niet, maar het is beter dan niks.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next