Socioloog Beate Völker specialiseerde zich in vriendschap, ‘de belangrijkste relatie in ons leven’. Volgens haar zijn vrienden cruciaal voor individueel welzijn én de democratie: ‘Onder vrienden oefenen we in het klein wat op macroniveau nodig is.’
is verslaggever van Volkskrant Magazine en schrijft over cultuur en maatschappij.
Aan een wand in het Utrechtse appartement van socioloog Beate Völker (63) hangt een zeefdruk van een foto van Hannah Arendt (1906-1975). Het is een bekend portret van de politiek denker: sigaret tussen wijs- en middelvinger, losjes naast het hoofd, ogen als echoputten van de donkere tijden waarin ze leefde, en die ze beschreef.
Arendt heeft het denken van Völker over vriendschappen beïnvloed, vertelt de in Duitsland geboren ‘vriendschapshoogleraar’ aan de keukentafel. In het vorige week verschenen populairwetenschappelijk boek Vriendschap, over ‘de belangrijkste relatie in ons leven’, is in het laatste hoofdstuk een citaat van Arendt opgenomen: ‘Gewalt beginnt wo das Reden aufhört.’ ‘Geweld begint waar het gesprek stopt.’
Wat wilt u daarmee over vriendschap zeggen?
‘Arendt vroeg zich af hoe de wereld weer humaan kon worden na de Shoah, hoe dialoog en pluriformiteit in de samenleving konden terugkeren. Ze zegt het niet zo letterlijk, maar uit haar werk blijkt dat ze vriendschap zag als de leerschool van de democratie, omdat we onder vrienden in het klein oefenen wat op macroniveau nodig is om een samenleving overeind te houden.’
‘In gesprek met vrienden leren we luisteren, discussiëren en – heel belangrijk – conflicten doorleven. Vrienden proberen elkaars perspectief te begrijpen. Het gaat er niet om dat je het altijd met elkaar eens bent. Het gaat om anders kunnen zijn, zonder elkaars vijanden te worden.
‘Al met elkaar pratend, zo stelde Arendt, leren we menselijk zijn.’
Nadat de schilderijen zijn bewonderd (‘Ik hou van kunst’), de muurhoge boekenkast is gescand (‘Ik zit in drie boekenclubs’) en met enig ontzag de witte vleugel is bekeken (‘Pianospelen is alsof je een dialoog met de componist aangaat’), wordt er thee ingeschonken. Het is de laatste zomerse dag van het jaar. De zon schiet door de vele ramen van het oude pand. Buiten lopen studenten langs de gracht. Wie twee keer omvalt, staat naast de Dom.
Vrolijk merkt Völker op dat vriendschap eindelijk niet meer het ondergeschoven kindje is dat het in de sociologie lange tijd was. Liefdesrelaties, werkrelaties, burenrelaties, familiebanden: daar werd altijd veelvuldig onderzoek naar gedaan. Maar vrienden waren een soort restcategorie. ‘Just friends’ las ze ooit in een Amerikaans onderzoek naar sociale netwerken. ‘Ik dacht: wat lees ik hier nou precies? Hoezo ‘gewoon’ vrienden? Terwijl iedereen die je het vraagt direct zal beamen hoe belangrijk vriendschappen zijn. Dat was voor mij een trigger om daar meer onderzoek naar te doen.’
Völker ziet dat haar lievelingsonderwerp in de maatschappij een zenuw heeft geraakt. Studies die aantonen dat vriendschapsrelaties een positieve uitwerking hebben op de (mentale) gezondheid, worden door media opgepikt. Ze wordt regelmatig gevraagd voor lezingen. En steeds vaker wordt ze door journalisten gebeld om iets zinnigs en het liefst ook hoopvols te zeggen over de vele mankementen van de moderniteit: vriendschapsrecessies, eenzaamheidsepidemieën en verschraling van contacten door digitalisering. Zorgen die ze deels deelt, en deels ook niet. Waarover later meer.
Het is bijna onmogelijk een eenvoudige en eenduidige definitie op deze relatie te plakken, schrijft Völker. De variatie is juist een kenmerk: de basisschoolvriend, de sportschoolmaat, de huisgenoot. Vriendschap is, anders dan huwelijk of familie, niet geïnstitutionaliseerd. Er zijn geen wetten, contracten of ambtenaren die zich met deze relatie bemoeien. Er bestaan geen sociale normen die voorschrijven wat vrienden precies voor elkaar moeten betekenen en wat ze samen moeten doen. Onder bloedverwanten, geliefden en collega’s zijn die regels vaak veel explicieter. Vrienden bepalen helemaal zelf hoe ze hun relatie invullen.
Völker lardeert haar boek met schrijvers die een poging hebben gedaan om vriendschap toch in taal te vangen. ‘Vriendschap is één ziel die in twee lichamen woont.’ (Aristoteles). ‘Vriendschap is liefde op het eerste woord.’ (Harry Mulisch). Maar een van de mooiste omschrijvingen van vriendschap, volgens Völker, is afkomstig van de Duitse schrijver en satiricus Kurt Tucholsky: ‘Freundschaft ist wie Heimat.’ Vriendschap is als thuis.
Hoeveel vrienden heeft u?
‘O, ik ben heel gemiddeld: ongeveer vier, vijf goede vrienden, met een brede kring daaromheen, zogenoemde zwakkere bindingen – vrienden die wat verder van je af staan, maar ook heel belangrijk zijn. Dat komt onder meer door mijn boekenclubs.’
Waarom is vriendschap zo’n belangrijke relatie?
‘Ik denk dat vriendschap essentieel is voor het functioneren van de maatschappij én het welzijn van het individu. De relatie kan tegelijk dichtbij zijn én de luiken naar de wereld openen. Dat is een mooie spanning. En het is een beetje mijn missie geworden om dat over te brengen. Kijk.’
Völker trekt een notitieblok naar zich toe en begint te tekenen. Stippen, met daaromheen cirkels. ‘Dit zijn bubbels. Gezin. Familie. Iedereen daarin heeft contact, of is geliefd. Maar er zijn geen dwarsverbindingen. Eigenlijk is de sociale cohesie – de verbinding met anderen – dus heel laag.’
Er worden nu aan tafel druk lijnen getrokken tussen de cirkels met stippen: ‘Vriendschappen lopen dwars door sociale contexten heen. Vrienden zijn een soort bruggenbouwers. En we weten uit de sociologie dat lijntjes naar andere werelden zorgen voor solidariteit in een samenleving.’
Maar uit onderzoek – ook dat van u – blijkt dat vriendschappen extreem homogeen zijn. Vrienden lijken erg op elkaar: vaak dezelfde sekse, leeftijd, cultuur en opleiding. Hoe kan vriendschap de grote verbinder zijn als we nauwelijks over onze muurtjes heen kijken?
‘Het klopt, de samenleving is verkokerd. De meeste mensen komen niet vaak iemand tegen die echt anders is. En een gesprek met iemand met dezelfde achtergrond is gewoon makkelijker, je voelt jezelf sneller bevestigd in je identiteit.
‘Maar onder vrienden bestaat nog steeds meer diversiteit dan in je allerkleinste kring. Vriendschap is immers inclusief, je kunt meer dan één vriend hebben.’
Er is een vriendschapsrecessie gaande, stond in 2023 onder meer in The New York Times: we hebben minder vrienden, en de vriendschappen die we hebben zijn oppervlakkiger. Klopt dat?
‘Uit representatieve cijfers blijkt niet dat we minder vrienden of minder goede vrienden hebben. We hebben eerder meer contact dan twintig jaar geleden, vooral ook digitaal, en de kwaliteit van de relaties met vrienden is niet afgenomen. Ik denk dat het gevoel van vriendschapsrecessie niet over concrete vriendschappen gaat, maar over versplintering van zowel individuele levens als gemeenschappen. We rennen van ons werk naar de sportschool en daarna naar de film, maar kennen nauwelijks de naam van onze buren.’
Jongeren zijn wel steeds eenzamer, laat onderzoek zien.
‘Jongeren moeten de problemen oplossen die hun ouders en grootouders hebben gecreëerd, denk aan de financiële lasten van de vergrijzing, het tekort aan woningen en de noodzaak van een duurzame economie. Als je bedenkt wat er allemaal gedaan moet worden en hoe onzeker het is of het lukt, kun je je heel verlaten voelen.’
Komt die eenzaamheid niet ook door wat digitalisering en sociale media met vriendschappen doen?
‘Lange tijd dachten sociale wetenschappers dat digitale communicatie ten koste zou gaan van vriendschappen. Maar onderzoek toont dat niet aan. Voor sommige mensen, zoals introverten en mensen op het autismespectrum, is digitale communicatie juist een uitkomst gebleken: het is veel makkelijker voor ze om de eerste stap te zetten en contacten te onderhouden.
‘Maar een vriendschap kan niet helemaal online plaatsvinden – je kunt dan immers geen dingen samen doen. Het is natuurlijk niet goed als een tiener altijd via digitale media communiceert. Maar het internet heeft vele kanten, het gaat erom wát men precies online doet en wie men daar tegenkomt – net als in de analoge wereld.’
‘Koester het offline contact en de betrouwbare informatie die een vriend je kan geven. Er zijn veel meningen online, maar als een vriend over een restaurant zegt dat-ie daar zó lekker heeft gegeten, hoef je geen review meer te lezen.’
Kijkt u met hetzelfde optimisme naar AI? Ik heb vrienden die chatbots om levensadvies vragen. Het lijkt prima voor ze te werken.
‘Het is grandioos wat je er allemaal kan. Je kunt een brief in het Chinees uitdraaien of je gedachten laten structureren. De kantjes en sommige nuances gaan dan weliswaar verloren, maar dat is op zichzelf nog niet eens zo erg. Waar ik me wél zorgen om maak, is of en hoe dit intermenselijke relaties aantast. De Amerikaanse columnist Sydney Harris zei in de jaren zeventig al treffend: ‘The real danger is not that computers will begin to think like men, but that men will begin to think like computers.’
‘Dat ik dus van mijn vrienden ga verwachten dat ze ook altijd beschikbaar zijn, mij altijd bevestigen en nooit iets van mij terug verwachten. Dat is gevaarlijke onzin.’
U noemt nog een modern verschijnsel: het neoliberalisme.
‘Daarbij denk ik aan regeringsleiders als Reagan en Thatcher die het neoliberalisme groot hebben gemaakt. Thatcher heeft gezegd: ‘There’s no such thing as society.’ Er is helemaal geen gemeenschap, alleen maar individuen die hun doelen najagen. En dit is ook nog een zero sum game: mijn winst is jouw verlies.
‘Het neoliberalistische denken heeft ook een weerslag op vriendschappen gehad. Vrienden zijn sociaal kapitaal geworden. Iemands goede opleiding of fortuinlijke positie in de maatschappij straalt positief op een ander af. En dat kapitaal zetten we ook in. Netwerken is niet voor niets een werkwoord. Er wordt continu op vriendschappelijk niveau contact gelegd in de hoop dat je er iets aan hebt.’
Onttrekt vriendschap zich niet ook juist aan dat marktdenken?
‘Inderdaad. Het is erg vermoeiend om altijd te denken in rendement, en ook erg saai. Als je eenmaal hebt ervaren hoe leuk het is om gewoon gezien te worden door een vriend of vriendin, om onbeschaamd plezier te hebben, wordt dat vanzelf belangrijker dan bijhouden wat iemand komt brengen en halen. Veel sociologen, ik ook, denken daarom inmiddels dat het neoliberalisme juist vriendschap heeft geherdefinieerd tot een ruimte waar je vrij bent van het marktdenken en van de druk om jezelf en je leven te optimaliseren.’
U bepleit sociale duurzaamheid. Wat is dat?
‘Ik krijg vaak de vraag: hoe maak je nieuwe vrienden? Nou, daar zijn allemaal leuke manieren voor. Je moet er wel altijd voor op uit. Neem een hobby. Of ga bijvoorbeeld eens een keer eten met een vriend en vraag hem een vriend mee te nemen die jij niet kent. Statistisch is de kans groot dat je klikt met de vrienden van je vriend.
‘Maar ik zeg er ook altijd bij: kijk ook naar wie je al hebt. Het is belangrijk om je fomo, het gevoel dat alsmaar weer een nieuw iemand beter voor je is, kritisch te bekijken, juist in een samenleving waar we steeds sneller en meer willen.’
Beate Völker groeide op in een katholiek gezin met vier kinderen in Bensheim, in de Duitse deelstaat Hessen. ‘Een plattelandsstadje in de buurt van Frankfurt. Wel mooi hoor. Het heeft heuvels met wijngaarden. Amandelbloesem in het voorjaar. Mijn vader kwam uit een arbeidersgezin en was technisch tekenaar. Mijn moeder heeft een cursus machineschrijven gedaan en voor haar huwelijk nog heel even gewerkt, maar ze had geen opleiding en ook geen echte baan.
‘Na de basisschool ging ik naar een katholieke meisjesschool, geleid door nonnen. Mijn oudste zus zat er ook op. Zelf had ik er nog geen mening over. In Duitsland ga je twee jaar eerder naar de middelbare school dan in Nederland, op je 10de al.’
‘De eerste jaren vond ik het juist prettig om alleen maar met meisjes in een klas te zitten. Op de basisschool had ik veel met jongens gevochten. Ze waren luid en lastig. Dit is veel rustiger, vond ik. Er is tegenwoordig nog steeds een relatief kleine groep pedagogen die gescheiden onderwijs bepleit. Ze stellen dat het juist goed is om meisjes en jonge vrouwen de ruimte te geven in hun ontwikkeling, dat ze later niet overruled worden door mannen. Ik ben daar inmiddels kritisch over, als socioloog én als moeder. Je moet de samenleving juist binnenlaten in het klaslokaal. Meisjes moeten ruimte krijgen, en jongens moeten leren die ruimte niet voor zich alleen te claimen. Dialoog moet juist al vroeg worden geoefend.’
‘Vanaf mijn 14de ging ik vragen stellen over het geloof en met name over het instituut kerk. Ik vond het allemaal zo klein. En waarom moet er zo veel? Wierook, wie heeft dat bedacht? Biechten, waarom moet dat? Vragen waar ik geen antwoord op kreeg.
‘Ik werd een lastige puber. Altijd een weerwoord, zwarte kleren, zwarte thee, zwart haar en zwarte sjekkies draaiend, met Sartre en De Beauvoir in mijn tas. Later, toen ik in Heidelberg psychologie ging studeren, reed ik motor, een Honda Enduro 250 XL. Een hybride waarmee je offroad kon. Ik toerde door het Odenwald. En ik reed over de trappen van de plaatselijke kerk.’
Was u boos op iemand, of iets?
‘Dat klopt denk ik wel. Het dorpje van mijn jeugd was overzichtelijk en gladgestreken. Als puber kwam ik erachter dat de wereld helemaal niet zo rimpelloos is. Waarom deed bijvoorbeeld niemand iets aan die schrijnende ongelijkheid? De Tweede Wereldoorlog was meer dan 35 jaar voorbij, hoe kon het dat er nog steeds mensen die eraan meededen in belangrijke posities zaten? Waarom hebben we het daar niet over?’
‘Ik denk ook dat ik toen mijn liefde voor wetenschap ontwikkelde: ik raak nog steeds geïrriteerd als mensen wetenschappelijke argumenten opzijschuiven – en dat komt echt heel vaak voor. Het gaat niet alleen om empirische bevindingen, maar over de manier van argumenteren en het verwarren van meningen en feiten. Ik voelde als tiener vaak aan dat een argument niet klopte, maar had niet altijd de woorden en het instrumentarium om het te ontkrachten. Daar kun je boos van worden; op jezelf en op de rest van de wereld.’
Na haar studie in Heidelberg verhuisde Völker naar Utrecht voor een promotieonderzoek naar sociale netwerken in de voormalige DDR. ‘Mijn motor heb ik toen doorverkocht, omdat ik dat geld nodig had voor een computer.’ Samen met haar toenmalige vriend – met wie ze later trouwde, en weer later van scheidde – bleef ze in Nederland.
Na aanstellingen bij onder meer de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam werd ze directeur van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving. Recent is ze aan de Vrije Universiteit benoemd tot hoogleraar Sociale netwerken, coöperatie en conflict.
Vorig jaar ontving ze in Parijs de Simmel Award van INSNA (International Network for Social Network Analysis) voor haar bijdragen aan de netwerkwetenschap. ‘Het is een oeuvreprijs. Een hele eer. En toch ook beetje lastig en confronterend. Want ik ben nog lang niet klaar.’
Uw dochters Marie en Mira zeiden dat u eigenlijk altijd aan het werk bent. ‘In de meest positieve zin van het woord’, voegden ze eraan toe.
Schrikt even. ‘O, echt? Zo heb ik mezelf nooit echt gezien. Maar ja, ik denk dat ik best nerdy ben. Als ik eenmaal ergens in ben gedoken, maakt het me weinig uit hoe laat het is of welke dag van de week het is. Dat is juist heerlijk, eigenlijk gun ik iedereen zoiets.
‘Mijn moeder pushte haar kinderen. Zelf mocht ze niet studeren; het geld dat er was ging naar de opleiding van haar broer, die er vervolgens niets van bakte. Daar kwam nog bij dat studeren voor een meisje als een overbodige luxe werd gezien, want ze gaat toch trouwen. Ik voelde dat ook en daardoor moest ik het juist heel goed doen. Het is nooit een optie voor mij geweest om niet te werken. Mijn eerste salaris...’ Völker legt beide handen op haar borst. ‘...voelde echt als een overwinning.’
U was eind twintig toen u voor uw promotieonderzoek naar Nederland kwam. Was het makkelijk weer nieuwe vrienden te maken?
‘Ik had er van tevoren niet goed over nagedacht dat ik ook in sociaal opzicht helemaal opnieuw moest beginnen. Ik ging het eerst proberen via vrijwilligerswerk bij de Kindertelefoon. Maar ik sprak nog niet zo goed Nederlands, dus zette ik vooral koffie en maakte het weekrooster. Het ging me om de connectie, het gevoel dat ik weer ergens bij hoorde.’
‘Ik leerde ook mensen kennen via mijn werk, maar de contacten die ik opdeed waren toch eerst wat oppervlakkiger. Wat ik met mijn studievrienden had, die ik trouwens nog steeds twee keer per jaar in Duitsland bezoek, zat dieper. Zo deelden we een enorme fascinatie voor de DDR. We hielden dat socialistische experiment, dat rijkelijk aan het falen was, nauwgezet in de gaten vanuit onze markteconomie. En we hoopten vurig dat de Muur zou vallen. En dat er dan een derde samenlevingsvorm zou komen, tussen het kapitalisme en het communisme in. Die hoop is niet uitgekomen. Maar daar hadden we het eindeloos over.
‘In Nederland werd het makkelijker toen ik kinderen kreeg. Vrienden maken gebeurt dan bijna ongemerkt op het schoolplein. Je hebt meteen veel onderwerpen en een gemene deler, want je vindt allemaal iets van de juf of de school. Als de kinderen dan met elkaar willen spelen, ga je mee naar huis en zit je ineens bij elkaar aan de keukentafel.’
Is het een goed idee om een vriendschap uit te maken?
‘Het is vaak helemaal niet nodig. Uit onderzoek blijkt dat vriendschappen dynamisch zijn; ze werken als een elastiekje. Meestal valt een vriendschap gewoon heel geleidelijk en wederzijds in slaap. Maar dat verbindende elastiekje blijft.
‘Het interessante is dat ongeveer een kwart van die ingeslapen vriendschappen na verloop van tijd weer opbloeit en van de achtergrond terug naar de voorgrond van je leven komt. Vriendschap is de enige relatievorm waarin dat zo werkt. Bij een partner of collega kun je niet zomaar een paar maanden niets laten horen en dan ineens weer opduiken.’
Maar wat als er echt een conflict is? Een vriend is opgeslokt door een controversieel onderwerp, of een maat zoekt ineens de flanken van het politieke spectrum op.
‘Er zijn natuurlijk situaties waarin iemand een afslag heeft genomen waardoor contact bijzonder moeilijk wordt. Dat gebeurt gelukkig zelden, want normaal gesproken groeien vrienden wat standpunten betreft met elkaar mee.
‘Maar we hebben het bijvoorbeeld bij corona kunnen zien: dat kwam zo plotseling dat je geen tijd had om rustig samen je positie te bepalen. Als de een zich absoluut niet liet vaccineren en de ander wel, of als je haaks op elkaar stond wat maatregelen betreft, dan was dat zo alomtegenwoordig dat je het niet kon wegwuiven met: ‘We hebben het er gewoon niet over en houden het gezellig.’ Dan schuurt het overal. In zo’n geval van een heftig conflict of een diepe vertrouwensbreuk kun je alleen maar constateren: oké, dit gaat nu gewoon echt niet.
‘Maar zelfs dán hoef je het niet per se officieel uit te maken. Er is ooit een goede reden geweest waarom jullie bevriend raakten, en wie weet komt dat later weer terug. Laat het gewoon even rusten.’
Volkskrant-columnist Peter Middendorp schreef laatst over een kennis die de vriendschap met zijn beste kameraad had opgezegd. De kennis kon niet meer tegen ‘het eindeloze geconsumeer’ van zijn vriend. Middendorp vroeg zich vervolgens af: ‘Wat zou er gebeuren als we elkaar vanaf nu wel enorm de maat zouden nemen? Dus niet: Goh, wat gezellig, zo’n houtkacheltje in huis. Of: Wat leuk dat je voor de zesde keer een cruise hebt geboekt. Maar gewoon, recht uit het hart, in het gezicht: Godsamme zeg, wat ben jij een egoïstische klootzak. Er zal eens een vriendschap sneuvelen, of een familierelatie. Niet leuk. Maar zonder gaat het klimaat sowieso kapot.’ Heeft hij een punt?
‘Ja, wat een interessant stukje! Hij heeft zeker een punt. Het gaat erom dat je elkaar aanspreekt en dat doen we niet graag, want we lopen het risico dat een vriendschap daardoor onder druk komt te staan. Maar het is veel beter die confrontatie wel aan te gaan. Voor de vriendschap – en in dit geval ook voor het milieu.
‘Maar, er wordt nu wel een vriendschap opgezegd: we zijn het ergens niet over eens, dus zijn we geen vrienden meer. Hij trekt zich dus terug in de bubbel met de mensen die allemaal hetzelfde denken en gooit de mensen die anders denken uit zijn vriendschapsnetwerk. Lekker makkelijk en zo veranderen we niets.
‘Dat we geen moeite doen om elkaars standpunten beter te begrijpen en ons ook niet laten corrigeren, werkt het gevoel van vriendschapsrecessie in de hand.’
U vergelijkt in het slotwoord van uw boek de donkere tijden van Arendt met de onze, ‘waarin mensen niet goed meer kunnen zien wat er gaande is, waarin feiten worden ontkend of verdraaid, waarin rechtsstatelijke instituties hun gezag verliezen, en waarin veel mensen zich terugtrekken in de veiligheid van het private leven of de eigen groep’. Wat staat er volgens u op het spel?
‘De democratie. En de solidariteit, want dat hangt daarmee samen. Ja, ik denk echt dat we moeten oppassen. In het laatste hoofdstuk van Arendts The Origins of Totalitarianism onderscheidt ze solitude van loneliness. In het eerste schuilt geen gevaar: alleen kun je rustig nadenken en in gesprek zijn met jezelf. Maar daar tegenover staat een vorm van verlatenheid waarin de verbinding met anderen en met een gedeelde wereld is verloren. Volgens Arendt vormt die ontworteling een belangrijke voedingsbodem voor totalitarisme. Kijk naar Sachsen-Anhalt. De AfD heeft daar gewonnen, mede door slim op dit gevoel van onthechting in te spelen.’
U schrijft ook: ‘Een samenleving waarin vriendschappen verschralen, verliest veel meer dan alleen warmte of gezelligheid; ze verliest het vermogen om burgers tot medeburgers te maken.’
‘Dat geeft voor mij het belang en de urgentie weer die ik ook met mijn boek wil overbrengen. We leven in een tijd met ontzettend grote problemen. Ieder mens met ook maar een beetje empathie voelt zich treurig en machteloos. Maar mijn punt is dat we wél iets kunnen doen, samen en juist in het kleine. Vriendschap geeft licht in donkere tijden.’
28 maart 1963 Geboren in Bensheim, Duitsland.
1990 Psychologie-studie afgerond aan de Universiteit van Heidelberg.
1990-heden Woont en werkt in Nederland.
1990-1995 Promotieonderzoek aan Universiteit Utrecht naar persoonlijke netwerken tijdens de DDR en na de omwenteling.
1995-1997 Postdoc-onderzoeker in Groningen.
1997-2014 Achtereenvolgens hoofddocent, bijzonder hoogleraar en hoogleraar sociologie aan Universiteit Utrecht.
2014-2019 Hoogleraar sociologie, Universiteit van Amsterdam.
2019-2021 Hoogleraar sociale geografie en planologie, Universiteit Utrecht.
2023 Co-auteur boek De sociologie en de pandemie, Tilburg University Press.
2025 Simmel Award voor al haar onderzoek naar sociale netwerken.
2021-2026 Directeur Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
2026-heden Hoogleraar sociale netwerken, coöperatie en conflict aan de Vrije Universiteit.
2026 Boek Vriendschap. Alles over de belangrijkste relatie in ons leven, Alfabet Uitgevers, met binnenin artwork van kunstenaar Arnout van der Heijden.
Beate Völker woont in Utrecht en heeft twee dochters, Mira Bella (28) en Marie Sophie (23).
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Fotografie: Imke Panhuijzen
Styling: Marja Bennebroek
Haar en make-up: Janet Sadé (House of Orange)
Fotografie-assistent en stand-in: Elise Peters
Kleding
Pak met studs op neklijn: Essentiel Antwerp
Roze overhemd: JW Anderson x Uniqlo
Oorbellen Essentiel Antwerp
Pak van stand-in: Martan
Lichtroze col: Uniqlo