Home

Hoe Willem de Kooning een Amerikaanse schilderheld werd

Schilderkunst Honderd jaar geleden stapte Rotterdammer Willem de Kooning op de boot naar Amerika. Hij werd er een van de boegbeelden vande moderne schilderkunst. Vanaf 9 oktober plaatst het Rijksmuseum hem tussen de Rembrandts. Een bezoek aan zijn atelier bij New York.

Willem de Kooning in zijn atelier in The Hamptons, 1982.

Ze staan er nog, de schommelstoelen. Aan het begin van het atelier zijn ze opgesteld, twee stoelen van massief hout, een paar meter van de schildersezel, met links uitzicht over de tuin, waar nu een paar hertjes lopen.

Willem de Kooning (1904-1997) zat er graag, urenlang, dagen achter elkaar, en keek naar het schilderij op de ezel, om er af en toe iets kleins aan te veranderen. Nu staat zijn kleindochter ernaast, op blote voeten onder haar jurk, en vertelt hoe haar grootvader hier te werk ging.

Lucy de Kooning Villeneuve heet ze, 30, zelf kunstenaar, al wil ze verder liever niet over zichzelf praten: vandaag is ze voor haar gasten vooral de beheerder van het huis van haar grootvader, een van de bekendste Amerikaanse kunstenaars van de 20ste eeuw. Op 18 juli was het honderd jaar geleden dat Willem de Kooning op een vrachtschip van Rotterdam, waar hij was geboren, naar de Verenigde Staten vertrok.

Vissersdorpen

Een paar uur rijden van New York ligt het huis van De Kooning, in The Hamptons, bij de Atlantische Oceaan. Als de New Yorkse autoweg met zijn gaten en hobbels eindelijk overgaat in meer begaanbare straten, doemen witte villa’s en een Prada-vestiging in een klein houten huisje op. De rijken en de sterren wonen hier nu – de plaatsen zijn bekend uit Sex and the City en Wolf of Wall Street – maar toen De Kooning zijn huis hier in 1962 ontwierp, waren het nog eenvoudige vissersdorpen.

Een rechthoekig huis met V-vormig dak is het, waarvan de houten buitenwanden even donker zijn als die van de toenmalige vissershuisjes, maar dan met hoge glazen vensters en een ruime tuin eromheen. Riant – het succes was er al – maar niet protserig, bedoeld om er in stilte te kunnen werken. Eerder had zijn vriend en collega Jackson Pollock zich hier in de buurt teruggetrokken, maar in 1956 reed hij zich even verderop dronken tegen een boom dood.

Het atelier van Willem de Kooning

Kleindochter Lucy gaat voor door tuin en slaapkamer, keuken en atelier. Het huis is niet publiek toegankelijk, maar wordt met enige regelmaat opengesteld voor journalisten, als het verhaal rond de schilder wat extra nadruk kan gebruiken. Zoals in 2022, toen Sotheby’s New York er een voorbezichtiging organiseerde toen de twee kleindochters van De Kooning – voor wie de Nederlandse familieachtergrond nog slechts een verre echo is – drie schilderijen door het veilinghuis lieten verkopen. Vandaag is de rondleiding op uitnodiging van conservator Ludo van Halem van het Rijksmuseum in Amsterdam, waar vanaf 9 oktober een grote expositie over De Kooning te zien is.

De schilder woonde en werkte tot aan zijn dood in het huis. De helft is atelier; de glazen vensters reiken hier vanaf de grond tot aan het dak, zodat het licht ruimhartig naar binnen valt. Binnen in het woongedeelte is het vriendelijk en huiselijk: grote planten, een lange keukentafel, waar Amy Schichtel, de directeur van de Willem de Kooning Foundation, voor haar gasten broodjes heeft uitgestald. In de boekenkast ligt de grote hoornen bril van de kunstenaar, alsof hij hem even heeft weggelegd.

De locatiebepaling van de mobiele telefoon moet worden uitgeschakeld, zodat de foto’s die we maken niet kunnen verraden waar we zijn. In het atelier staan een paar De Kooning-schilderijen, opgesteld op schildersezels, en die zijn nu eenmaal geld waard, veel geld. Succes had De Kooning al in de jaren vijftig en begin jaren tachtig verkocht zijn werk voor het eerst boven een miljoen dollar. Het schilderij Interchange, dat in 1955 nog voor 4.000 dollar werd verkocht, werd in 1989 geveild voor 20,7 miljoen dollar, destijds een record voor een levend kunstenaar. In de oververhitte kunstmarkt van de 21ste eeuw schoten de prijzen nog veel verder omhoog. In 2015 werd Interchange in een particuliere verkoop voor 300 miljoen dollar verkocht aan een hedgefonds-miljardair, waarmee het op dat moment het duurst verkochte schilderij ooit was.

In deze schommelstoelen bekeek De Kooning zijn werken in wording.

Dustin Hoffman

De vraag naar het succes van dit werk kan niet los worden gezien van de betekenis die De Kooning in de Amerikaanse naoorlogse geschiedenis heeft gekregen.

In ditzelfde atelier, naast dezelfde schommelstoelen, stond in 1982 acteur Dustin Hoffman. Hij kondigde De Kooning aan voor een aflevering van Strokes of Genius, een vierdelige serie over de groten van de Amerikaanse moderne beeldende kunst. De Kooning, zegt Hoffman, is „de laatste overlevende” van de abstract-expressionisten, die de „kern van de moderne Amerikaanse schilderkunst” vormen.

Aanvankelijk werden ze de New York School genoemd, uiteenlopende schilders uit de jaren veertig en vijftig als Mark Rothko, Arshile Gorky en Jackson Pollock. Hun abstract-expressionisme zou al snel als de eerste ‘eigen’ moderne Amerikaanse schilderkunst gaan gelden. Ze deden niet meer na wat de grote Europese modernisten deden, maar kwamen met een nieuwe, eigen stijl: abstracte vormen, waarin verf en de handeling van het schilderen voorop stonden, en waarmee een sterke emotie werd uitgedrukt. Action painter Jackson Pollock werd vanwege zijn radicale aanpak ook wel „het breekijzer” genoemd, Mark Rothko schilderde spirituele kleurvlakken en Willem de Kooning werd bekend met zijn koortsige mengeling van abstractie en figuratie.

Het toeval, of beter, de tijdgeest, deed de rest: het abstract-expressionisme kwam precies op het moment op dat de Verenigde Staten na 1945 een wereldmacht werden, en op zoek waren naar eigen culturele voorbeelden om op een voetstuk te kunnen plaatsen.

De respectvolle toon van Dustin Hoffman in Strokes of Genius laat die nationale betekenis van De Kooning goed zien, maar contrasteert ook met de grotere afstand die er in zijn land van herkomst tot hem bestaat. In Rotterdam is er weliswaar een kunstacademie naar hem vernoemd, maar dat gebeurde pas in 1998, een jaar na zijn dood. Een nationaal omarmde schilderheld, zoals zijn internationaal veel minder bekende tijdgenoot Karel Appel dat na de oorlog werd, is De Kooning in Nederland niet geworden. Ondanks zijn blijvend vette Hollandse accent, gold De Kooning in zowel de VS als in Nederland als een Amerikaanse kunstenaar. Hij was Bill the Cooning, zoals zijn Amerikaanse vrouw Elaine, zelf ook kunstenaar, hem in Strokes of Genius noemt. Rijksmuseum-conservator Van Halem: „In de VS is hij nog steeds een household name, maar in Nederland moet je hem, zeker voor nieuwe generaties, toch uitleggen.”

Dit jaar, een eeuw na de bootreis van Rotterdam naar de VS, staan twee Nederlandse musea stil bij de Nederlandse achtergrond van De Kooning. Fenix, het kunstmuseum voor migratie in Rotterdam, zette eerder dit jaar drie grote bronzen beelden van hem op de kade waar hij vertrok. In het Rijksmuseum wordt De Kooning met 124 werken, waarvan het grootste deel tekeningen, „ingebed in de Nederlandse kunstgeschiedenis”, zoals Van Halem het noemt. Zijn werk, waaronder zijn doorbraakschilderij Woman I (1950-52) – een bruikleen van het MoMa in New York – en Woman and Bicycle (1952-53) – uit het Whitney Museum of American Art, ook in New York – komen tussen de Rembrandts en Frans Halsen te hangen, als moderne toevoeging aan het Nederlandse cultuurgoed.

Willem de Kooning in East Hampton, New York State, 1953.

Grenzeloze vrijheid

Maar hoe werd de Rotterdamse migrant nu precies tot Amerikaanse schilderheld? Een paar maanden voorafgaand aan de tentoonstelling in Amsterdam laat conservator Van Halem op een aantal locaties in en rond New York de ontwikkeling hiervan zien.

Hotel Chelsea op 222 West 23rd Street, een legendarisch gebouw uit de late 19de eeuw, is er een van. Het staat in alle reisgidsen van New York; na de oorlog verbleven er korte of langere tijd kunstenaars die nu als de grote kopstukken van de naoorlogse cultuur gelden, onder wie Bob Dylan, Frida Kahlo en Andy Warhol. De Kooning had hier tijdelijk een atelier, voordat hij naar The Hamptons vertrok.

Ook de portier blijkt het verhaal van de Rotterdammer te kennen, als hij na de lunch toevallig hoort waarvoor we in de stad zijn. Anders dan in The Hamptons, waar De Kooning teruggetrokken werkte, ontving hij in zijn atelier in het Chelsea veel bezoek, zegt hij. In New Yorkse kunstkringen was De Kooning geliefd om zijn humor, zijn drinkvermogen, zijn verschijning als „een knappe man”, zoals The New York Times hem in 1968 nog omschrijft, en gold als een voorbeeld voor veel jonge kunstenaars in de stad.

Elaine de Kooning (Willem de Kooning, 1940-41), grafiet op velijnpapier

Op de negende verdieping van het hotel laat de portier een litho zien, die van Willem de Kooning zou zijn. Inderdaad, daar hangt, tussen tekeningen van Pollock maar ook van acteur Matt Damon, een tekening met heel herkenbare De Kooning-vormen en -lijnen. Maar Ludo van Halem, die ter voorbereiding van zijn expositie in het Rijksmuseum de tekeningen van De Kooning heeft bestudeerd, betwijfelt de echtheid ervan – hij heeft deze nooit eerder gezien.

Maar is dat erg, op deze locatie? Lang hing er in Hotel Chelsea ook een popart-schilderij in de stijl van De Kooning, dat de vriendschap tussen de abstract-expressionisten Gorky en De Kooning uitbeeldde. De werken in het Chelsea passen bij de mythe rond de kunstenaars, die deel uitmaakt van de mythe van de stad. Het hotel laat de dynamiek van kunststad New York na de oorlog zien. Kunstenaars en artiesten van over de hele wereld gaven de stad een glans van grenzeloze vrijheid. Terwijl in de huidige VS fel wordt gediscussieerd over migratie, is het succes van de eerste moderne Amerikaanse kunststroming moeilijk denkbaar zonder de bijdrage van migranten als de Armeen Gorky, de Nederlander De Kooning en de Let Rothko.

Doorbraak

Die doorbraak van de Rotterdamse migrant kwam echter niet vanzelf. Twee uur rijden buiten New York laat conservator Van Halem het omslagpunt zien, in Princeton, een van de bekendste universiteiten ter wereld, waar net het universiteitsmuseum is gerenoveerd. Kunstwerken uit verschillende culturen zijn hier samengebracht, en ertussen is één zaaltje te zien met de tijdelijke expositie Willem de Kooning: The Breakthrough Years, 1945-50.

Het kostte De Kooning twintig jaar om de vorm te vinden die hem de doorbraak bezorgde, legt Van Halem uit. Toen de 22-jarige De Kooning in 1926 in de VS aankwam – als verstekeling, zo gaat de legende, maar hij werkte in de machinekamer om zijn overtocht te betalen – zag hij zijn toekomst in de reclame of decoratie. Hij was in Rotterdam opgeleid als commercieel kunstenaar, voor onder andere reclame. Schilderkunst zag hij als iets voor „mannen met baarden”, zei hij later. Degenen die kunstenaar wilden worden gingen naar Parijs, hij wilde „een modern persoon” zijn.

De eerste periode leefde hij tussen andere Nederlandse migranten in New Jersey, aanvankelijk zonder Engels te spreken. In 1927 verhuisde hij naar New York, werkte als huisschilder, bleef arm, maar geholpen door zijn vriend Arshile Gorky koos De Kooning in de jaren dertig toch voor het kunstenaarschap. Sterker: hij begon het als zijn roeping te zien: „I don’t paint for a living; I paint to live”, luidt een van zijn bekende oneliners. In de musea van New York leerde hij de Europese kunstgeschiedenis waarderen, hij tekende de modernist Picasso, de neoclassicist Ingres, oude crucifixen en grottekeningen na. In tien jaar proberen vond hij zijn eigen stijl: een stijl waarin zijn Europese herkomst zou doorschemeren, maar die ook volledig nieuw was, precies waar de New Yorkse kunstwereld op zat te wachten.

Willen de Kooning, Black and White Abstraction, 1950-51

Het schilderij Town Square, ‘stadsplein’, uit 1948 is een typisch voorbeeld van deze doorbraak, laat Van Halem tussen de achttien schilderijen zien. Het werk is een wit vlak met zwarte lijnen en vormpjes, waar je in de verte gebouwen in zou kunnen herkennen. De Kooning zag dit werk als een „bevroren glimp” van iets wat je had gezien „als je snel de straat over wil steken”. De gebouwen worden verbogen, de winkelruiten spiegelen hen vervormd terug. Is het abstract, of toch ook een beetje figuratief? Voor De Kooning zelf mocht het beide zijn: „Ook abstracte vormen moeten een gelijkenis hebben”, zei hij graag over zijn eigen werk.

Dergelijke schilderijen, waarin de abstractie meer overheerst dan de figuratie, maakten De Kooning eind jaren veertig bekend in de New Yorkse kunstwereld als een ‘painter’s painter’. De echte doorbraak kwam een paar jaar later, toen hij al bijna vijftig was, dankzij een schandaal.

Grijnzende mond

In het Museum of Modern Art (MoMa) in New York hangt het schilderij waarmee de roem begon: Woman I. Wilde woeste verfstreken beelden een vrouwenfiguur uit. In de kolkende verf maken slechts twee flinke borsten de figuur als een ‘vrouw’ herkenbaar. Haar gezicht is vooral een paar hele grote ogen en een grijnzende mond, die De Kooning uit een sigarettenreclame had gescheurd en had overgeschilderd.

Woman I (Willem de Kooning, 1950-52), olieverf, emailleverf, metallicverf en houtskool op doek

Voor zijn collega-kunstenaars was het doek schokkend om artistieke redenen. Abstractie was in 1952 nog iets waarmee je je kon afzetten, en nu leek een der hunnen terug richting figuratie te gaan? De tweede schok lag bij het publiek: de naakte vrouw, in de Europese kunstgeschiedenis eeuwenlang vooral als geïdealiseerde Venus weergegeven, werd hier als „monster” afgebeeld, zoals De Kooning het zelf in een BBC-interview noemde.

Het MoMa kocht het schilderij in 1953 aan. De Kooning schilderde in die jaren nog vijf andere Woman-schilderijen in deze woeste stijl, en eind jaren vijftig was hij een van de iconen van de nieuwe Amerikaanse kunst geworden, theoretisch ingekaderd door bevriende critici als Clement Greenberg en Harold Rosenberg in hun beschouwingen over abstract-expressionisme. De Koonings vrouw Elaine – ondanks hun beider affaires, hun alcoholisme en periodes van scheiding keerden ze steeds weer naar elkaar terug – speelde een rol in het promoten van zijn werk, dankzij haar grote sociale netwerk in de New Yorkse kunstwereld.

Internationaal kwam de roem toen ook. De Kooning werd via rondreizende exposities als The New American Painting (1958-59) van het MoMa in de rest van de wereld gepromoot. Volgens sommige historici werden dit soort exposities van het abstract-expressionisme zelfs mede betaald door de CIA: de abstract-expressionisten zouden als ‘soft power’ onderdeel van de Koude Oorlog kunnen worden, omdat de schilderkunst van de vrije wereld als de tegenhanger van het sociaal-realisme van de Sovjet-Unie kon worden tentoongesteld.

In Nederland kwam de aandacht voor De Kooning nog weer wat later. Vanwege de gegroeide belangstelling voor Amerikaanse kunst had het Stedelijk Museum Amsterdam eind jaren zestig de eerste expositie over De Kooning; bij die gelegenheid kwam de schilder in 1968 voor het eerst ook even terug naar Nederland. Het Stedelijk verwierf dertien schilderijen. Later kreeg De Pont in Tilburg een De Kooning uit een schenking, en vorig jaar kocht Fenix een schilderij. Fenix-initiatiefnemer Wim Pijbes was in 2005 directeur van Kunsthal Rotterdam, toen daar een De Kooning-retrospectief werd georganiseerd.

Een grote hoeveelheid De Koonings, zoals in de VS, is in Nederlandse museumzalen dan ook niet permanent te zien. De expositie vanaf oktober in het Rijksmuseum zal qua aantal – het merendeel bestaat uit tekeningen, daarnaast zijn er dertien schilderijen en negen beelden – de grootste tot nu toe in Nederland zijn.

Willem de Kooning in zijn atelier, 1967.

Feministische kunstkritiek

Nu Woman I in de eregalerij van het Rijksmuseum hangt, lijken de scherpe randjes er wel vanaf. Maar de discussies erover zijn altijd doorgegaan. „Glad ijs”, noemt Ludo van Halem van het Rijksmuseum de vele interpretaties rond het vrouwenthema. Hij staat voor een De Kooning-tekening van een vrouw met opengesperde benen, in een galerie in het Meat Packing District in New York, waar een expositie met tekeningen van De Kooning is te zien; hetzelfde type als ook het Rijksmuseum zal tonen.

Het felst was de feministische kunstkritiek in de jaren zeventig en tachtig, toen De Kooning het verwijt kreeg ‘misogyn’ te zijn, omdat hij als mannelijke schilder het vrouwelijk lichaam monsterlijk zou hebben afgebeeld. Ook nu nog worden op fanblogs, in exposities en in academische publicaties diverse interpretaties aangedragen – overigens ook positieve. Zo vertelt Amy Schichtel, directeur van de Willem de Kooning Foundation, bij de lunch in het atelier dat er ook feministische auteurs zijn die in de Women-serie juist „hele sterke vrouwen” zien.

Van Halem vindt de diverse inhoudelijke interpretaties rond het thema ‘vrouw’ vaak te ver gaan. Hij concentreert zich in zijn expositie in het Rijksmuseum liever op de artistieke techniek, de kunstenaar ‘aan het werk’. Het vrouwelijk lichaam was voor De Kooning „een mogelijkheid om te experimenteren met verf op canvas”, zoals ook het MoMa op de website schrijft.

Maar helemaal los van een kunsthistorische betekenis zag de schilder het thema toch ook weer niet, stelt ook het MoMa. „De Women-serie ging over het uitbeelden van de vrouw door de eeuwen heen: al die idolen”, zei De Kooning terugblikkend in een interview. „Schoonheid irriteert me”, vond hij, geheel in de lijn met het adagium van de toenmalige moderne kunst: liever dan een geïdealiseerd naakt uit de kunstgeschiedenis of de pin-ups uit de jaren vijftig beeldde hij het „groteske” uit. In die zin zou je het werk dus ook kunnen zien als een soort abstract-expressionistische afrekening met de geïdealiseerde schoonheid in de Europese cultuur. Volgens sommige kunsthistorici werd hij daarbij ook geïnspireerd door archaïsche vruchtbaarheidsgodinnen, zoals de Venus van Willendorf.

Werk uit de jaren tachtig in De Koonings atelier.

Secuur werkproces

Lang is De Kooning niet gebleven bij de woeste stijl die hem roem bracht. Na een paar jaar veranderde hij hem weer, zoals hij in zijn leven vaker van stijl zou veranderen, waarbij hij de mate van figuratie en abstractie steeds aanpaste: „I have to change to stay the same”, zoals hij zei. Na de vrouwen richtte hij zich meer op landschappen in een abstracte stijl, al is er in die werken soms ook een menselijke, vooral vrouwelijke, vorm in te ontdekken.

De schilderijen die nu in het atelier staan opgesteld stammen uit de laatste periode, de jaren tachtig, kort voordat De Kooning door Alzheimer zijn geheugen kwijtraakte. Ze doen denken aan het schilderij Zonder titel XV (1981) in de vaste collectie van De Pont in Tilburg. Deze doeken zijn leger dan de drukke vlakken van de doorbraakjaren, ze zijn wel eens als „lyrisch abstract” omschreven, omdat hier de verwijzing naar figuratieve vormen nu echt lijkt te zijn losgelaten en de lijnen kalm en ‘lyrisch’ kronkelen, met meer lege vlakken op het doek. Op de kunstmarkt zijn ze minder waard dan het werk uit de jaren vijftig.

In het atelier gaat kleindochter Lucy de Kooning Villeneuve bij de schilderijen staan: om zijn werk als een emotionele uitbarsting over te laten komen, werkte Willem de Kooning er lang en secuur aan, vertelt ze. „Je kan een maand aan een schilderij werken”, zei De Kooning tegen kunsthistoricus Michael Fried, „maar het moet eruit zien alsof het in een minuut is geschilderd.” Ook over Woman I twijfelde hij lang. Hij liet het aan anderen zien, paste aspecten ervan aan, en was pas na twee jaar klaar.

De verfpotten staan ook nu nog in het atelier.

De schommelstoelen hoorden bij dit langzame werkproces, zegt De Kooning Villeneuve. Haar grootvader had de twee stoelen langs de weg gevonden, en zette ze hier neer om naar zijn eigen werk te kijken. Korte periodes van schilderen werden afgewisseld met lange periodes van kijken, en dan weer terug: dan ging hij vegen, gummen, of draaide de schildersezel om, zodat de verf uitliep of het perspectief kon wisselen. Ze doet het voor door op een knop te drukken: de metalen ezel had een mechanische werking.

De stoelen staan nog op dezelfde plek, net als de zelfgemaakte kwasten, de verftubes, de boeken en de krantenknipsels – alsof de tijd in de bossen van The Hamptons is bevroren. Sinds de dood van de schilder wil zijn Amerikaanse nageslacht er zijn verhaal levend mee houden. Attributen zijn ze geworden, een decor voor het legendarische verhaal van de Rotterdamse migrant, die de eerste moderne Amerikaanse schilderstroming mede vormgaf.

Willem De Kooning kijkt naar zijn werk, 1953.

Willem de Kooning at work. 9 oktober t/m 17 januari 2027, Rijksmuseum, Amsterdam. De reis naar New York werd deels betaald door Rijksmuseum.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Beeldende kunst

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next