Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Na een kleine boodschap (letterlijk) bij de supermarkt loop ik door de winkelgalerij. Ik ben op weg naar de boekhandel, om een kaart te kopen die je nooit wilt kopen. Voor me loopt een man met kort, zwart haar. Een andere man loopt hem tegemoet.
Die man is ongeveer een kop kleiner dan ik, ergens eind vijftig, dik grijs haar. Hij heeft veel weg van een restaurantuitbater op Kreta: een breed, vriendelijk gezicht en warme, donkere ogen. Iemand die nooit zou beginnen over concepten, maar voortdurend je duralex glaasje volschenkt met wijn uit een enorme mandfles.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De restaurateur heeft geen mandfles bij zich. Wel een fatbike, die hij met beide handen voortduwt. Hij spreekt de man voor me aan. Ze kennen elkaar niet, maak ik op uit de manier waarop de man voor me beleefd even stilhoudt en zijn hoofd buigt.
De restaurateur zegt iets tegen hem en wijst dan vragend naar de fatbike. De man voor me schudt glimlachend zijn hoofd, houdt een hand op en loopt weer verder. Alsof hij niet een fatbike aangeboden kreeg, maar een krant van een krantenverkoper. ‘Meneer, kan ik u misschien blij maken met een fatbike?’ Nee, bedankt, ik heb al een abonnement.
Deze fatbike is natuurlijk gestolen. Terwijl de restaurateur doorloopt, op mij af, doe ik mijn best om het erg te vinden dat er een fatbike gestolen is. Dat lukt niet. Er zijn mensen die vinden dat fatbikehaat verkapt racisme is. Dat komt dan vooral omdat ze niet verder kijken dan hun eigen bubbel. In Haarlem en omstreken rijden er stinkend rijke en goudblonde kinderen met hockeysticks op opgevoerde fatbikes en die worden net zo goed gehaat.
Misschien kan ik de fatbike wel van hem kopen en daarna in de gracht gooien. De man is me nu op enkele meters genaderd. Ik bereid me voor op wat hij me gaat vragen en hoe ik daar vervolgens op kan reageren. Onze blikken vinden elkaar en hij glimlacht vriendelijk naar me. Ik hou mijn pas alvast in en dan... loopt hij gewoon langs me. Met fatbike en al.
Eerst is er een gevoel van verontwaardiging, dat snel plaatsmaakt voor dankbaarheid. Kennelijk ben ik esthetisch geprofileerd en zie ik er niet uit als iemand die een fatbike gaat kopen. Dat is een groot compliment, zeker afkomstig van een Kretenzer restaurateur. Of het komt omdat ik zelf ook met een fiets in mijn hand loop. Maar ik wil en moet geloven dat het vanwege het eerste is.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant