Home

We zijn tijdrapers. We sprokkelen seconden

Rivierjutten Als hij duizelig wordt van al het nieuws struint Arjen van Veelen graag langs de Nieuwe Maas. Soms vindt hij iets ouds, „zelfs een roestige spijker of kleipijpje helpt ontsnappen aan het hier en nu.”

Laatst ben ik gebeten door een fossiele haai. Om precies te zijn door een snijtand van een megalodon: zo’n haai als in de film Jaws, maar dan vier maal groter. Die monsters zwommen hier miljoenen jaren geleden rond. Het bijzondere was: ik had de tand zelf gevonden, op een rivierstrandje in Rotterdam.

Als het nieuws over de wereld me duizelig maakt – of gewoon als ik even geen zin heb om achter het scherm te zitten – struin ik graag langs de Nieuwe Maas. Daar kijk ik of de rivier opbeurende berichten heeft achtergelaten. Rivierpost. De meeste dagen ligt er vooral spam, denk aan: weggemikte lachgasflessen, aangespoelde scooterhelmen, alle verloren voetballen uit het stroomgebied van de Rijn. Soms vind ik er ook feelgood-nieuws uit de natuur, zoals afgeknaagde boomstammetjes van bevers of laatst een zalm van 70 centimeter lang, weliswaar levenloos, maar toch.

En heel af en toe vind ik iets ouds. Dat is vaak bij extreem laag water. De Nieuwe Maas is een getijderivier, de zee bepaalt hier de waterstand. Twee dagen na volle of nieuwe maan is het raak: de zon en maan staan in één lijn, dan komt er springtij. De vloed is extra hoog en het eb extra laag. Staat er dan ook nog eens een harde oostenwind – die de rivier ‘leeg’ blaast – dan verschijnen er zeldzame strandjes.

Op zulke dagen volg ik met gebogen hoofd de kartelige vloedlijn. Traag, aandachtig, als het even kan blootsvoets. Het slik tussen je tenen kietelt je brein. Je gaat honderd meter per kwartier en vergeet de tijd. Strandjutten is omgekeerd hardlopen.

De afgelopen jaren vond ik zo allerlei belangrijke relikwieën, zoals de schedel van een kraai, een stukje indigoblauwe glazuurtegel met prachtig craquelé, de huls van een 9mm kogel, een schilderij van de hindoeïstische godheid Ardhanarishvara die half man en half vrouw is; een intacte kano; kentekenplaten; houten palen van middeleeuwse dijkverstevigingswerken; een scherf porselein van een antiek Delfts blauw bord. En dus de megahaaientand.

Dat was op zo’n dag van springeb. Tussen twee strekdammetjes was een strandje blootgevallen. Daar stak iets puntigs en zwarts in de zanderige blubber. Een merkwaardig, driehoekig en zwaar voelend stuk bot – tenminste dat dacht ik. Ik spoelde het schoon in de rivier. Met mijn hand kon ik het maar net omvatten. Op mijn werkplek maakte ik wat foto’s met een liniaaltje er bij. Acht centimeter. Ik voerde de foto’s aan ChatGPT met de vraag: wat voor bot zou het kunnen zijn?

De kinderen zouden trots zijn

‘Dit lijkt eerlijk gezegd geen „gewoon bot”, maar een fossiele haaientand’, antwoordde de artificiële meedenker. Dat kon je namelijk zien aan de gladde, zwarte punt: tandglazuur. Het bruinere, grovere deel was de tandwortel. Die overgang tussen die twee, glad en ruw, was ‘typisch voor haaientanden’. Aangezien de tanden van witte haaien niet groter zijn dan 6 cm moest deze tand van een uitgestorven megahaai zijn.

De megalodon is met een lengte tot 24 meter lengte de grootste haai die ooit op aarde leefde. Het dier at walvissen. Toen de oude Romeinen die driehoekige tanden vonden, dachten ze aan de versteende tongen van draken. Ze noemden ze glossopetrae, tongstenen. Tongstenen duiken tegenwoordig op nabij Antwerpen en soms ook in de Noordzee – en waarom niet hier bij dit getijdestrandje, op een lucky day, dacht ik, maar voor de zekerheid stelde ik het brein nog wat vervolgvragen.

‘Je twijfel is begrijpelijk,’ zei de computer – waarna specifieke details volgden die aantoonden dat dit echt om een haaientand ging. Maar helemaal zeker was het niet – ‘even wat nuance’, zei het computerbrein – het fossiel kon ook nog van een vóórouder van de megalodon zijn.

Nóg ouder dus. Misschien zou ik de vondst moeten melden, zou die opgehaald worden met een speciaal transport. Het Journaal zou komen, de kinderen zouden trots zijn. Ik sloot mijn hand om het lemmet, dacht aan de walvishuid die ermee verscheurd was, in de tijd toen Nederland nog een tropische zee was. Ik kon de neiging niet onderdrukken aan het puntje te likken – zilt natuurlijk, metalig, de smaak van prehistorisch zeewater.

En toen beet de haai. Er trok opeens een historische siddering door mijn hoofd, de duizeling van een kind dat aan de eeuwigheid denkt of die het oneindige heelal probeert te snappen. Ik tuimelde in de diepe tijd. 

En dat was helemaal niet de bedoeling. Op het strand zocht ik juist houvast.

Een wachtlijst van 10.000 mensen

De honger naar tactiele geschiedenis is groot. Ook bij mij. Niemand verbiedt je om bij laag water de glibberige stenen trappetjes af te dalen naar de foreshore, de blubberstrandjes van de Theems. Te struinen over de vermalen stad van vroeger. Je pakt een versteend peukje op: een kleipijpje. Of een hol bot. Een scherf. De stad klinkt gedempt. Golven ruisen. Steentjes glijden in je jaszak.

Dit voorjaar, Londen, walhalla voor rivierjutters. De getijdeslag is daar zeven meter, bovendien is Londen oud, dus de oevers zijn rijk belegd met de kruimels van vergeten koninkrijken. Romeinse zilvermunten, Victoriaanse broches: ze liggen er voor het grabbelen. Je ziet er dan ook veel mensen rondscharrelen in de modder op zoek naar oude dingen. De Britten noemen hen mudlarkers. Die tijdsbesteding is zo populair geworden dat je een vergunning moet hebben. Daarvoor bestaat een wachtlijst van 10.000 mensen – en die lijst is ook al gesloten.

Om me heen waren nog meer modderscharrelaars bezig. Hun gebogen gestalten waren als die van kokkelvissers of peukenrapers. Aan de overkant de torens van Canary Wharf. We zaten in een luwte, alsof we van een strandtent met boenkeboenkeboenk-muziek naar buiten waren gelopen om de golven te zien. Een advocate die lunchpauze had, zei dat ze hier was om haar ogen even andere kost te geven dan een scherm. Een man met een heuptasje scharrelde tussen de keien. ‘Ik heb eigenlijk helemaal geen goede ogen, zei hij, ‘Maar soms vind ik bij de rivier een mooie steen die ik meeneem en beschilder en in de tuin leg.’

Het was geen schatgraven, het was betekenis vinden. De wereld aandachtig bestuderen als de huid van een geliefde.

Die term mudlarker was ooit bedoeld voor schooiers die in het slik zochten naar spullen die geld opleverden, zoals oud ijzer of scheepstouw: het negentiende-eeuwse equivalent van statiegeldzoekers. De moderne mudlarkers zijn veelal juist welgestelde mensen met goede banen. Maar ik dacht: we zijn toch arm. In de krankzinnig wereld zijn we arm aan kalmte, arm aan houvast, arm aan tijd.

We zijn tijdrapers. We sprokkelen seconden. We bevrijden ons uit de tirannie van het hier en het nu.

Aquarium in zee gekieperd

Aan de oevers van een getijderivier doet de geschiedenis een striptease. De rivier veegt verhalen bloot en bedekt ze weer. Tijdrapen is zo een oefening in relativeren. ‘Hi! Welkom in de geschiedenis, jij vroeg eenentwintigste-eeuwse bibberkont’, dat is wat die rivierberichtjes zeggen.

Je hoort dat we in ‘onzekere tijden’ leven. Veeg je telefoon open en je vindt bevestiging van die these. Maar vertel me wanneer de tijden zeker waren. De torens van Canary Wharf zullen evengoed vergruizen als de stukjes middeleeuwse baksteen aan je voeten die langzaam uiteenvallen tot de rivierklei waar ze uit voortkomen. Houten palen in het zand die deel waren van een antieke dijkversteviging vertellen over de zee die veel lager stond, over dijken die veel krakkemikkiger waren, waardoor het leven per saldo vele malen onzekerder was dan nu.

Een porseleinen scherf vertelt over de negentiende eeuw, de tijden van kindersterfte en tyfus en tering en over vrouwen die aan de keuken gebonden waren met al dat prachtige porselein.

Of laatst: ik vond een hol, groenbeslagen ornament van wit aardewerk met reliëfs van bloemen en vogels. Er kroop een krabbetje uit. Even hoopte ik dat het porselein was; het computerbrein zei: eerder een aquarium-ornament, laat twintigste-eeuws. Toen stelde ik me voor dat een werkloze tijdens de crisis in de jaren tachtig zijn hele tropische aquarium in de rivier had gekieperd: de vissen vrij, hijzelf een kostenpost minder.

Het is als de zee horen in een schelp: niet per se waar, wel mooi. Tijdscapsules kalmeren door de verhalen die ze vertellen. Zelfs een roestige spijker of kleipijpje helpt te ontsnappen aan het hier en nu. Aan wat de recency bias heet: het misverstand dat het leven nog nooit zo heftig was als nu.

 Klimaatverandering moet je nooit per livestream volgen; oorlogen nooit scrollend tot je nemen – doemdenken verlamt je hart. Nu nieuws in miljoenvoud op je afkomt is escapisme je burgerplicht. Juist nu de geschiedenis een springtij kent moet je kalm zijn. Ontsnap aan dat arrogante, eeuwig schreeuwende, in je nek hijgende heden.

‘In deze onzekere tijden….’ – we zijn vergeten hoe spannend het vroeger was, toen men de afloop niet kende. We vergeten zure regen en stervende bossen; hoe aids was vóór de remedie, longontsteking voor antibiotica. We vergeten werkloos zonder WW, huizen zonder wc, Koude Oorlog voor de val van de Muur, we moeten googelen wat er gebeurde op zaterdag 27 oktober 1962.

 Op zaterdag 27 oktober 1962 verging de wereld. Op een haar na.

Hongerstenen in de Elbe

Tijden zijn altijd onzeker, we hebben erger meegemaakt – we hebben het beste ervan gemaakt.

Deze dorre zomer van oorlog en AI-apocalyps stonden de Rijn en de Elbe zo laag dat er behalve mammoetkiezen en scheepswrakken ook weer zogeheten hongerstenen blootvielen. Hongerstenen: keien met inscripties over lage waterstanden en hongersnoden. Unheimisch, dat blootliggend tandvlees van de geschiedenis. ‘Wenn du mich siehst, dann weine’. Die beroemde tekst staat op een hongersteen in de Elbe. Die hongersteen lag er al eeuwen, pas in 1904 liet een lokale herbergier de tekst er in graveren, vermoedelijk met commerciële motieven, aldus Smithsonian Magazine: hij zette er een bierkraampje naast, toeristen moesten betalen om de steen te zien. Voor de tekst liet hij zich inspireren op een andere steen waar stond: ‘We hebben gehuild – we huilen – en jij zult ook huilen’.

Tijden zijn altijd onzeker, we hebben veel erger meegemaakt – we hebben het beste ervan gemaakt. Tijdrapen relativeert. Het werkt echt.

Tot ik die drakentand opraapte.

Ik had de tand op een kastje gelegd tussen andere vondsten. Naast de kogelhuls en blauwe scherf en de kraaienschedel. Maar het voelde raar. De fossiele tand had een ander existentieel gewicht, een rivierkei naast een pingpongbal. Ik probeerde me de bek voor te stellen die er bij hoorde, groter dan het schrijfkamertje waarin ik me bevond. Ik kon de tijd aantikken toen hier haaien zwommen. Duizeling beving me. In de diepzee van de prehistorie deed niets er toe. Oorlog noch Apocalyps noch deadline.

Een bliepje in de geschiedenis

Zo ongeveer moet de geloofschok hebben gevoeld toen fossiele vondsten in de negentiende eeuw het wereldbeeld verbrijzelden. Mijn nihilistische haaientand beet ook alle andere verhaaltjes dood. Deze tand getuigde van de wel erg diepe tijd, het eb en vloed van glacialen en interglacialen, de mens als een bliepje in de geschiedenis.

Dit was geen relativeren, maar bloeddorst.

Een dag na de vondst bekeek ik de tand nog eens goed. Die was lichter van kleur, minder glanzend. Voelde ook minder zwaar. Ik maakte nieuwe foto’s, stuurde ze opnieuw aan het computerbrein.

‘Goed dat je extra foto’s hebt gestuurd’, zei het. ‘En ik ga je meteen eerlijk zeggen, ik kom terug op mijn eerdere inschatting.’ Een emoji van een wijzende hand: ‘Dit is geen haaientand.’ Het ging namelijk om een stuk bot van een groot zoogdier, een hert of een rund. Mogelijk honderden jaren oud of misschien enkele decennia – bot kon snel verkleuren.

‘Wacht’, zei ik, ‘je gaat van „vrijwel zeker megalodon” naar een koe?’

‘Laat me het verschil scherp uitleggen,’ zei de kenner.

Datacenters zijn grijze kathedralen die zekerheid voorspiegelen aan onzekere mensen. Maar dit keer had het brein gelijk: ik had een stukje koe – hoe had ik het ooit anders kunnen zien?

Ook goed, dacht ik, terug naar de tijd die mijn brein tenminste kan bevatten.

Dus. Er was eens een boer, die had een koe geslacht, misschien was het een zwaar jaar, een magere koe, misschien wel in 1904 toen een herbergier in de Elbe een inscriptie liet hakken om extra klanten te trekken voor zijn tentje bij de drooggevallen rivier. Ze hadden geen honger, maar lekkere trek. Zo moet je leven, het is allemaal niet makkelijk maar je maakt er wat van, denk aan de hongerstenen: we hebben gelachen – we lachen – en jij zult lachen.

Er waren wat zandkorreltjes van het koeienbot gevallen: kleine stukjes kwarts, ontstaan bij het afkoelen van magma diep in de aarde, een slordige, honderden miljoenen tot mogelijk zelfs miljarden jaren geleden – ik veegde het kastje schoon tot ik geen korreltje meer zag.

 

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next