Nederlandse industrie In Nederland is de paniek over de China-schok minder groot dan in Duitsland. Maar Nederlandse industriebedrijven voelen wel degelijk de pijn van de toegenomen Chinese concurrentie. Die ervaren ze als oneerlijk en die zit hun investeringen in de weg. Vooral in verduurzaming.
Sif Group maakt stalen fundaties voor windturbines op zee.
Beschilderde palen van zo’n negentig meter lang liggen op de kade van het terrein van Sif Group op de Tweede Maasvlakte bij Rotterdam te wachten op transport naar een windmolenpark in de Noordzee. Monopiles worden die palen genoemd, het deel van de windmolens dat onder water tot in de zeebodem verdwijnt. Aan de kade laadt op een zonnige septemberdag een schip ‘jacket legs’ en ‘pin piles’, stalen buizen die gebruikt worden om platforms te dragen en buizen om de palen in de bodem te verankeren.
Sif bouwde sinds 2015 hier direct aan zee een grote productiefaciliteit. Het bedrijf begon in 1948 in Roermond met de productie van drukvaten voor vooral de chemische industrie, maar legt zich sinds 2000 toe op de funderingsonderdelen van windmolens op zee. Op de Maasvlakte investeerde het flink in steeds verdere uitbreidingen met nieuwe productiehallen, vanuit de verwachting dat het snel zou gaan met de aanleg van windmolenparken op zee. „De afgelopen twee jaren zat de fabriek stampvol, maar 2027 en 2028 worden magere jaren. Daarna trekt de markt gelukkig weer aan”, zegt directeur Koen Bogers.
Maar sinds 2022 hebben Chinese fabrikanten hun oog op de Europese markt laten vallen. „Toen in 2021 de subsidies voor de bouw van windmolens in China wegvielen, zijn Chinese fabrikanten andere markten gaan zoeken”, zegt Bogers. „In de Verenigde Staten is de markt sinds Trump weggevallen. Dus komen ze allemaal naar Europa. In vier jaar tijd hebben ze 25 procent van de markt veroverd.”
Binnen in een productiehal liggen stalen platen van 10 centimeter dik. Ze worden gebogen tot rompen, die verspreid door de hal liggen. Een hal verderop lassen lasrobots deze rompen aan elkaar tot er palen van tientallen meters hoog ontstaan. In een derde hal wordt het deel van de palen dat in het water staat zo gecoat dat ze corrosiebestendig zijn. Zo’n vijfhonderd mensen werken hier op de Maasvlakte in continudiensten.
Arbeid is niet de grootste kostenpost. „Het staal zorgt voor 60 procent van de kosten. Het meeste staal halen we uit Europa, vooral uit Duitsland”, vertelt Bogers. „Chinese producenten hebben veel goedkoper staal, omdat in China de staalfabrikanten stevig worden gesubsidieerd. Zij kunnen daardoor de helft goedkoper produceren dan wij, en dat betekent dat ze hun palen zo’n 30 procent goedkoper kunnen aanbieden”, zegt hij. Chinees staal importeren heeft voor Sif geen zin, want daar zitten hoge importheffingen op. Die heffingen zitten echter niet op de monopiles die uit China worden geïmporteerd, waar het goedkope staal in is verwerkt.
Bij Europese concurrenten worden al reorganisaties doorgevoerd, weet Bogers. „Wij bekijken ook wat we moeten doen. We hebben eigenlijk te weinig werk en verkopen ook tegen ongezonde prijzen omdat we met de Chinese bedrijven moeten concurreren. Dat is niet vol te houden.”
Na de covidpandemie zijn veel industriële bedrijven verrast door een snel oplopende export uit China. Sinds de Chinese leider Xi Jinping in 2015 zijn industrieplan Made in China 2025 presenteerde, wisten zij dat China zijn industriële capaciteit fors zou opschroeven om de achterstand met het Westen in hoogwaardiger technologie in te lopen. Maar tijdens de pandemie zat China dicht en zo bleef onopgemerkt dat de productiecapaciteit in China stevig toenam.
In de Nederlandse politiek en samenleving wordt „de China-schok onderschat”, zegt Theo Henrar, voorzitter van de ondernemersvereniging voor de technologische industrie FME in zijn kantoor in Zoetermeer. De impact blijkt volgens hem maar beperkt uit de macro-economische cijfers, waarin de Nederlandse industrie het relatief nog goed lijkt te doen. Onder de radar zien veel Nederlandse bedrijven de problemen groter worden, geeft hij aan. Hij wijst op het lot van producenten van zonnepanelen die door de Chinese concurrentie uit Nederland zijn verdwenen en van bouwers van elektrische bussen die hetzelfde lot beschoren lijkt. „We hebben ze allemaal binnen laten komen, omdat ze goedkoper waren door de subsidies die ze in China kregen.”
Henrar noemt het recente onderzoeksrapport van de OESO, dat constateerde dat 60 procent van de groei van het Chinese marktaandeel in Europa toe te schrijven is aan staatssteun. Als China blijft dumpen en de VS zijn heffingen blijft doorvoeren, kan Europa niet achterblijven met maatregelen, suggereert Henrar. „China en de VS spelen allang niet meer volgens de internationale spelregels, terwijl Europa zich nog aan de regels van de Wereldhandelsorganisatie houdt. Europa zal de eigen industrie veel beter moeten beschermen, als we niet op allerlei gebieden afhankelijk willen worden van China. Het gaat niet meer om handelspolitiek, maar om machtspolitiek.”
Sif trekt op met zes andere producenten van monopiles in Brussel om een gelijk speelveld te krijgen met de Chinese concurrenten.
Uit een rapport van Rabobank bleek deze zomer dat in Nederland de chemie sinds 2022 van alle industrietakken het meest last heeft van toenemende Chinese concurrentie. Sinds 2022 is het productievolume van chemische bedrijven in Nederland met een kwart afgenomen. De goedkopere import uit China is naast hoge energieprijzen een belangrijke factor. Bovendien is de klandizie in China zelf afgenomen en wordt de overcapaciteit geëxporteerd naar Europa.
Ronald van Klaveren, voorzitter van branchevereniging VNCI van de chemische industrie en directeur bij het Amerikaanse chemiebedrijf LyondellBasell, verwacht dat de overcapaciteit in China alleen maar zal toenemen en de drang om producten te dumpen in Europa groter zal worden. „In China staan veel nieuwe fabrieken die nog niet eens in gebruik zijn genomen en ze blijven ook nog nieuwe bijbouwen die volledig op export zijn gericht”, zegt hij in een videogesprek.
De Chinese chemiebedrijven hebben volgens hem op alle fronten voordelen. „Met lagere energiekosten, bouwkosten en staatssteun. Doordat ze makkelijker vergunningen krijgen en omdat ze veel goedkoper kunnen lenen. En ik moet eerlijk toegeven dat ze ook nog eens heel erg efficiënt produceren. Maar op dit moment verkopen zij op de Europese markt zonder rendement te maken.”
Voor Europese fabrikanten is zo concurreren niet nog eens vijf jaar vol te houden en dat zou sluiting van meer fabrieken kunnen betekenen. „Dan zullen we sommige chemische basisstoffen niet meer in Europa produceren. Dat kan problemen opleveren voor allerlei producten als China stopt met leveren. Denk aan medicijnen en brillenglazen, maar ook bijvoorbeeld isolatie van huizen en materialen voor zonnepanelen en windmolens.”
Chemisch bedrijf Nobian heeft meerdere klanten in de chemische industrie in grote problemen zien komen door de toegenomen Chinese concurrentie. Zelf wint Nobian zout uit de bodem en splitst dat met gebruik van elektriciteit in chloor, natronloog en waterstof. „Drie chemicaliën die aan de basis liggen van veel chemische processen”, zegt Marco Waas in een videogesprek. Chloor is onmisbaar voor de productie van veel kunststoffen zoals PVC en polyurethane dat wordt gebruikt voor onder andere matrassen en isolatiemateriaal. Natronloog wordt toegepast bij productie van schoonmaakmiddelen, batterijen en ook aluminium en waterstof in zeer diverse productieprocessen.
Chloor, natronloog en waterstof zijn niet makkelijk te vervoeren en dus heeft Nobian zelf niet direct last van de Chinese concurrentie. Maar wel indirect: veel afnemers bestellen minder bij het bedrijf , omdat ze door de Chinese concurrentie minder verkopen. Waas ziet dat verschillende klanten, waarvan sommigen met pijpleidingen aan Nobians installaties zijn verbonden, hun productie flink hebben teruggeschroefd. In Rotterdam sloten een aantal kleinere klanten hun deuren. Sommige concurrenten verkeren in grote financiële problemen.
De grote stroom aan chemische producten kwam volgens Waas op gang door de vastgoedcrisis die in het begin van dit decennium losbarstte in China. „De huizenbouw in China is stilgevallen. Dus moesten chemische producenten hun producten op andere markten kwijt. Sinds de VS door de hoge invoerheffingen dicht zijn voor de Chinese producenten, dumpen zij hun producten massaal in Europa. De Chinese export van bijvoorbeeld PVC en van epoxy, dat onder meer wordt gebruikt in windmolenbladen, is in een paar jaar verdubbeld.”
Door de sluiting van de Straat van Hormuz kwam er dit jaar enige verlichting voor Nobian en zijn klanten. Ook China kreeg te maken met hogere energiekosten en kreeg minder olie binnen als grondstof voor de chemische industrie, de prijzen gingen omhoog en het aanbod omlaag. „Maar het is een tijdelijk effect”, aldus Waes. „De Chinese chemiefabrieken hadden even tijd nodig om voor de productie van een aantal chemische producten over te schakelen op kolen als grondstof in plaats van olie. Dat hebben ze nu gedaan en ze komen weer terug. Met producten waarvoor de CO2-uitstoot nog hoger is dan voorheen.”
In een enquête van de FME gaf dit voorjaar 61 procent van de deelnemende industriebedrijven aan last te hebben van concurrerende producten van buiten de EU die niet voldoen aan Europese veiligheids- en kwaliteitsnormen. Daarbij zijn er ook zeker zorgen over producten uit China.
Pieter Dijkstra legt twee kabels op tafel. Het hoofd research van kabelfabrikant TKF is zojuist binnengelopen in een kleine vergaderzaal. Een laagspanningskabel van TKF met een diameter van zo’n 6 centimeter en een van een Chinese concurrent. Hij pakt die laatste op: „Dit is een voorbeeld van een kabel die wel aan een algemene internationale norm voldoet, maar niet aan de Nederlandse. Je ziet dat de buitenste laag onder het kunststof helemaal staal is. En dit is een kabel van ons, die aan de Nederlandse norm voldoet. Je ziet heel duidelijk dat naast staaldraden in de buitenste laag ook koperdraden zitten. Die kosten 8 of 9 euro per kilogram en dat maakt deze kabel veel duurder. Maar daardoor is hij wel veel beter bestand tegen corrosie en werkt zijn aardingssysteem.”
In de natte Nederlandse bodems is dat een noodzaak, vertelt zijn directeur Laurens Pots. Anders zijn kabels binnen een paar jaar verroest en kunnen ze bij één aanraking door een graafmachine al in brand vliegen, stelt hij. „En we graven nogal veel in Nederland.” Pots laakt dat Nederlandse opdrachtgevers in landen als China en India de engineering laten uitvoeren, waarbij de bedrijven uit die landen onvoldoende rekening houden met de Nederlandse wet- en regelgeving.
Pots is in verschillende functies actief bij instituties die veiligheidsnormen en -standaarden vaststellen. Hij wordt nogal eens benaderd door bedrijven waarbij iets is misgegaan met kabels. Onlangs nog door de advocaat van een aannemer die tegen een schadepost van 5 miljoen euro voor herstelwerkzaamheden was aangelopen, omdat een middenspanningskabel naar de campus van een hoogtechnologisch bedrijf al binnen een paar jaar verroest bleek en vervangen moest worden. „Die aannemer dacht dat hij, door te voldoen aan de internationale richtlijn, aan de hoogste norm voldeed. Maar in Nederland hebben wij op een veel hoger niveau allemaal elektrotechnische en brandtechnische richtlijnen, zodat een kabel tientallen jaren in de grond kan zitten. Dat moet zo’n installateur weten. Voor een half miljoen heeft hij zo’n kabel in China gekocht en nu heeft hij een schadepost van 5 miljoen en moet hij alles er weer uit halen en vervangen. Want die kabel is geploft.”
Productielocatie van Sif Group op de Maasvlakte.
In de fabriek van TKF staan overal metershoge haspels met kleurige kabels. Op de grond liggen rollen koper- en aluminiumdraad, die in machines verdwijnen. „Een paar van die rollen kosten samen een middenklasse auto”, zegt Pots.
Op deze locatie in Haaksbergen, waar TKF in 1930 begon, zijn in de afgelopen jaren naast de machine die al bijna veertig jaar draait nieuwe machines neergezet die kabels voor laag- en middenspanning in elkaar zetten. TKF heeft de grond rondom het huidige terrein opgekocht om nieuwe productie op te zetten. Ook de fabriek in Lochem, waar TKF hoogspanningskabels produceert, gaat uitbreiden. En het bedrijf investeert ook in de locatie in de Eemshaven waar het kabels produceert die windmolens op zee met elkaar verbinden.
De verzwaring en uitbreiding van het stroomnet in deze tijd van elektrificatie bieden grote groeimogelijkheden voor TKF. Een Europees inkoopbeleid zou daarbij nog helpen. „De Europese Commissie heeft in afstemming met diverse branche-organisaties gewerkt aan regelgeving om energienetten als kritische infrastructuur aan te wijzen. Als resultaat zou bij aanbestedingsprocessen in het kader van weerbaarheid een eis voor Europese inkoop kunnen worden opgenomen. Maar dat is op het laatste moment door een aantal Europese netbeheerders uit de regeling gehaald.”
Ook voor de consumentenmarkt ziet Pots materiaal binnenkomen dat niet aan eisen voldoet. „Kleine installateurs bestellen bij AliBaba in plaats van bij erkende groothandels hier. Daar zitten soms valse keurmerken op. Of ze gebruiken het Chinese CE-keurmerk. Dat staat voor China Export. Het lettertype lijkt precies op dat van het Europese CE-veiligheidskeurmerk. Alleen staan de letters iets dichter bij elkaar. Dat is toch pure misleiding?”
Ook op machines met een waarde van enkele honderdduizenden euro’s brengen Chinese producenten dit eigen CE-merk aan, zonder dat aan veiligheidseisen is voldaan. „Het is toch absurd dat wij dat in Europa accepteren?”, zegt Tobias Reuther, algemeen directeur van Trumpf Nederland. Dat is de verkoopdochter van de Duitse machinebouwer, die grote machines produceert die door veel bedrijven in de Nederlandse maakindustrie worden gebruikt.
„Wij zien onveilige machines op de markt komen, we zien ze zelfs op beurzen”, zegt hij in zijn kantoor vlak bij de A1 in Hengelo. „In de VS zijn sommige van die machines na dodelijke ongelukken verboden. Ze mochten pas weer op de markt worden gebracht, nadat Chinese producenten hadden aangetoond dat ze veilig zijn”, zegt hij.
Hij toont een brief die zijn eigen topman samen met diens collega’s van vijf andere Europese machinebouwers al twee jaar geleden heeft gestuurd naar de Europese Commissie. Daarin riepen ze op om strenger te handhaven op veiligheidsvereisten. „Wij zien Chinese concurrenten machines van één ton aanbieden, terwijl een instapmachine bij ons drie ton kost. Als wereldwijd concern hebben wij ook productielocaties in China, weten we hoe hoog de lonen daar zijn en welke kosten ermee gemoeid zijn om aan de veiligheidseisen te voldoen. CE-veiligheidsmaatregelen kunnen tot 20 procent van de kostprijs uitmaken. Als Chinese fabrikanten deze maatregelen volledig zouden toepassen, zouden zij zo’n machine niet voor een ton op de markt kunnen brengen.”
Maar die Chinese fabrikanten lopen niet zelf de risico’s, voegt hij eraan toe. „Wat niet alle kopers in Europa weten is dat het aansprakelijkheidsrisico uiteindelijk vooral ligt bij het bedrijf dat de machine gebruikt”, niet bij de fabrikant.
Zo stapelen de wensen voor Brussel zich op. Van heffingen en quota’s tot een Europees inkoopbeleid en strakkere handhaving. Sif trekt op met zes andere producenten van monopiles in Brussel om een gelijk speelveld te krijgen met de Chinese concurrenten. Maar met de bouwers van turbines, zoals Vestas en Siemens, wordt niet samengewerkt. „Zij hebben andere belangen, ze hebben permanente magneten en kritische grondstoffen uit China nodig. Daarvan zijn ze afhankelijk en ze willen China dus ook niet voor het hoofd stoten.”
In de fabriek van TKF wijst Dijkstra bij twee haspels met rode kabels op de verschillende kleuren rood. De ene is gemaakt met gerecycled kunststof, de andere met virgin plastics. „We investeren voor klanten die dat verlangen veel in gerecycled plastic”, zegt hij. Voor TKF is circulariteit een doelstelling geworden, legt zijn collega Pots verder uit. „Maar dan zal Europa in zijn inkoopbeleid veel meer moeten kijken naar de ecologische voetafdruk van producten.”
Zo leggen de verschillende bedrijven ook een verband tussen de concurrentie uit China en het uitblijven van investeringen in verduurzaming. „Als de kosten oplopen en de winstmarges afnemen, worden wij mogelijk beperkt in het investeren in het helemaal duurzaam worden in 2030”, stelt Waas van Nobian, een van de weinige industriebedrijven die wel een maatwerkafspraak met de overheid hebben gesloten om de CO2-uitstoot terug te dringen.
Ook Waas pleit daarom voor een afschermingsbeleid, gecombineerd met het stimuleren van vraag naar duurzame producten. ”Het is eigenlijk te gek voor woorden dat we toelaten dat we in Europa massaal goedkope producten inkopen en consumeren die zijn gemaakt met staatssteun, die ook nog eens vervuilender zijn en waardoor we, als we niet oppassen, straks nauwelijks nog in staat zijn om strategische materialen en producten zelf te blijven maken in Europa.”
De vrees is echter dat Europa te langzaam is met het zetten van die stappen en meer chemiefabrieken zullen stoppen. „We verduurzamen liever een fabriek dan dat we hem sluiten”, zegt Van Klaveren van de VNCI. „Let wel, sluiting van een fabriek zoals wij bij LyondellBasell hebben gedaan kost 200 miljoen euro. Daarom hopen we als chemische industrie dat Europa chemie als bouwsteen van de industriële keten wil beschouwen, zoals de rest van de wereld al doet. En zich inzet om de chemie te behouden en te verduurzamen.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie