Architectuur wordt te veel gedreven door financiële motieven, met desastreuze gevolgen voor ons leefklimaat, stelt de Internationale Architectuurbiënnale Rotterdam. Een groep vooraanstaande ontwerpers doet een oproep aan de bouw om duurzaamheid en gemeenschap voorop te zetten.
schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
Achter een meterslange bakstenen muur aan de Piekstraat in Rotterdam-Zuid ligt de voormalige Hunter Douglas-fabriek. Henry Sonnenberg vestigde er in 1931 zijn bedrijf in machinegereedschappen, dat uitgroeide tot een internationaal luxaflex-imperium.
In 2020 werd de multinational verkocht, daarna de fabriek stapsgewijs ontmanteld. Nu zijn de deuren van de Piekfabriek voor het eerst geopend voor het publiek, als locatie van de Internationale Architectuurbiënnale Rotterdam (IABR).
‘Vanachter dit bureau werd besloten Hunter Douglas voor 6 miljard dollar te verkopen aan een Braziliaans hedgefonds, dat het bedrijf opzadelde met schulden’, zegt curator Wouter Veldhuis, als hij in de gigantische hal een nagebouwde boardroom betreedt.
Op een roze tapijt staat het hardhouten bureau van Sonnenberg, ernaast een jarenzeventig-designplantenbak. ‘Dit goedlopende fabriekscomplex werd verkocht, om de schulden af te lossen. Als woonlocatie aan het water levert het veel geld op.’
Natuurlijk, er zijn woningen nodig, erkent de stedenbouwkundige en voormalig rijksadviseur. ‘Maar er is óók werk nodig. Deze fabriek bood veel banen aan mensen in de wijk en was daar meer dan tweehonderd jaar mee verbonden. Zo ondersteunde de eigenaar buurtinitiatieven. Allemaal weg.’
Het verhaal van de Rotterdamse fabriek staat niet op zichzelf volgens de organisatoren van de Architectuurbiënnale. De boardroom representeert hoe beslissingen over de gebouwde omgeving vaak genomen worden, vertelt Saskia van Stein, de artistiek en zakelijk directeur van de IABR.
Tientallen jaren lang hanteerden architecten het adagium ‘vorm volgt functie’, maar gaandeweg is dat verworden tot ‘vorm volgt financiën’, zegt Van Stein. Dat gaat ten koste van de leefkwaliteit.
Zo bepaalt bij aanbestedingen voor bouwprojecten doorgaans het hoogste grondbod wie de opdracht krijgt, en niet de kwaliteit van het plan. Ook wordt er veel te vaak gesloopt, omdat nieuwbouw goedkoper zou zijn. Dat komt doordat de milieulasten niet worden meegerekend in businesscases.
De gevolgen: materiaal- en energiebronnen raken uitgeput, de CO2-uitstoot blijft stijgen, zomers worden merkbaar heter en regenbuien heftiger. Mensen met een laag inkomen hebben daarvan doorgaans het meeste last: zij kunnen het isoleren van hun woning of zonnepanelen niet betalen.
Veldhuis: ‘Architecten moeten niet simpelweg oplossingen bedenken voor de vraag die opdrachtgevers stellen, maar ook die vraag – het systeem zelf – kritisch bevragen.’
Zijn betoog sluit aan bij het boek annex manifest Architecture Against Architecture, dat architect Reinier de Graaf, partner bij het Rotterdamse bureau OMA, begin dit jaar publiceerde. Daarin stelt hij dat de architectuur in een existentiële crisis verkeert doordat het een puur kapitalistisch verdienmodel is geworden.
De Biënnale is dit jaar opgezet als een oproep om in verweer te komen, de titel Systems of Support wordt op de borden zelfs afgekort tot S.O.S. Van Stein: ‘Na de oorlog had je de wederopbouwperiode, nu staat Nederland, dat in 2050 klimaatneutraal wil zijn, voor de wederombouw van een lineaire naar een circulaire economie.’
Het fabriekscomplex en zijn verleden kunnen architecten daarbij helpen, zegt Veldhuis. Want de Hunter Douglas-fabriek was zijn tijd vooruit. Er stond een aluminiumsmelter om metaal te recyclen, zodat de productie kon doorlopen als de aanvoer van bauxiet uit Argentinië haperde. En er was nagedacht over de eigen energievoorziening. Als de stroom uitviel, hield een enorme generator de machines draaiend.
De fabriekseigenaar was ook al bezig met klimaatadaptatie; het complex ligt buitendijks. ‘Dit was een simpele oplossing om bij hoogwater de boel droog te houden’, wijst Veldhuis op de houten schotten die aan haken naast de toegangsdeuren hangen.
‘Maar een gebouw is meer dan materialen’, benadrukt Veldhuis. ‘Doordat veel buurtgenoten hier ook werkten, was er een sterke gemeenschap.’
Door het complex open te stellen, wil hij de buurt opnieuw betrekken. Zo zijn er de komende maanden rondleidingen door de fabriek en de wijk, en werkdagen met lokale organisaties, gericht op woongeluk, voedselproductie in de wijk en een lagere energierekening.
Hij hoopt dat er veel architecten langskomen, maar ook opdrachtgevers uit de bouw. Zij kunnen inspiratie halen uit de projecten die in de hal tentoongesteld worden. Van de ‘Machinerie van de volkshuisvesting’, een groot cartografisch kunstproject over de wooncrisis, tot de duurzame houten woontoren Sawa in Rotterdam, een prijswinnend project dat architectenbureau Mei zelf van de grond kreeg.
‘De gebruikelijke winstmarge voor projectontwikkelaars is 10 tot 15 procent. Om gemeenschappelijke ruimten en grote beplante balkons te kunnen maken, was het maximum voor dit bouwproject 5 procent’, zegt Van Stein. Een plan moet rendabel zijn, maar geld zou de bouw niet langer moeten regeren, wil ze maar zeggen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant