Home

Taalverwonderaar Paulien Cornelisse schreef graag over duh, joh, goh, oomph, meh, puh en ugh

Taal was haar ding Paulien Cornelisse werd in 2009 in één klap de meest gelezen taalschrijver van haar generatie. Haar werk nodigde de lezer uit zich door woorden te laten verrassen. „Gek woord, ‘gek’.”

Paulien Cornelisse in 2024.

De eerste aflevering van Paulien Cornelisses rubriek ‘Taal voor de mensen’ verscheen bijna negentien jaar geleden in nrc.next en gaat over wat zij ik-kritiek noemde, een manier van uitdrukken waarbij aanmerkingen via een omweg worden geuit. Ze legt uit hoe dat werkt: „Het is zaak de kritiek ‘dicht bij jezelf te houden’, omdat het probleem altijd voor de helft in jouw hoofd zit. Dat doe je in concreto door te beginnen met het woord ‘ik’. Dus niet zeggen: ‘Hou eens op met het versturen van komisch bedoelde porno aan je collega’s’, maar eerder: ‘Ik constateer bij mezelf dat ik er een probleem mee heb dat je komisch bedoelde porno aan je collega’s stuurt.’” 

De lezer kon hier meteen zien op welke manier taal ‘haar ding’ was. Cornelisse begint weliswaar bij tekst, maar uiteindelijk gaat het om sociale interactie: wat willen mensen over zichzelf duidelijk maken als ze zich zus of zo uitdrukken? De betekenis van woorden zit niet alleen in datgene waar ze naar verwijzen, maar ook in wat ze veroorzaken in de wereld: „De ik-kritiek is een aanval in de rug, je kunt je er niet tegen verdedigen. […] Iemand die gevoelens in een open gesprek met je gaat delen is onkwetsbaar en daarom hondsirritant.” 

Cornelisse, die woensdag overleed, werd in 2009 door de bestseller Taal is zeg maar echt mijn ding in één klap de meest gelezen taalschrijver van haar generatie. Daarmee trad ze in de voetsporen van auteurs als Gerrit Komrij, Wim T. Schippers en Van Kooten en De Bie. Met hen deelde zij humor als stuwende kracht, maar haar aanpak was fundamenteel anders. Cornelisse was geen taalvernieuwer maar een taalverwonderaar – zo beschouwd was ze eerder verwant aan schrijvers als Hugo Brandt Corstius en K. Schippers. 

Het „Als je goed kijkt, zie je dat alles gekleurd is” van die laatste is zonder veel moeite te verplaatsen naar Cornelisses blik op taal. Ze vestigde consequent de aandacht op wat er te zien of te horen was, als iemand met wie je samen op avontuur bent in de natuur en die je onderweg even op de arm tikt: kijk, daar! 

In die eerste column laat Cornelisse zien wat dat goed kijken – wat in de taalpraktijk vooral goed luisteren en goed lezen is – zoal vermag. Naast de verhandeling over ik-kritiek duikt in het voorbijgaan nog het een en ander op: het opkomende woord ‘oppakken’ (figuurlijk bedoeld, in een kantoorcontext), passief-agressief gebruik van ‘we’ en de oubolligheid van „recht voor zijn raap”.

Klamvochtige doekjes

De voorbeelden die Cornelisse kiest, zoals die ongevraagd verstuurde porno, worden gedragen door bescheiden overdrijving: komisch, maar niet volslagen belachelijk. Dat blijkt opnieuw aan het eind van het debuutstukje, met een nieuwe variant van ik-kritiek: „Ik merk dat ik het moeilijk vind dat je niet éven de moeite blijkt te kunnen nemen om met een vochtig doekje over het aanrecht te gaan.” (Er komen vaker doekjes voor in Cornelisses columns, met name ‘klamvochtige doekjes’, maar dat terzijde.)  

Het zijn geestige voorbeelden. Toch? Cornelisse zelf had natuurlijk zo haar gedachten over het gebruik van ‘geestig’. Ze schreef eens: „Het woord ‘geestig’ klinkt ook veel bedachtzamer dan ‘grappig’. Alsof je niet echt plezier in de situatie hoeft te hebben, maar er wel van een afstandje naar kunt kijken en constateren dat het hier een humoristische situatie betreft.”  

In die eerste column gebeurt trouwens iets wat in de vroege columns nog wel voorkomt, maar wat ze zich later steeds minder zou veroorloven: het gebruik van een hard oordeel als „hondsirritant”. Waar veel taalauteurs uitputtend aandacht vragen voor wat ze zoal stom vinden aan de woordkeuze van anderen of aan wat er verandert in de taal, laat de immer montere Cornelisse, zoals dat in voetbaltermen heet, de bal het werk doen. Dan schrijft ze bijvoorbeeld dat er iets geks is met het woord gek: „Gek woord, ‘gek’. Je kunt er nogal veel mee, namelijk. Je hebt bijvoorbeeld de ‘gek mens ben ik, hè’-vrouwen. Die bedoelen het als compliment aan zichzelf. Ze hebben jaren onderdrukking van zich afgeworpen en zijn nu eindelijk aan het zingen op de fiets, en ze dragen etnische gewaden. Gek hè?” 

Daar hoef je niets onaardigs aan toe te voegen. Of ze laat zien hoe een lelijke uitdrukking doorbreekt en schrijft dan onderkoeld dat er sprake is van „een raadselachtige ontwikkeling”. Taalfenomenen kan ze vervolgens buitengewoon compact aanduiden, zoals hier: „Sinds enige tijd is ‘oké’ het nieuwe ‘ja’ (In deze vorm bijvoorbeeld: ‘Ik heb griep.’ ‘Oké.’) Maar wat is dan het nieuwe ‘nee’? Diepgravend onderzoek heeft uitgewezen: het nieuwe ‘nee’ is ‘nou’.” 

Apegapen, ginnegappen en lanterfanten

Goed luisteren is vaak voldoende. Vandaar dat in haar tweede taalboek En dan nog iets geheel uit hun context losgeknipte citaten staan, zoals: „Nee, maar, wat het punt is: we hebben zeg maar een heel sterke zielsverbondenheid. Lichamelijk dan.” Op de dag van haar overlijden zette Beeld en Geluid een fragment uit De Wereld Draait Door online waarin Cornelisse een onnavolgbare zin uit het tv-programma Utopia licht en laat zien hoe je die als poëzie kunt lezen. „Wel wat hermetische poëzie”, zegt ze excuserend nadat ze haar readymade heeft voorgedragen. Wat langer doorkijken helpt altijd – zie ook haar fascinatie voor mos, een fenomeen waarvan het spektakel je ook niet meteen in het gezicht springt. 

Sommige woorden zijn nauwelijks woorden, ze vormen het mos van de taal. Die soort woorden riep een speciale belangstelling in de taalschrijver Cornelisse wakker. Ze hing haar Boekenweekessay vorig jaar op aan de uitdrukking ‘Hèhè’, een ‘gezelligmaker’ waarvan de precieze betekenis maar moeilijk te vatten is. Ook schreef ze graag over duh, joh, goh, oomph, meh, jjjjjja, nou, puh en ugh. Of over stiltes, want die horen ook bij de taal. 

In de loop der jaren ontwikkelde Cornelisse zich tot een auteur die haar observatievermogen ook losliet op de niet-talige werkelijkheid. Verder schreef ze twee romans over een cavia met een kantoorbaan.

Haar allerlaatste column, op 21 september verschenen op de voorpagina van de Volkskrant, was weer een taalcolumn: „Ik krijg een infuus en lig daarna een tijdje op apegapen. Dan heb je verder in weinig dingen zin, behalve nadenken over het woord ‘apegapen’. Gapen apen veel? Ik stel mij een gapende aap voor; ik denk dat apen niet per se veel, maar wel altijd vol overgave gapen.” Ze concludeert dat het woord vooral fijn klinkt, gaat op zoek naar verwante woorden en komt op ginnegappen en lanterfanten.

Daar eindigt het stukje, maar je vraagt je dadelijk af of er meer van dergelijke woorden zijn en dat is misschien geen toeval. Want onder veel meer blijft het werk van Paulien Cornelisse een lange uitnodiging aan de lezer om zich door woorden te laten verrassen. 

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Taal

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next