Home

Hoe Joost Broere door vriendelijk bedoelde bemoeizucht een dichter werd – een bijna dooie dichter, dat dan weer wel

Je bent een dichter, zei John Schoorl tegen zijn vriend Joost Broere, die daar zijn schouders over ophaalde. Bij het verschijnen van Uitgeborduurd, Broeres postume dichtbundel, staat Schoorl stil bij zijn vriendschappelijke bemoeizucht.

is verslaggever van Volkskrant Magazine.

Dat Joost Broere (1964-2025) in hospice De Liefde in Rotterdam-Zuid lag, wilde niet zeggen dat hij zich gedroeg als iemand die in een hospice lag. Hij rookte op het terras een pretsigaret, las een oorlogsboek van historicus John Keegan en hield zijn Spotify-playlist Grill Master met de beste jazz op orde.

Voorts stortte hij zich op het in elkaar friemelen van miniatuur-oorlogstuig en dat waarheidsgetrouw beschilderen met een marterharen penseel. Ook mocht hij graag digitaal shoppen, hetgeen betekende dat hij een Friese schipperspet kocht, Deense sjaals, een Duits luchtmachthorloge, handgemaakte linnen broeken en een Hawaii-overhemd – dat hij zou dragen in zijn met een octopus beschilderde doodskist.

Bovenal had hij zijn smartphone die fungeerde als een literair repeteergeweer, terminaal maar niet minder radicaal. Als vriend van Joost hoefde ik er niks voor te doen, ze vielen gewoon binnen, die geestige, mooie, droevige, grappige, en raadselachtige teksten. Het hospice had ’m niet afgeremd, maar aangemoedigd, alles afgevuurd uit zijn sterk vermagerde heup.

Joost over vriendschap

Een Charlie Parker
Haal je ook

Niet elke dag
Uit de hoes.

Dit verhaal gaat behalve over Joost ook over mijn aandrang in hem iets te zien wat hij zeker niet wilde zijn: dichter. Over het dwingende element in een veertigjarige vriendschap dat je op zijn zonnigst ‘helpen’ kunt noemen, maar feitelijk naar bemoeizucht neigt. Dat je weet wat iemand zou moeten doen om het zichzelf makkelijker te maken, om iets te bereiken, om hem te redden wellicht, of om iemand ervan te overtuigen dat je, hee man kom op, niet zomaar iemand bent.

Vriendschappelijke bedilzucht kun je het noemen, en eigenlijk strijdig met de definitieve definitie van vriendschap, afkomstig van de Franse filosoof Michel de Montaigne (1533-1592): ‘Omdat hij het was, omdat ik het was.’

De totale acceptatie van elkaar, weet je wel. Laat iemand zijn wie hij is.

De Nederlandse filosoof Joep Dohmen eindigt zijn boek Tegen de onverschilligheid – pleidooi voor een moderne levenskunst juist met een herijking van het aloude kameraadschap en pleit voor ‘een moderne vriendschapscultuur’. Hij schrijft dat vrienden ‘onontbeerlijk zijn voor onze zelfvervulling’, en dat je ware vrienden moet plaatsen tegenover ‘karakterloze, lege hulzen’, ofwel ‘vriendjes’.

Want, aldus Dohmen, een vriend vraagt hoe het komt dat we niet doen wat we willen. Daarom noemt hij vriendschap de enige plek waar ‘een intense bemoeizucht’ is toegestaan. ‘Geen groter geluk dan de vreugde om de ander te helpen zichzelf te vervullen.’

Dat heeft die filosoof toch piekfijn in de smiezen.

Mijn gedram kende een makkelijk te markeren eisprong. Joost en ik gingen ergens in de vorige eeuw op reis, en de vroege ochtendvlucht naar Malaga had een draconische vertraging. Hij gaf aan het uitstel een opbeurende draai:

Joost over vliegen

Het voordeel van vertraging is
Dat je bij aankomst

Gelijk aan het
Bier kan.

Hij had het niet beter kunnen zeggen als voorbode van wat er ging gebeuren.

Ik schreef zijn zinnen op een tafelkleed in een Spaans restaurant, en later in een boekje. En het hield niet meer op. Ik verzamelde zijn brieven, zelfgemaakte collages, kaarten, teksten op cassettebandjes, mails, sms’jes, appjes en wat verder aan schriftuur voorbijkwam, in al die jaren. Iemand moest ze bewaren, dacht ik, want op een dag zouden ze ertoe doen.

Ik zei hem weleens dat zijn gevatte geouwehoer in de traditie paste van Rotterdamse dichters als Cornelis Bastiaan Vaandrager of Jules Deelder. Ready-mades. Opgeraapte spreuken. Klare taal.

Je bent een dichter, Joost, wijsneusde ik. Zet het in een bundel. Doe er iets mee.

Hij haalde er zijn schouders over op. Pleur op man, met je dichter. Wat moest-ie daarmee? Waarom zou hij? Hij was niet geïnteresseerd in poëzie, hij las liever de liner notes van een Blue Note-plaat van tenorsaxofonist Hank Mobley.

Wat hij óóóit zou kunnen doen, zo zei hij op een dag lachend, was zelf zijn teksten op een stuk textiel borduren. Geborduurde poëzie. Ook die opmerking schreef ik op.

Ik zag in Joost een soort Louis Lehmann (1920-2012), over wie Jaap van der Bent de biografie schreef: De dichter die het niet wilde zijn. Die werd door de literaire wereld als een wonderkind beschouwd, maar beschouwde zichzelf niet als dichter en kapte ermee. Want dichten, dat was toch geen vak en verdienste. Pas op zijn 75ste, de dag nadat hij was gepromoveerd als scheepsarcheoloog, klopte hij na dertig jaar aan bij een uitgeverij.

Zoiets zag ik Joost ook doen.

Joost over het universum

Als je het
Niet zeker weet

Tel je hartslagen.

Ons hele huis staat vol met Joost, net als mijn geest. Elke avond zetten we zijn houten kastje aan, door hem gefiguurzaagd, met de tekst Love Me Tender die oplicht. Aan de kapstok hangt de Pendleton-jas die ik van hem heb gekregen, in mijn kledingkast die wollen Pendleton-overhemden, die hij me op zijn sterfbed toestopte. Ik loop op K-Shoes, al bijna 35 jaar, na een aanbeveling van Joost, en nu ook op Red Wing-schoenen, als deel van de erfenis. Hij kwam altijd aanzetten met zakken vol jazzplaten. Dat bluesboek, die ene Ierse klassieke roman.

Lekker eropuit, met zijn tweeën op de scooter, ik achterop, zoemend door Rotterdam.

Ik voelde me bevoorrecht zo’n unieke vriend te hebben, zo’n grappige, zachtaardige, scherpe, goedgeklede en erudiete gast.

Ik kon me niet anders voorstellen dan dat hij op een dag al die encyclopedische kennis, belezenheid, taalvaardigheid, spitsvondigheid en baldadigheid zou laten samenballen in een alles wegvagend meesterwerk.

Boem-she-boem! De grote Joost Broere-shuffle.

Er gebeurde geen moer.

Ik bleef drammen.

Godverdomme Joost, zei ik, het wordt de hoogste tijd. Zeker op momenten dat het leven hem niet toelachte en hij zijn baan in het onderwijs een naargeestige worsteling vond.

Plankgas man. Je bent meer dan een man met een baantje, thuiskomen, plaatje draaien, eten en naar bed. Laat de wereld zien wat je kunt en wie je bent: uniek, origineel. Schrijf!

Waarom duwde ik hem eigenlijk die kant op? Alsof het dichterschap een mens zoveel zielenheil zou brengen. Anderhalve paardenkop neemt er notie van, en het hoogst haalbare is een citaat in een overlijdensadvertentie.

Wat ik je stuur is voor jou, zei hij, en voor niemand anders.

En zo bijzonder vond hij het allemaal niet, in al zijn verregaande bescheidenheid. Aan borstklopperij had hij sowieso een teringhekel. Hij mocht zichzelf graag kleiner maken, tegen het onzichtbare aan. Vroeger had hij thuis zo vaak te horen gekregen dat hij niks voorstelde, en dat galmde nog altijd na.

Zijn innerlijke recensent gaf hem een sterretje voor de moeite.

Ik las laatst Brievenpost – Hoe word je (geen) schrijver van Wisława Szymborska, een verzameling van haar afwijzingsbrieven die ze als redacteur van een literair tijdschrift schreef. Genadeloos kregen de beginnende dichters en schrijvers ervanlangs van de Poolse Nobelprijs-winnares. ‘Vaderlijk raden wij u aan tot bezinning, temeer daar de gedichten vooralsnog alleen correct zijn, en met zulke werken is de hel van de dichters behangen.’

Wellicht vreesde hij zo’n virtuoos geformuleerd stuk hout in de nek.

Dus werd het een surplace voor Joost, stilstaand water. Een debiel vast ritme, elke dag weer, dat werd de verhaallijn die zijn leven bij elkaar hield. En tegelijkertijd me bestoken met zijn excentrieke woordsaus, als afspiegeling van zijn speelse geest.

Joost over kadootjes

Doe mij maar
Een paar

Nieuwe longen
Zonder vlekken

Als je dan toch doodgaat in dat hospice, Joost, dan maar met je eigen bundel onder je arm. Zo ging het niet precies, maar toen hij te horen kreeg dat hij niet lang meer had, kwam het er toch van.

Mijn bemoeimachine maakte overuren, actie als troost.

Zijn teksten zette ik bij en onder elkaar, met een titel erboven. Ik noemde het niet-gedichten van een niet-dichter, want hij wilde het nooit gedichten noemen.

Mot dat?!, klonk het nog wel in het hospice.

Ja, zei ik, dat mot, en er is ook al een uitgever uit Rotterdam die er zin in heeft, dus kom op Joost, er is geen weg meer terug, je gaat het doen.

Nou, vooruit met de geit.

Zo verscheen er in maart 2025 een bundel van de 60-jarige debutant Joost Broere uit Rotterdam: Geborduurde Poëzie. Het werd zelfs feestelijk gepresenteerd, er werd op geproost. RTV Rijnmond maakte een item over hem, er verschenen talloze recensies in bladen en websites. In het tijdschrift van Genootschap Onze Taal kwam een lovend stuk, net als in Jazzbulletin. Wilfried de Jong maakte een stemmig filmpje over hem, dat op het allerlaatste moment toch niet op Het Boekenbal werd vertoond.

Voor een verstokte niet-dichter zoals hij, was hij best trots op dat boekie. Ik meende zelfs een lichte ontroering te hebben opgemerkt. Het stond er toch maar mooi op de kaft, zijn eigen naam. Als hij ze voorlas, proestte hij het uit van het lachen, nog voordat zo’n niet-gedicht was afgelopen.

Hij was een dichter geworden, door bemoeizucht – een bijna dooie dichter, dat dan weer wel.

Dat ik niet de enige was die jarenlang teksten van Joost had gekoesterd, werd me duidelijk na de presentatie van de bundel. Het bleek dat velen het al eens tegen hem hadden gezegd: ‘Joh Joost, je moet eens wat met die snedige teksten doen, echt hoor, we kennen niemand zoals jij.’

In Geborduurde Poëzie herkenden ze de scherpte, geestigheid, zwartgalligheid en het absurdisme van Joost.

De Joost-hoarders kropen uit hun schulp. Vele vrienden en familieleden bleken al jaren kladjes met uitspraken van Joost te hebben verzameld. Binnen een maand lagen er vijftig teksten in mijn mailbox, en het stopte niet meer. Anderen vonden ze in kelders en op zolders, zomaar ooit door Joost neergekrabbeld, of in oude agenda’s, aantekeningenboekjes, of persoonlijke boodschappen in romans.

Iemand bleek al jaren rond te lopen met het idee om een niet-gedicht van Joost op zijn arm te tatoeëren, om maar eens wat te noemen.

Er belandde een reusachtige tekst op de gevel van zijn eigen Rotterdamse huis:

Joost over het leven

Als de
Taart komt

Moet je
Niet bukken.

Dus nu is er een vervolg, Uitgeborduurd. Postume niet-poëzie, eveneens nooit als zodanig door Joost geordend, en gerangschikt. De titel had hij nog wel zelf bedacht, hoestend in het hospice, dicht bij de achterdeur, op naar het einde.

Zijn ziekte had het stadium bereikt dat hij meer in de ban was van de morfinepomp dan een paar beschreven velletjes met een nietje erdoor.

Vond hij het wat, nog een bundel? Zat hij erop te wachten? Ik geloof het. Ik hoop het. Ik denk het. Ik heb eigenlijk geen idee. Of eigenlijk wel: het interesseerde hem geen reet.

Joost over de dood

Je hebt de
Beste feestjes

Op weg
Naar de uitgang.

Joost Broere, Uitgeborduurd, Studio Kers Rotterdam.

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next