Het menselijk lijf lijkt geëvolueerd om te duiken, betoogt de Nederlandse paleoantropoloog José Joordens in een opvallend, nieuw artikel. Haar betoog doet binnen haar vakgebied een bommetje ontploffen.
is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Neem, als u weer eens bij zwemwater bent, een duik. Wonderlijk eigenlijk: u kunt prima uw adem inhouden en zwemslagen maken, zonder dat uw spieren direct verzuren. Uw neus vormt een soort duikklokje, water komt er moeilijk in. En door druk te zetten op uw verhemelte kunt u het vervelende drukgevoel in uw oren wegnemen.
Geen toeval, zo stelt een opvallend, nieuw artikel, deze maand in vakblad PalaeoAnthropology. Wat u hier beoefent, is misschien wel een van de oudste bezigheden van de mens. Een activiteit die een slordige 2- tot 3 miljoen jaar teruggaat in de tijd, en die ons lichaam zelfs mede kan hebben gevormd.
Onze verre voorouders hebben zo fanatiek naar voedsel gedoken in zee dat ons lijf er nog steeds de sporen van draagt, opperen zeebioloog en oermensenonderzoeker José Joordens (Naturalis, Max Planck Instituut) en de Zweedse fysioloog Erika Schagatay (Mittuniversitetet).
‘Als marien bioloog zijn de kust en de zee altijd mijn leven geweest’, zegt Joordens. ‘Ik heb met eigen ogen gezien hoe makkelijk het is om onder water je voedsel te verzamelen, en hoeveel zoogdiersoorten dat nu al doen. En ik denk dat de mens dat ook zo deed.’
Al decennia vragen wetenschappers zich af hoe het kan dat de mens een marathon kan rennen en andere mensapen niet. Misschien begonnen onze verre voorouders op zeker moment achter wild aan te rennen, opperden de Amerikanen Dennis Bramble en Dan Lieberman twintig jaar geleden. ‘Duurloopjacht’ heet dat in jargon: de prooi sprint weg, maar de mens blíjft maar rennen, net zolang tot zijn prooi uitgeput en oververhit instort.
Maar, zo merken Joordens en Schagatay op: er zijn weinig stammenvolkeren die op die manier jagen. Terwijl zwemmen en duiken naar voedsel overal ter wereld wordt beoefend. ‘Eerst duiken, later rennen’, noemen de twee wetenschappers hun hypothese dan ook. Dat we marathons kunnen lopen, komt vooral doordat we het lijf van een oerduiker hebben, met grote longen, een milt die een stoot zuurstofrijk bloed kan leveren en spieren die dankzij een ongewone genetische mutatie extra efficiënt omgaan met zuurstof.
Zo hebben we nog wat hulpstukken. Een sterke duikreflex: onder water gaan onze hartslag en bloeddruk omlaag. Grote voeten, om meer water weg te trappen. En er zijn oude schedels bekend met ‘surfersoor’, een goedaardige botuitgroei die ontstaat bij overmatige blootstelling aan kou en water.
En er zijn de botten van onze voorouders. Ergens tussen de 2- en 3 miljoen jaar geleden werden die relatief zwaar, toen de oermens genaamd Homo erectus opkwam. ‘Daarmee kun je geen renner meer zijn’, betoogt Joordens. ‘Als renner wil je niet al te veel gewicht meeslepen.’ Maar als duiker heb je er wél wat aan: met een hogere botdichtheid duik je beter.
Er is wel een probleem. Vanaf ongeveer 1960 betoogde de Britse zeebioloog Alister Hardy óók dat de mens eigenlijk een zeedier is. Met fantasierijke ideeën: zo zouden we rechtop zijn gaan lopen om het hoofd boven water te houden en lichaamsvet hebben als isolatie in koud water. De theorie van de ‘wateraap’ werd echter weggehoond, en geldt sindsdien vooral als curieuze dwaling van de wetenschap.
‘Ik ben me er zeer van bewust dat dit beladen terrein is’, erkent Joordens. ‘Voor je het weet word je in een hoek wordt geduwd waarin je absoluut niet wilt zitten.’ Maar Joordens denkt dat de wetenschap inmiddels misschien weer meer openstaat voor de suggestie dat voedsel zoeken onder water ons lijf mede heeft vormgegeven. ‘Er is een jongere generatie onderzoekers opgestaan. En ik merk dat veel mensen het interessant vinden.’
Zo niet Lieberman, grondlegger van de duurlooptheorie. Gevraagd naar zijn indruk komt de evolutiebioloog met een lange e-mail vol tegenwerpingen. Als die neus zo belangrijk is, ‘waarom hebben zeehonden, otters, bevers en andere zwemmende zoogdieren dan geen neus?’
Grote voeten hebben alle boomklimmende apen, je adem kunnen inhouden leidt nog niet tot een betere loopconditie, en trouwens, ‘denk je nou echt dat Homo zware botten evolueerde puur voor ballast?’ Gevat: ‘Ik ben altijd geïnteresseerd in nieuwe ideeën, maar deze theorie gaat nat.’
Genadiger is paleontoloog Alexandra van der Geer (Naturalis). ‘Ik vond het artikel eerlijk gezegd echt interessant. Ze hebben het heel goed opgeschreven’, zegt ze. ‘Er staat niet meer dan: dit zou een mogelijkheid kunnen zijn.’
Tegenwerpingen ziet Van der Geer ook: ‘Die lange poten van ons – pardon, benen – wijzen meer op rennen dan op duiken. Bovendien gaan vissende mensen maar een fractie van hun tijd het water in. Veel te kort voor aanpassingen aan je skelet’, zegt ze. Joordens’ kijk ziet ze dan ook als ‘een hypothese die absoluut nog niet bewezen is. Niemand gelooft dit. Aan de andere kant: je kunt het ook niet zomaar afschieten. Het is wel een optie.’
Maar Joordens zag in Thailand met eigen ogen hoe de plaatselijke aapjes bij laag water het strand opgaan om met stenen oesters open te breken. ‘Makaken kunnen heel goed zwemmen, en ze duiken zelfs’, zegt ze. ‘Dit is wat zoogdieren doen als er op het land niks te halen is: ze gaan naar het water.’
Joordens wijst erop dat er inmiddels zowaar wat archeologisch bewijs is dat vroege mensen in verband brengt met water. Zoals een slachtplaats in Kenia van bijna 2 miljoen jaar oud, met resten vis en andere waterdieren. Al wijst Lieberman erop dat hier ook krokodillen leefden, een hindernis voor een zwemmende oermens.
Vervolgonderzoek is nodig, zeggen wetenschappers dan, en zo ziet Joordens het ook. ‘Ik hoop dat de onderzoeksgemeenschap het fossielenbestand nog eens gaat bekijken, met een meer aquatische bril op’, zegt ze. ‘Alleen al door andere mogelijkheden te beschouwen, kunnen er nieuwe aanwijzingen aan het licht komen’.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant