Home

Vooral Willem I en zijn kleinzoon Hendrik maakten de Oranjes rijk met uitbuiting in Indië – vier conclusies uit het onderzoek

Onderzoek Huis Oranje-Nassau Vooral koning Willem I had invloed op het koloniale beleid en verdiende aan de koloniën. Dat blijkt uit het onderzoek van de Universiteit Leiden naar de rol van de Oranje-Nassaus in het koloniale verleden. Vier conclusies.

Koning Willem-Alexander en Koningin Maxima bezoeken het dorp Johanna Margaretha en Frederiksdorp in Suriname in 2025.

1Koning Willem I bemoeide zich intensief met de koloniën

In de Republiek hadden de Oranjes als stadhouder wel veel invloed maar geen absolute macht. Dat veranderde toen Willem I (1815-1843) koning werd. Hij was „een ongekende dossiervreter” en bemoeide zich intensief met de koloniën. De koloniën moesten de positie van ‘zijn’ koninkrijk ten opzichte van Groot-Brittannië versterken, iets wat hij „haast obsessief” nastreefde.

In 1823 investeerde Willem I „substantieel” in de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), drie jaar later richtte hij de Javaasche Bank op. Aanvankelijk had hij ook grootse plannen voor de Caribische delen van het rijk, maar daar kwam weinig van terecht. Toen de Britten in 1934 de slavernij afschaften in hun Caribische koloniën „piekerde hij er niet over” hun voorbeeld te volgen. „Geld verdienen was zonder twijfel de hoogste prioriteit van Willem I, ook in de koloniën”, schrijft historicus en leider van het onderzoek Gert Oostindie.

Het boek Oranje en de Koloniën van historicus en hoofdonderzoeker Gert Oostindie, voorafgaand aan de presentatie van in totaal vijf boeken.

Nadat Willem zijn blik was gaan richten op Indië was hij snel gewonnen voor de invoering van het cultuurstelsel. Dat was een systeem dat Indonesiërs dwong bijzonder winstgevende gewassen als koffie, suiker en thee te verbouwen. De opbrengst ging naar de staat en de NHM. Vanuit economisch oogpunt „een gouden greep”. Van het vermogen van 27,5 miljoen gulden dat Willem I bij zijn overlijden in 1843 naliet, voornamelijk in aandelen, was ongeveer 7,5 miljoen koloniaal.

Willem I steunde militair optreden om het Nederlandse gezag vestigen en economische winsten veilig te stellen, zoals de Java-oorlog (1825-1830). Die oorlog kostte tweehonderdduizend Javanen en vijftienduizend militairen van het Koninklijk-Nederlandsch Indisch Leger het leven.

2Stadhouders kregen inkomsten ‘in de schoot geworpen’

Over wat de Oranjes verdienden aan de koloniën is altijd „veel gespeculeerd”, schrijven de onderzoekers. Uit dit onderzoek, onder anderen door Christiaan van Bochove, universitair hoofddocent economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, komt een bedrag van omgerekend een half miljard euro.

Verdeeld over twee eeuwen kregen de stadhouders omgerekend 55,9 miljoen euro aan directe inkomsten „in de schoot geworpen”. Tot verbazing van de onderzoekers investeerden ze niet zelf in koloniale zaken, maar kregen uit hoofde van hun functie wel uitbetaald. Aan de Zilvervloot bijvoorbeeld hielden ze „enkele tonnen minder over dan tot nu toe gedacht”.

Frederik Hendrik (1625-1647) stopte wel zelf geld in de West-Indische Compagnie (WIC), maar de compagnie ging failliet. Stadhouder Willem III (1672-1702) onderhandelde over de koop van een aandeel in de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname, „inclusief de ‘negotie van de slaven’”, maar vond of het risico op verlies te groot, of had te weinig geld.

Op de vraag of die 55,9 miljoen euro bijdraagt aan het hedendaagse vermogen van het Huis Oranje-Nassau, antwoorden de onderzoekers: „dat was niet het geval”. De Fransen confisqueerden een groot deel.

Koning Willem I en zijn kleinzoon Hendrik daarentegen maakten de familie wél rijk. In een bijna eeuw verdienden zij omgerekend 475 miljoen euro in Nederlands-Indië. Vooral de tinwinning op Billiton – die gepaard ging met uitbuiting – leverde veel op, „aan Suriname, de Nederlandse Antillen en Elmina [het slavenfort in Ghana, red] verdiende het koningshuis niet”. Noch verdienden ze miljarden, wat vaak is gedacht, aan petroleumondernemingen zoals Shell. Willem III, Emma en Wilhelmina kregen geen aandelen van de startende Koninklijk Olie.

Bezoek aan Elmina in Ghana.

3Vrijgemaakten moesten dankbaarheid tonen voor het ‘geschenk’ van Willem III

De Oranjes bezaten geen plantages en wat ze aan slavernij verdienden, kwam van de VOC, die betrokken was bij de handel in tot slaafgemaakten en aan de stadhouders gaf. Desondanks, schrijven de onderzoekers, neemt dat „de medeverantwoordelijkheid voor de slavernij in alle delen van het koloniale rijk niet weg”. Stadhouders noch koningen maakten immers bezwaar tegen slavernij.

De afschaffing van de slavernij werd in 1863 voorgesteld als „een geschenk” van Willem III. Maar daar hoorde bij dat de vrijgemaakte slaven wel dankbaarheid dienden te tonen – een boodschap die met name in Suriname en op de Caraïbische eilanden volgens de onderzoekers „nog heel lang doorwerkte”, en in de kerken en het onderwijs decennialang werd doorgegeven. In Nederlands-Indië werd eind negentiende eeuw een charmeoffensief ingezet: scholen, straten en bedrijven werden naar de Oranjes vernoemd, er waren ‘jubeldagen’ die Oranjeliefde moesten wekken. Dat zwakte de wens tot onafhankelijkheid overigens niet af.

Aan het hof waren, zeker bij de latere stadhouders, bedienden van kleur. Zo lieten zij zien dat ze overzees invloed hadden. Zij waren veelal van Afrikaanse afkomst en werden bij aankomst in Nederland in vrijheid gesteld, „de Republiek erkende de slavernij immers niet in eigen land”.

Koninklijk bezoek van koningin Juliana en prins Bernhard aan Suriname in 1955. Hier in Domburg.

4Wilhelmina was ‘geharnast tot het einde’

Tijdens de regeerperiode van koningin Wilhelmina (1890-1948 ) was er sprake van veel geweld in wat toen Indië werd genoemd. Toen ze aantrad was de Atjeh-oorlog aan de gang, die wellicht bijna honderdduizend slachtoffers maakte, en aan het einde van haar regeerperiode voerde Nederland een bloedige dekolonisatie-oorlog. Hoewel Wilhelmina haar steun uitsprak voor de ethische politiek, die het welzijn van de Indonesische bevolking moest verbeteren, steunde zij steeds de harde lijn. In haar eerste Troonrede in 1898 liet ze minister-president Nicolaas Pierson woorden van grote waardering voor het KNIL opnemen.

Toen steeds meer leden van de Nederlandse elite begonnen in te zien dat Nederland afscheid moest nemen van Indië als kolonie bleef zij zich identificeren met „de reactionaire lijn” die binnen de krijgsmacht dominant was. Ze was, schrijft Gert Oostindie, „geharnast tot het bittere einde”. Een paar maanden na de eerste ‘politionele actie’ in 1947 liet Wilhelmina minister-president Louis Beel weten „geen genoegen te kunnen nemen met een oplossing waarbij de extremisten niet worden opgeruimd”. Een paar jaar eerder zei Wilhelmina tegen de Amerikaanse president Roosevelt over Nederlands Nieuw-Guinea dat daar „de laagste vorm van menselijk leven ter wereld” te vinden was.

Koning Willem-Alexander en hoofdonderzoeker Gert Oostindie in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Koningshuis

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next